Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:47

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-01-2014
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
22004262-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte rechtspersoon ten onrechte de term “accountancy” op haar briefpapier heeft gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004262-12

Parketnummer: 82-038362-12

Datum uitspraak: 20 januari 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2012 in de strafzaak tegen de verdachte rechtspersoon:

account-service [naam rechtspersoon],

gevestigd te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

6 januari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte rechtspersoon naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte rechtspersoon ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.800,- met een proeftijd van twee jaren.

Namens de verdachte rechtspersoon is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte rechtspersoon is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 14 september 2011 tot en met 19 september 2011 in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, terwijl zij niet was ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 (van de Wet Accountants-Administratieconsulenten) en/of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants, (telkens) anders dan in besloten kring de benaming accountant zonder nadere toevoeging, dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent heeft gevoerd en/of zich (telkens) zodanig heeft gedragen, dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moest zijn gewekt, dat zij tot het voeren van die benaming gerechtigd was, immers was - zakelijk weergegeven - (telkens) de aanduiding: “Account-Service [naam rechtspersoon]”, “Accountancy - Administratieve dienstverlening –Belastingen - Organisatie op het briefpapier en/of vermeldt verdachte “Account Service [naam rechtspersoon]”

in het kantoorpand, waarin de onderneming van verdachte was gevestigd, vermeld op:
het bordje naast de bel in de hal en/of
de brievenbus en/of
een reclamebord in de hal en/of
een bord in de lift en/of
een bord naast de toegangsdeur tot het bedrijf op de eerste verdieping en/of
vermeld op:
een of meer internetsite(s) en/of
het briefpapier van verdachte en/of
een of meer visitekaartje(s) van verdachte en/of
een blanco factuur van verdachte en/of
3, althans een of meer kopie(en) van (een) gebruikte factu(u)r(en) van verdachte en/of
vermeld als: handelnaam in het uittreksel van de Kamer van Koophandel, terwijl er bij haar, verdachte, geen in de accountantsregisters ingeschreven perso(o)n(en) werkzaam was/waren.

Verweren

Door de raadsvrouw is namens de verdachte rechtspersoon ter terechtzitting in hoger beroep, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Primair stelt de verdediging met een beroep op het bepaalde in artikel 70 Wetboek van Strafrecht dat het recht op strafvervolging is verjaard en dat het openbaar ministerie dan ook niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Met het voeren van de naam Account–Service is immers begonnen in 1989. Het “onrechtmatig” titelgebruik is gedurende 22 jaren gedoogd. Nu geen stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden, is er sprake van verjaring na ommekomst van een periode van 6 jaar vanaf 1989, aldus de raadsvrouw.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de verdachte rechtspersoon van rechtsvervolging ontslagen dient te worden. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de beroepsgroep (het hof begrijpt: van registeraccountants en accountants-administratieconsulenten) door handhaving van het verbod te verlangen een concurrent uitschakelt hetgeen maatschappelijk niet acceptabel is. Handhaving van het verbod betekent voor de verdachte rechtspersoon schade en dat is een zwaarwegend belang, en dat geldt niet voor de beroepsgroep wanneer de verdachte rechtspersoon de bedoelde naam blijft voeren.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het beroep op verjaring dient te worden verworpen. Het strafbare feit als ten laste gelegd moet worden gezien als een voortdurend delict. Van verjaring kan slechts sprake zijn voor zover het de periode betreft langer geleden dan 3 jaar voordat de vervolging een aanvang heeft genomen. Nu als pleegperiode in de tenlastelegging is opgenomen de periode van 14 september 2011 tot en met 19 september 2011, kan van verjaring geen sprake zijn. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in de vervolging.

Van ontslag van rechtsvervolging kan slechts sprake zijn ingeval een bewezen verklaard feit niet strafbaar is of ingeval een dader niet strafbaar is. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan het hof geen onderbouwing vinden waarom op een van deze beide gronden tot ontslag van rechtsvervolging als hiervoor bedoeld zou moeten worden overgegaan. Het beroep op ontslag van rechtsvervolging dient dan ook te worden verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 14 september 2011 tot en met 19 september 2011 in de gemeente Rotterdam, terwijl zij niet was ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 (van de Wet Accountants-Administratieconsulenten) en/of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountant]telkens anders dan in besloten kring de benaming accountant in enige samenstelling heeft gevoerd zodat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moest zijn gewekt, dat zij tot het voeren van die benaming gerechtigd was, immers was de aanduiding: “Accountancy - Administratieve dienstverlening –Belastingen – Organisatie” op het briefpapier van verdachte vermeld, terwijl er bij haar, verdachte, geen in de accountantsregisters ingeschreven perso(o)n(en) werkzaam was/waren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte rechtspersoon moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte rechtspersoon daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte rechtspersoon het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Niet ter discussie staat dat de verdachte rechtspersoon in de naam de bewoordingen “account-service” hanteert en dat de naam “Account-Service [naam rechtspersoon]” is vermeld in het kantoorpand op de in de tenlastelegging aangeduide plekken, dat deze naam vermeld is op de in de tenlastelegging aangeduide bescheiden en als handelsnaam is vermeld in het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Tevens kan worden vastgesteld dat het briefpapier van de verdachte rechtspersoon onder de hiervoor omschreven benaming vermeldt: “Accountancy – Administratieve dienstverlening – Belastingen – Organisatie”.

Tenslotte staat vast dat bij de verdachte rechtspersoon geen personen werkzaam waren die ingeschreven waren in de registers als bedoeld in de Wet Accountants-Administratieconsulenten en de Wet op de Registeraccountants.

Artikel 41 lid 1 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten verbiedt, tenzij men ingeschreven is in een van de beide hiervoor genoemde registers, om de naam accountant zonder nadere toevoeging dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent te voeren dan wel zich zodanig te gedragen dat daardoor bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat men tot het voeren van die benaming gerechtigd is.

Onder verwijzing naar HR 25-1-2000 LJN AA4576 stelt het hof vast dat de aanduiding “accountancy” zozeer overeenstemt met en associaties wekt met de benaming “accountant” dat redelijkerwijs bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat men tot het voeren van die benaming gerechtigd is en dat daaraan niet kan afdoen dat de Engelstalige term accountancy een brede strekking heeft en mede omvat werkzaamheden die ook mogen worden verricht door anderen dan degenen die gerechtigd zijn de benaming accountant te voeren.

Dit betekent dat de op het briefpapier opgenomen vermelding “Accountancy – Administratieve dienstverlening – Belastingen – Organisatie” een overtreding van het in artikel 41 lid 1 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten neergelegde verbod inhoudt.

Naar het oordeel van het hof geldt dit niet ten aanzien van de in de benaming van de verdachte rechtspersoon opgenomen bewoordingen “account-service”. Deze bewoordingen staan naar het oordeel van het hof te ver af van de term accountant om te kunnen concluderen dat bij het publiek de hiervoor omschreven indruk moet worden gewekt. Ten aanzien van dat onderdeel dient dan ook vrijspraak te volgen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met het bepaalde in artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluit. De verdachte rechtspersoon is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte rechtspersoon ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.800,-, met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de omstandigheden van de verdachte rechtspersoon, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte rechtspersoon ten onrechte de term “accountancy” op haar briefpapier heeft gebruikt. Ter terechtzitting heeft de verdachte rechtspersoon kenbaar gemaakt dat zij inziet dat deze term niet geoorloofd is en heeft zij aangegeven het bewuste briefpapier niet meer te zullen gebruiken. Van het grootste verwijt, namelijk het opnemen van de term “account-service” in de benaming van de rechtspersoon, wordt de verdachte rechtspersoon vrijgesproken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de financiële positie waarin de verdachte rechtspersoon verkeert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 41 en 43 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte rechtspersoon meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte rechtspersoon strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,-(vijfhonderd euro).

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte rechtspersoon zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. R.C. Schlingemann, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 januari 2014.