Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4642

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
22-002924-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning met een valse sleutel, waarbij onder meer geldkistjes met een geldbedrag van € 24.000,-- zijn weggenomen.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002924-13

Parketnummer: 10-681224-13

Datum uitspraak: 30 juli 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,

[adres],

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 16 juli 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 mei 2013 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen meerdere, althans een, geldkistje(s) met daarin een geldbedrag ter hoogte van 24.000 euro en/of een trouwboekje en/of een goudkleurig horloge en/of meerdere, althans een, overlijdenskaart(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door uit een brievenbus een (reserve)sleutel (behorende bij voornoemde woning) te pakken en/of zonder daartoe bevoegd te zijn voornoemde (reserve)sleutel te gebruiken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 12 mei 2013 te Giessenburg, gemeente Giessenlanden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen meerdere, althans een, geldkistje(s) met daarin een geldbedrag ter hoogte van 24.000 euro en/of een trouwboekje en/of een goudkleurig horloge en/of meerdere, althans een, overlijdenskaart(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door uit een brievenbus een (reserve)sleutel (behorende bij voornoemde woning) te pakken en/of zonder daartoe bevoegd te zijn voornoemde (reserve)sleutel te gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Cautieverzuim

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte, nu verzuimd is hem de cautie te geven voordat hem werd gevraagd waar de kistjes vandaan kwamen. Aangezien er een direct verband bestaat tussen het voorhanden bewijsmateriaal en het cautieverzuim, is in de visie van de raadsman, gegeven artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, algehele bewijsuitsluiting op zijn plaats en dient de verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.


Het hof onderschrijft dit standpunt niet. Op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. De verdachte heeft zich immers ten overstaan van de politie op zijn zwijgrecht beroepen en heeft ook ter terechtzitting in eerste aanleg geen verklaring afgelegd. In weerwil van het standpunt van de raadsman ziet het hof dan ook geen grond voor het door hem gewenste rechtsgevolg.

Redelijk vermoeden van schuld

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman

– verkort en zakelijk weergegeven – voorts betoogd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest. Daartoe is aangevoerd dat de verbalisanten in eerste instantie enkel op basis van de melding van de getuige [getuige] tot onderzoek zijn overgegaan, terwijl haar verklaring onvoldoende aanleiding vormde om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. De daarop volgende informatie bevatte volgens de raadsman evenmin zodanige omstandigheden dat tot onderzoek en aanhouding kon worden overgegaan. Dat verbalisant [verbalisant] in een geopende tas tussen de benen van de bijrijder geldkistjes heeft gezien acht de raadsman onmogelijk, nu daartoe

– gelet op die bijrijder – onvoldoende ruimte bestond en het a prima vista niet duidelijk kan zijn geweest dat de kistjes geldkistjes betroffen. Volgens de raadsman is dientengevolge sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het kader van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, waarvan het gevolg moet zijn dat, waar de daaruit voorvloeiende aanhouding van de verdachte als onrechtmatig moet worden beschouwd, de daaruit verkregen resultaten van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt en stelt op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 mei 2013, met proces-verbaalnummer PL1820 2013042194-8, kreeg de politie op 12 mei 2013 de opdracht naar Giessenburg te gaan in verband met een melding van een getuige omtrent een verdachte situatie. Deze getuige had drie personen waargenomen bij een auto met het kenteken [x], van wie twee personen van het voertuig waren weggelopen en kort daarop weer terug waren gekomen met een plastic tas bij zich. Vervolgens ontving de politie via de gemeenschappelijke meldcentrale de informatie dat van voormeld kenteken meerdere aandachtvestigingen in verband met diefstallen bekend waren. Tevens herkende één van de verbalisanten het voertuig van een eerdere controle, waarbij de inzittenden waren geverbaliseerd wegens het vervoer van inbrekerswerktuigen. Op grond van deze informatie hebben de verbalisanten het voertuig een teken tot stoppen gegeven. Nadat één van de verbalisanten tussen de benen van de bijrijder een open plastic tas zag met twee geldkistjes, werden de inzittenden van het voertuig ten slotte aangehouden.

Naar het oordeel van het hof waren voormelde feiten en omstandigheden voldoende om een redelijk vermoeden van schuld te kunnen opleveren. De melding van de getuige in combinatie met de aandachtvestigingen op en herkenning van het voertuig leverden voldoende feiten en omstandigheden op om het voertuig te bevelen om te stoppen . De daarop volgende aanhouding is blijkens voormeld proces-verbaal gebaseerd op het feit dat tussen de benen van de bijrijder een open plastic tas stond waarin geldkistjes zaten. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan deze ambtsedige verklaring van de verbalisant. Aan de hand van deze informatie kon dan ook worden besloten tot de aanhouding van de inzittenden.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotivering

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat niet kan worden bewezen wie de reservesleutel van de woning had gepakt dan wel dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van de reservesleutel in de auto. Derhalve kan het ten laste gelegde niet worden bewezen, evenmin in de vorm van medeplegen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de aangever en zijn vrouw op 12 mei 2013 om 9.00 uur hun woning aan de [adres] te Giessenburg hadden verlaten. Omstreeks 9.40 uur nam getuige [getuige] waar dat een auto parkeerde bij de [adres]. Zij zag dat er twee mannen uitstapten en dat zij anderhalve minuut à twee minuten later terugkwamen met een plastic tas bij zich. De mannen keken schichtig om zich heen. De getuige heeft daarop de politie gebeld die het voertuig tot stoppen heeft bevolen. Tussen de benen van de bijrijder bevond zich een open plastic tas met twee geldkistjes. De inzittenden van het voertuig, onder wie de verdachte als bestuurder en de medeverdachte [medeverdachte] als bijrijder, werden daarop aangehouden. Om 10.30 uur werd een onderzoek in het voertuig verricht. Op de grond voor de bijrijdersstoel werden in de plastic tas de reservesleutel van en de geldkistjes afkomstig uit voormelde woning aangetroffen.

Het hof kent betekenis toe aan de gezamenlijkheid van het optreden van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], zoals die tot uitdrukking komt in hun gezamenlijke komst naar Giessenburg, hun gezamenlijke vertrek en het onder de bijrijdersstoel van de medeverdachte aantreffen van de weggenomen voorwerpen in de auto bestuurd door de verdachte.

Naar het oordeel van het hof hebben de verdachte en zijn medeverdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm dermate nauw en bewust samengewerkt, dat sprake is van het medeplegen van de diefstal met valse sleutels zoals bewezen is verklaard. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat van de verdachte, gelet op de omstandigheden waaronder hij is aangehouden, een verklaring omtrent de aangetroffen goederen had mogen worden verwacht, welke verklaring hij evenwel - ook met bijstand van zijn raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg - niet heeft willen geven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning met een valse sleutel, waarbij onder meer geldkistjes met een geldbedrag van € 24.000,-- zijn weggenomen. Met deze handelwijze heeft de verdachte niet alleen ergernis en overlast, maar ook financiële schade voor de gedupeerden veroorzaakt. Bovendien dragen feiten als de onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juli 2014, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor gekwalificeerde diefstallen. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. J. Borgesius en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 juli 2014.

Mr. J. Borgesius is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.