Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4637

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
22-005135-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan belaging van zijn (ex-)echtgenote.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 203 (tweehonderddrie) dagen. Tevens heeft het hof als bijzondere voorwaarde een locatieverbod opgelegd betreffende een straal van 200 meter rond het woonadres en werkadres van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005135-13

Parketnummer: 09-808230-13

Datum uitspraak: 17 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1949,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 december 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 203 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het vonnis waarvan beroep. Van de gestelde voorwaarden is de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij H.C. van Schijndel niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing op de vordering van de benadeelde partij is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 februari 2013 tot en met 18 juni 2013 te 's-Gravenhage en/of Renkum, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde partij 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij verdachte (telkens)

- op verschillende data (onder meer op 21 mei 2013 en/of op 28 mei 2013 en/of 10 juni 2013) zich (zonder noodzaak) bevonden in de onmiddelijke nabijheid van het werkadres van die [benadeelde partij 1] en/of

- op meerdere data en/of tijdstippen gebeld met [getuige 1], collega van die [benadeelde partij 1] en/of daarbij regelmatig bedreigende taal geuit tegen die [getuige 1] en/of

- zich op 17 juni 2013 begeven naar de woning van [getuige 2], collega van die [benadeelde partij 1], met het verzoek aan die [getuige 2] om papieren te lezen en daarbij, althans vervolgens, toen die [getuige 2] weigerde die papieren te lezen, zijn/een voet tussen de deur heeft geplaatst, hetgeen een bedreigende situatie opleverde voor die [getuige 2] en/of

- in de periode van 16 maart 2013 tot en met 18 maart 2013 te Renkum het graf van [benadeelde partij 1], zijnde de overleden vader van [benadeelde partij 1], vernield en/of

- in de periode van 15 maart 2013 tot en met 17 maart 2013 te Renkum een brievenbus in de centrale hal van een flatgebouw aan de [adres] (zijnde het voormalige woonadres van de moeder van die [benadeelde partij 1]) vernield en/of

- op 4 maart 2013 [benadeelde partij 2] (zijnde de zus van [benadeelde partij 1]) telefonisch de woorden toegevoegd: 'Ik krijg jullie nog wel' en/of 'Ik heb drie maanden de tijd gehad om na te denken hoe ik jullie te pakken ga nemen en weet dat dit nog maar het begin is', althans woorden van gelijkende aard en/of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak (partieel)

Het hof is - met de advocaat-generaal en de raadsman - van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder het vierde en vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde gedragingen, zodat de verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 februari 4 maart 2013 tot en met 18 juni 2013 te 's-Gravenhage en/of Renkum, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [benadeelde partij 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij verdachte (telkens)

- op verschillende data (onder meer op 21 mei 2013 en/of op 28 mei 2013 en/of 10 juni 2013) zich (zonder noodzaak) bevonden in de onmiddelijke onmiddellijke nabijheid van het werkadres van die [benadeelde partij 1] en/of

- op meerdere data en/of tijdstippen gebeld met [getuige 1], collega van die [benadeelde partij 1] en/of daarbij regelmatig bedreigende taal geuit tegen die [getuige 1] en/of

- zich op 17 juni 2013 begeven naar de woning van [getuige 2], collega van die [benadeelde partij 1], met het verzoek aan die [getuige 2] om papieren te lezen en daarbij, althans vervolgens, toen die [getuige 2] weigerde die papieren te lezen, zijn/een voet tussen de deur heeft geplaatst, hetgeen een bedreigende situatie opleverde voor die [getuige 2] en/of

- in de periode van 16 maart 2013 tot en met 18 maart 2013 te Renkum het graf van [benadeelde partij 1], zijnde de overleden vader van [benadeelde partij 1], vernield en/of

- in de periode van 15 maart 2013 tot en met 17 maart 2013 te Renkum een brievenbus in de centrale hal van een flatgebouw aan de [adres] (zijnde het voormalige woonadres van de moeder van die [benadeelde partij 1]) vernield en/of

- op 4 maart 2013 [benadeelde partij 2] (zijnde de zus van [benadeelde partij 1]) telefonisch de woorden toegevoegd: 'Ik krijg jullie nog wel' en/of 'Ik heb drie maanden de tijd gehad om na te denken hoe ik jullie te pakken ga nemen en weet dat dit nog maar het begin is', althans woorden van gelijkende aard en/of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – sprake is van stemmingmakerij tegen de verdachte door het slachtoffer, één en ander overeenkomstig de inhoud van de overgelegde pleitnotities.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is zich bewust van het feit dat de aangifte van het slachtoffer dateert uit de tijd dat de verdachte en het slachtoffer in een echtscheidingsprocedure waren verwikkeld. Naar het oordeel van het hof is echter niet aannemelijk geworden dat de getuigen wiens verklaringen het hof tot het bewijs bezigt niet naar waarheid hebben verklaard of dat de door hen afgelegde verklaringen zijn beïnvloed door hetgeen het slachtoffer over de verdachte heeft gezegd. Het feit dat de omgeving van het slachtoffer op de hoogte was van de – zakelijk weergegeven – echtscheidingsperikelen, vormt hiervoor onvoldoende onderbouwing. Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om de door getuigen afgelegde verklaringen welke gebezigd worden voor het bewijs, als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven.

Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 26 maart 2013 in het pand van het [adres] te Den Haag (het werkadres van het slachtoffer) is geweest. Dit impliceert dat de verdachte ook in de onmiddellijke nabijheid van het werkadres van het slachtoffer is geweest.

Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje

Nu door de verdachte wordt ontkend dat hij op 13 mei 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met [getuige 1] en er verder geen steunbewijs is voor het feit dat dit gesprek heeft plaatsgevonden, zal het hof, hoewel er geen reden is om te twijfelen aan de verklaring van [getuige 1] op dit punt, dit telefoongesprek niet meenemen in het bewijs.

Belaging

Het hof is van oordeel dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen het gevolg dient te worden getrokken dat de gedragingen van de verdachte, in onderling verband en samenhang bezien, - gelet op de aard, duur, frequentie en intensiteit ervan, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de invloed op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer - een zodanig indringend karakter hadden dat deze een opzettelijk wederrechtelijke en stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer opleveren, die erop gericht was haar vrees aan te jagen. De door de verdachte bewezenverklaarde gedragingen waren gericht tegen verscheidene personen in de directe leef- en werkomgeving van het slachtoffer en hadden veelal een bedreigend en intimiderend karakter. Bovendien hebben deze gedragingen deels plaatsgevonden tijdens een contactverbod met het slachtoffer. Hoewel de verdachte geen rechtstreeks contact met het slachtoffer heeft gezocht, moet hij hebben geweten dat het slachtoffer door de personen, met wie de verdachte meermalen contact heeft gezocht, in kennis zou worden gesteld van de gedragingen van de verdachte. Ook in die omstandigheid is er sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 203 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden een contactverbod ten aanzien van [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [getuige 2] en [getuige 1], alsmede een locatieverbod betreffende een straal van 200 meter rond het [adres] te den Haag. Voorts heeft zij gevorderd voornoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan belaging van zijn (ex-)echtgenote [benadeelde partij 1]. Door aldus te handelen heeft de verdachte grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar vrees aangejaagd. Het is algemeen bekend dat belaging zeer nadelige psychische gevolgen kan hebben voor slachtoffers en uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer erg onder de situatie lijdt.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Voorts is de verdachte op 6 juni 2014 door dit hof veroordeeld ter zake van mishandeling van zijn (ex)-echtgenote, gepleegd op 6 november 2012.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de zich in het dossier bevindende Pro Justitia rapportages van 23 september 2013 en 25 september 2013 en het reclasseringsadvies van 14 oktober 2013. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de Pro Justitia rapportage van 9 april 2014 buiten beschouwing te laten, omdat de opsteller daarvan een bekende van hem is. Nu het hof hieromtrent geen nadere informatie heeft en zich ook zonder acht te slaan op deze rapportage voldoende voorgelicht acht, zal het hof deze rapportage buiten beschouwing laten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en onder de bijzondere voorwaarden als hierna vermeld, een passende en geboden reactie vormt. De stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep bieden onvoldoende aanknopingspunt te veronderstellen dat de belaging gericht is geweest tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer. Op die grond ziet het hof af van het gelasten van de dadelijke uitvoerbaarheid van het contact- en locatieverbod.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 6.015.15 (bestaande uit € 4.015,19 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, te weten tot een bedrag van € 2.400,00 (bestaande uit € 400,00 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van het overige gevorderde.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 203 (tweehonderddrie) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 42 (tweeënveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [getuige 1]. Contact dat noodzakelijk is in het kader van de echtscheidingsprocedure dient via de advocaat in de echtscheidingsprocedure plaats te vinden;

  • -

    dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in de [adres] te 's-Gravenhage.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. M. Moussault en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 december 2014.

Mr. M. Moussault en mr. A.W.M. Bijloos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.