Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4628

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
22-000481-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een barvrouw door een barkruk in haar richting te gooien.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000481-14

Parketnummers: 09-817248-14 en 09-721089-12 (TUL)

Datum uitspraak: 8 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 5 februari 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1979,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 24 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank ’s‑Gravenhage van 2 oktober 2012, onder parketnummer 09‑721089-12, voorwaardelijk opgelegde straf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2014 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een barkruk en/of een baksteen, althans een hard en/of zwaar voorwerp in de richting van die [benadeelde partij] heeft gegooid (terwijl die [benadeelde partij] achter de bar stond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 23 januari 2014 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een barkruk en/of een baksteen, althans een hard en/of zwaar voorwerp in de richting van die [benadeelde partij] heeft gegooid (terwijl die [benadeelde partij] achter de bar stond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu – kort gezegd – niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangeefster, [benadeelde partij].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Baksteen

Het hof is – met de raadsman – van oordeel dat de feiten en omstandigheden ten aanzien van het gooien van de baksteen te onduidelijk zijn om te kunnen aannemen dat sprake is geweest van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij]. Van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het gooien van de baksteen zal de verdachte daarom worden vrijgesproken.

Barkruk

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt – verkort en zakelijk weergegeven – het navolgende.

De verdachte stond op 23 januari 2014 in het [café] van Leiden te Leiden voor de bar, terwijl [benadeelde partij] zich achter de bar bevond. De verdachte heeft verklaard dat hij boos en geïrriteerd was vanwege de baksteen die [benadeelde partij] aan de verdachte had getoond. De verdachte heeft, zo blijkt uit de verklaringen van [benadeelde partij] en de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], vervolgens een barkruk vastgepakt en gepoogd deze barkruk over de bar in de richting van [benadeelde partij] te gooien. De barkruk kwam echter tegen een plank boven de bar aan, waardoor de barkruk [benadeelde partij] niet heeft geraakt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de barkruk niet heeft gegooid, maar dat hij met de barkruk heeft staan dansen, waarna hij de barkruk voor de bar op de grond heeft laten vallen omdat de barkruk tegen de plank boven de bar aanstootte. Bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte echter anders verklaard, namelijk dat hij de barkruk vasthad en dat de barkruk een andere kant op is gegaan, doordat hij niet over de bar heen kwam. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij boos was en met de kruk zwaaide. Gelet op de eerder afgelegde verklaringen van de verdachte en de verklaringen van [benadeelde partij] en de aanwezige getuigen, acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij slechts met de barkruk heeft staan dansen niet aannemelijk.

Gelet op het vorenstaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte opzettelijk een barkruk in de richting van [benadeelde partij] heeft gegooid. Dat [benadeelde partij], die zich op korte afstand van de verdachte bevond, niet door deze barkruk is geraakt, is niet aan de verdachte te danken, maar aan het feit dat de barkruk werd tegengehouden door een plank boven de bar.

Een barkruk is een zwaar en groot voorwerp. Er bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel indien een barkruk tegen iemands hoofd of lichaam wordt aangegooid. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard, althans op de koop toegenomen.

Naar het oordeel van het hof kan derhalve wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een barvrouw door een barkruk in haar richting te gooien. De verdachte heeft daarbij geen enkel oog gehad voor de lichamelijke en de eventuele psychische schade die hij met zijn handelen zou kunnen veroorzaken, hetgeen het hof hem ernstig aanrekent.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van onder meer geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank ’s‑Gravenhage van 2 oktober 2012 onder parketnummer 09‑721089-12 is de verdachte – voor zover relevant – veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 17 oktober 2012.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat deze straf ten uitvoer zal worden gelegd, met dien verstande dat deze zal worden omgezet in een taakstraf voor de duur van 14 uren, subsidiair 7 dagen hechtenis.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

In plaats daarvan zal het hof evenwel - gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken - een taakstraf voor de duur van 14 uren gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 oktober 2012, parketnummer 09-721089-12, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen, te vervangen door: taakstraf voor de duur van 14 (veertien) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll,

mr. T.L. Tan en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 december 2014.