Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4627

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
22-001227-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:213, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft terwijl hijzelf seksuele handelingen verrichte met een viertal meisjes (die toen 13 tot 15 jaar oud waren) daarvan met behulp van zijn mobiele telefoon videoopnames gemaakt en deze daarna overgezet op de harde schijf van zijn computer. Twee van de meisjes waren niet bekend, dat er opnames werden gemaakt door de verdachte. Dat de verdachte wellicht (nog) niet de intentie had om de beelden te verspreiden doet daaraan niet af.

Het hof veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden. Voorts veroordeelt het hof de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001227-13

Parketnummer: 11-710191-12

Datum uitspraak: 14 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 30 september 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is het inbeslaggenomen voorwerp onttrokken aan het verkeer en is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij in of omstreeks de periode van 24 december 2007 tot en met 30 november 2009 te Strijensas, gemeente Strijen, en/of Mookhoek, gemeente Strijen, in elk geval in Nederland, één of meermalen (telkens) (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten een (externe) harddisk (merk: Memorex)) heeft verspreid en/of aangeboden en/of vervaardigd en/of in bezit gehad, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 1] [geboortejaar] en/of

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 2] [geboortejaar] en/of

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 3] [geboortejaar] en/of

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 4] [geboortejaar] en/of

- het likken aan het geslachtsdeel van [benadeelde partij 4] en/of

- het zich laten pijpen door [benadeelde partij 4] en/of

- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van [benadeelde partij 4].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 24 december 2007 tot en met 30 november 2009 te Strijensas, gemeente Strijen, en/of Mookhoek, gemeente Strijen, in elk geval in Nederland, één of meermalen (telkens) (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten een (externe) harddisk (merk: Memorex)) heeft verspreid en/of aangeboden en/of vervaardigd en/of in bezit gehad, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 1] [geboortejaar] en/of

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 2] [geboortejaar] en/of

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 3] [geboortejaar] en/of

- het vaginaal penetreren (met penis) van het lichaam van [benadeelde partij 4] [geboortejaar] en/of

- het likken aan het geslachtsdeel van [benadeelde partij 4] en/of

- het zich laten pijpen door [benadeelde partij 4] en/of

- het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van [benadeelde partij 4].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bespreking verweren

Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, nu er onvoldoende bewijs is dat er seksuele gedragingen op de betreffende afbeeldingen te zien zijn, op gronden zoals in de pleitnota verwoord.

Het hof stelt het navolgende vast.

De verdachte is op 28 januari 2013 gehoord door de rechter-commissaris. Bij die gelegenheid heeft de verdachte verklaard dat hij relaties heeft gehad met [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] en dat het klopt dat hij met ieder van hen seks heeft gehad. Voorts heeft hij verklaard dat het klopt dat hij opnames heeft gemaakt van seksuele handelingen tussen hemzelf en de vier meisjes, en ook dat het kan kloppen dat hij van alle vier de meisjes opnames heeft gemaakt waarop zij aan het neuken zijn. Ten aanzien van [benadeelde partij 4] kan het ook kloppen dat hij opnames heeft gemaakt van het beffen, pijpen en vingeren.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het stom van hem was dat hij die beelden heeft gemaakt.

Door de politie zijn de aangetroffen films onderzocht en in een proces-verbaal van bevindingen beschreven. Daarin is het volgende – voor zover hier van belang – gerelateerd.

Filmbestand in de submap [benadeelde partij 1]:

Een jongen samen met een meisje in beeld. Te zien is hoe zij samen naast elkaar op de (bed-) bank gaan liggen, half onder een deken of dekbed. Te zien is hoe zij elkaar zoenen en omhelzen. Voor een deel in beeld en voor een deel onder de deken of dekbed ontkleden zij zich. Vervolgens is te zien hoe zij kennelijk in wisselende posities gemeenschap met elkaar hebben. Hoewel niet expliciet in beeld wordt de indruk gewekt dat de jongen daarbij in verschillende posities seksueel is binnengedrongen met zijn penis in de vagina van het meisje.

Filmbestand in de submap [benadeelde partij 2]:

Er zijn beelden te zien van de penis van de kennelijke filmer, met condoom, voor de vagina van het meisje. Vervolgens wordt in haar vagina binnen gedrongen en daarin heen en weer bewogen met die penis. Ook zijn er filmbeelden van een voorover gebukt meisje waarbij te zien is hoe in deze positie met de penis in de vagina wordt gepenetreerd.

Filmbestand in de submap [benadeelde partij 3]:

De jongen ligt op een (bed-)bank onder een deken of dekbed. Te zien is hoe een meisje naast hem komt liggen. Zij kleden zich beiden uit, half onder de dekens. Vervolgens is te zien hoe de jongen op haar gaat liggen onder de dekens. Met zijn onderlichaam maakt hij vervolgens kennelijk steeds sneller heen en weer gaande bewegingen naar het meisje toe. Vervolgens is te zien dat het meisje op handen en voeten gaat zitten. De jongen neemt achter haar plaats. Beiden zijn naakt. Hij maakt bewegingen alsof hij met zijn penis is binnengedrongen in haar vagina.

Filmbestand in de submap [benadeelde partij 4]:

Een naakte jongen en meisje zijn zichtbaar. Zij gaan op een bank onder een deken liggen. Er worden seksuele handelingen gepleegd waarbij zij elkaar geslachtsdeel met mond en hand bewerken. In verschillende posities hebben zij vervolgens kennelijk geslachtsgemeenschap.

Het hof is op basis van de voorgaande beschrijvingen van de beelden, in combinatie met de verklaring van de verdachte over de door hem gemaakte beelden, van oordeel dat er sprake is van afbeeldingen van seksuele

gedragingen, zoals in de tenlastelegging zijn opgenomen. Dat in een enkel geval de penetratie niet expliciet in beeld is gebracht doet aan dat oordeel niet af.

Het hof verwerpt dit verweer.

B.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voorts bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het (heimelijk) opnemen van de geslachtsgemeenschap met minderjarige meisjes, terwijl hij zelf ook minderjarig was, niet onder de strafbepaling van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht valt.

Voorts is door de raadsman – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat een afbeelding volgens de wet pas een seksuele gedraging oplevert indien sprake is van een afbeelding van een zedendelict.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer dat een minderjarige verdachte, die zelf participeert in op een beeldmateriaal vastgelegde seksuele gedraging met een andere minderjarige, zich niet schuldig zou kunnen maken aan het misdrijf als omschreven in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht wordt door het hof verworpen. Naar het oordeel van het hof vindt deze stelling geen steun in het recht en miskent die stelling dat dat wetsartikel (ook) strekt ter bescherming van een andere afgebeelde dan de verdachte zelf.

Betreffende het verweer dat volgens de wet slechts van een afbeelding van een seksuele gedraging kan worden gesproken indien sprake is van een afbeelding van een zedendelict overweegt het hof dat artikel 240b Sr ertoe strekt om kinderen te beschermen tegen seksuele exploitatie. Uit de wetsgeschiedenis omtrent het begrip “seksuele gedraging” volgt dat daarbij uitgangspunt dient te zijn of het gaat om een gedraging die - als deze wordt vastgelegd - schadelijk is voor de jeugdige, òf omdat het tot die gedraging brengen al schadelijk is, òf vanwege publicatie daarvan. (Kamerstukken II, 2001-2002, 27 745, nr. 6, nota naar aanleiding van het verslag, p. 8-9)

Het hof wijst er voorts op dat ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad (o.m. het arrest van 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6446, NJ 2011/81 m.nt. Schalken) uit voormeld uitgangspunt van de wetgever volgt dat het begrip seksuele afbeelding ruim dient te worden uitgelegd. Art. 240b Sr ziet niet alleen op een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard maar ook op een afbeelding, die weliswaar niet een gedraging van expliciete aard toont, maar die, “gelet op de wijze waarop zij is totstandgekomen eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden "onschuldig" zouden kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.”

Deze rechtspraak biedt derhalve geen steun aan het standpunt van de raadsman, dat slechts afbeeldingen van zedendelicten als afbeeldingen bevattende een seksuele gedraging als bedoeld in artikel 240b Sr zouden kunnen worden aangemerkt.

Gezien voormelde wetsgeschiedenis en jurisprudentie is het hof van oordeel dat niet slechts afbeeldingen van seksueel misbruik onder artikel 240b Sr zijn te scharen, maar al die afbeeldingen die strekken tot het opwekken van seksuele prikkeling en waarvan aannemelijk is te achten dat publicatie daarvan schadelijk voor (de afgebeelde) jeugdige is of zal kunnen zijn.

In casu gaat het naar het oordeel van het hof, mede gezien de aard van de op de afbeeldingen zichtbare seksuele gedragingen en wijze waarop de (met uitzondering van de verdachte: 13-15 jarige) jeugdigen op de afbeeldingen zichtbaar zijn, evident om afbeeldingen waarvan publicatie schadelijk is voor de betreffende jeugdigen en mitsdien om afbeeldingen als bedoeld in artikel 240b Sr. Het hof verwerpt derhalve ook dit verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft terwijl hijzelf seksuele handelingen verrichte met een viertal meisjes (die toen 13 tot 15 jaar oud waren) daarvan met behulp van zijn mobiele telefoon videoopnames gemaakt en deze daarna overgezet op de harde schijf van zijn computer.

Het opslaan van dergelijke videobestanden wekt bij de betrokkene(n) de vrees dat de bestanden verspreid zullen worden. Dit is – gelet op de vergaande digitalisering van onze maatschappij en het gemak waarmee dergelijke beelden verspreid kunnen worden – zeker geen irreële vrees. Dat de verdachte wellicht (nog) niet de intentie had om de beelden te verspreiden doet daaraan niet af.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij twee van de vier meisjes vooraf niet op de hoogte had gesteld van zijn voornemen om videoopnames te maken. Het aldus heimelijk maken van dergelijke opnames is een ernstige schending van het vertrouwen dat de meisjes in de verdachte hebben gesteld. Deze omstandigheid heeft het hof dan ook mede ten nadele van de verdachte betrokken bij de straftoemeting.

Namens de verdachte is ter terechtzitting gesteld dat een veroordeling op grond van artikel 240b Sr onredelijk en onrechtvaardig is nu deze voor verdachte in verhouding tot het ten laste gelegde strafbare feit onevenredig grote problemen zal veroorzaken (en deels al heeft veroorzaakt) ten aanzien van het verkrijgen van een Verklaring omtrent het gedrag (verder: VOG).

Het hof overweegt ter zake dat de beslissing over de verkrijging van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) is voorbehouden aan het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: COVOG) namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Het hof kan derhalve niet oordelen over de juistheid of wenselijkheid van weigering in verleden of toekomst van voormelde VOG aan deze verdachte. Gezien de feiten en omstandigheden in deze zaak ziet het hof evenmin aanleiding zich daaromtrent in adviserende zin uit te spreken.

Het voorgaande laat onverlet dat het hof rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De (negatieve) gevolgen die verdachte in het kader van het VOG-beleid heeft ondervonden en mogelijk nog zal ondervinden als gevolg van veroordeling voor de bewezenverklaarde feiten hebben daarvan deel uitgemaakt.

Voorts heeft het hof bij de straftoemeting rekening gehouden met het gegeven dat in 2006 bij de verdachte de diagnose is gesteld dat hij lijdt aan PDD NOS en dat hij destijds verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht door de rapporteur, drs. Záslós. Het hof heeft derhalve ook in deze zaak als uitgangspunt genomen dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder bewezen verklaarde. De vordering (voorzover in hoger beroep nog aan de orde) ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - voor toewijzing , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, respectievelijk bedragen van € 1.159,36 en € 1.500,-, zijnde totaal een bedrag van € 2.139,36, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het bedrag van € 1.659,36, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij [benadeelde partij 4] aangetoond dat tot een bedrag van € 639,36 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet heeft aangetoond voor het overige materiële schade te hebben geleden. Op het voegingsformulier is immers aangegeven dat € 520,- vergoed zal worden. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.139,36 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4], te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Memorex harddisk.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.139,36 (duizend honderdnegenendertig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 639,36 (zeshonderdnegenendertig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], een bedrag te betalen van € 1.139,36 (duizend honderdnegenendertig euro en zesendertig cent) bestaande uit € 639,36 (zeshonderdnegenendertig euro en zesendertig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. A. Kuijer en mr. J.T.F.M. van Krieken, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 oktober 2014.