Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4626

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
22-005051-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich bemoeid met de mishandeling van het slachtoffer door in het laatste stadium van die mishandeling naar het slachtoffer toe te lopen en de geweldpleging voort te zetten door de bewezen verklaarde gedraging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005051-13

Parketnummer: 10-741063-13

Datum uitspraak: 28 mei 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 mei 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken. De verdachte is ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Voorts is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aan een persoon genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (een breuk van de ellepijp links en/of een breuk van een kaakkopje rechts en/of een ribkneuzing) heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam en/of hoofd te slaan en/of

- die [slachtoffer] met (geschoeide) voet(en) tegen zijn hoofd en/of lichaam te trappen/schoppen;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 23 februari 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal

- die [slachtoffer] tegen zijn lichaam en/of hoofd heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer] met (geschoeide) voet(en) tegen zijn hoofd en/of lichaam heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 23 februari 2013 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, het Schouwburgplein en/of de Karel Doormanstraat en/of de Kruiskade, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal,

- slaan van die [slachtoffer] tegen zijn lichaam en/of hoofd en/of

- met (geschoeide) voet(en) trappen/schoppen van die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en/of lichaam.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging - van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, nu niet is komen vast te staan dat bij het slachtoffer sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. Voorts is het hof – anders dan de advocaat-generaal en met de verdediging – van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is ten laste gelegd. Het hof is hieromtrent van oordeel dat met het geweld dat de verdachte tegen het slachtoffer heeft gebruikt, te weten het geven van één schop tegen het lichaam van het slachtoffer, geen sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Evenmin is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met andere verdachten. De verdachte behoort derhalve ook daarvan te worden vrijgesproken.

Verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd – zakelijk weergegeven - dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem meer subsidiair is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat de verdachte eerst ter plaatse is gekomen nadat dader 1 was weggegaan en dader 2 was gestopt met geweldpleging tegen het slachtoffer. Het handelen van de verdachte, het geven van één schop tegen het lichaam van het slachtoffer, kan worden gekwalificeerd als een op zichzelf staande mishandeling. Dat feit is evenwel niet tenlastegelegd.

Aan de hand van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof vastgesteld dat op 23 februari 2013 door in ieder geval drie verschillende personen, onder wie de verdachte die zichzelf heeft herkend als zijnde dader 3 (proces-verbaal van terechtzitting in eerste aanleg), geweld is gebruikt tegen het slachtoffer.

De geweldpleging tegen het slachtoffer is vastgelegd met behulp van camera C 28 geplaatst op de kruising Schouwburgplein-Karel Doormanstraat-Korte Lijnbaan, en camera C 232 geplaatst op de kruising Karel Doormanstraat–Kruiskade (proces-verbaal met nr. [x]). Bij het uitkijken van die camerabeelden is, blijkens het proces-verbaal van bevindingen [x], naar voren gekomen dat dader 1 als eerste bij het slachtoffer ter plaatse is gekomen en dat vervolgens dader 2 uit een auto is gestapt die ter hoogte van dader 1 en het slachtoffer tot stilstand was gekomen. Dader 1 is op de kruising Schouwburgplein-Karel Doormanstraat-Korte Lijnbaan begonnen met het slaan van het slachtoffer. Het slachtoffer is weggerend en dader 1 is achter het slachtoffer aangerend. Aanvankelijk heeft dader 2 geprobeerd om dader 1 tegen te houden, maar uiteindelijk is dader 2 ook achter het slachtoffer aangerend. Op de kruising Karel Doormanstraat-Kruiskade heeft dader 1 het slachtoffer, dat inmiddels op de grond lag, enkele keren geschopt. Dader 2 heeft, eenmaal bij het slachtoffer aangekomen, het slachtoffer ook diverse malen geschopt. Dader 1 was op dat moment al weggerend. Vervolgens is dader 3, de verdachte, in beeld gekomen. Dader 3, de verdachte, is komen aanlopen en heeft het slachtoffer geschopt.

Het hof heeft gelet op het vorenstaande vastgesteld dat de verdachte naar het slachtoffer is toegegaan en het slachtoffer een schop tegen het lichaam heeft gegeven, nadat dader 1 en 2 het slachtoffer hadden mishandeld. De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij had gezien dat er een vechtpartij gaande was. Het aandeel dat de verdachte in het jegens het slachtoffer uitgeoefende geweld bestaat derhalve uit het geven van een trap tegen het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte met zijn handelen in de gegeven omstandigheden een significante bijdrage geleverd aan de geweldpleging tegen het slachtoffer.

Derhalve is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 23 februari 2013 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, het Schouwburgplein en/of de Karel Doormanstraat en/of de Kruiskade, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal,

- slaan van die [slachtoffer] tegen zijn lichaam en/of hoofd en/of

- met (geschoeide) voet(en) trappen/schoppen van die [slachtoffer] tegen zijn hoofd en/of lichaam.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf zal worden opgelegd voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich bemoeid met de mishandeling van het slachtoffer door in het laatste stadium van die mishandeling naar het slachtoffer toe te lopen en de geweldpleging voort te zetten door de bewezen verklaarde gedraging. Aldus heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten brengen tevens angst en onrust teweeg in de maatschappij, te meer nu het feit is gepleegd op de openbare weg.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 april 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof laten meewegen dat de verdachte een betrekkelijk gering aandeel in het jegens het slachtoffer uitgeoefende geweld heeft gehad.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de speciale en generale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.248,44.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 574,64.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, met dien verstande dat de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade is gebaseerd op het letsel dat is ontstaan als gevolg van het geweld dat heeft plaatsgevonden voordat de verdachte ter plaatse kwam. Het aandeel van de verdachte in het aan de benadeelde toegebrachte letsel is dat hij de benadeelde een trap na heeft gegeven, te weten een schop tegen het lichaam van de benadeelde. De verdachte is derhalve niet aansprakelijk voor de immateriële schade van de benadeelde. Daarenboven is de vordering ingewikkeld van aard. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering tot schadevergoeding.

Het hof is evenwel van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voorts aangetoond dat de gestelde materiële schade, voor zover in hoger beroep aan de orde, is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 574,64 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

73 (drieënzeventig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 574,64 (vijfhonderdvierenzeventig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 99,64 (negenennegentig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 475,00 (vierhonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 574,64 (vijfhonderdvierenzeventig euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 99,64 (negenennegentig euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 475,00 (vierhonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr. A. Baardman, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. M.J.J. van den Honert, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 mei 2014.