Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4625

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
22-003468-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2021, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en haar mededader hebben niet voldaan aan de verplichting om de administratie van hun onderneming te blijven voeren. Voorts hebben de verdachte en haar mededader een deel van de inventaris aan de failliete onderneming onttrokken, waardoor deze buiten het beheer van de curator werd gehouden.

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden; bepaalt de straf ter zake van het onder 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003468-13

Parketnummer: 10-996507-10

Datum uitspraak: 19 november 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 augustus 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 9 juli 2014 en 5 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte bevolen en is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij akte intrekking rechtsmiddel d.d. 8 juli 2014 is het hoger beroep ter zake van de feiten 3, 4 en 5 door de verdediging ingetrokken en aldus beperkt tot de feiten 1 en 2. Het voorgaande brengt mee, dat het hof - nu in eerste aanleg ter zake van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten één hoofdstraf is uitgesproken - op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde zal bepalen. Waar hierna wordt gesproken over ‘vonnis’ wordt bedoeld het vonnis voor zover dit op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


Instelling voor [naam],

welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 3 februari 2009 in staat van faillissement is verklaard,

op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 5 juli 2010

te Rotterdam en/of Den Haag en/of Zoetermeer en/of Rijswijk en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van voornoemde rechtspersoon,

- (een) last(en) heeft verdicht of verdicht, hetzij (een) bate(n) niet heeft verantwoord of verantwoordt, hetzij enig(e) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt,

en/of

- niet heeft voldaan of voldoet aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s)

- (een deel van) de inventaris van de praktijk(en) aan het [adres] te Rotterdam en/of aan de [adres] te Zoetermeer ontvreemd, althans verborgen in een opslagbox van Shurgard te Zoetermeer en/of in het perceel [adres] te Zoetermeer, althans buiten het bereik en beheer van de curator in het faillissement van [naam] B.V. gesteld

en/of

- de (bedrijfs)administratie van [naam] B.V. zodanig gevoerd dat niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend,

en/of

- niet de gehele administratie van genoemde rechtspersoon bewaard en/of uitgeleverd aan de curator in het faillissement van [naam] B.V.,

hebbende zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan (de) vorenstaande verboden gedraging(en);


2.


zij

op of omstreeks 16 april 2009, althans in of omstreeks april 2009

te Amsterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een huurcontract op briefpapier van [bedrijf] Services (pv 2009278565 pag. 51-55)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

- valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft zij en/of haar mededader(s) toen en daar valselijk

- in strijd met de waarheid –

in/op dat huurcontract de (fictieve) naam [persoon 1] doen vermelden

en/of

op dat contract (een) (fictieve) handtekening(en) geplaatst die moest(en) doorgaan voor [persoon 1],

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede dat de straf voor de feiten 3 primair, 4 en 5 zal worden bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


[naam] B.V.,

welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 3 februari 2009 in staat van faillissement is verklaard,

op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 5 juli 2010

te Rotterdam en/of Den Haag en/of Zoetermeer en/of Rijswijk en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

( telkens ) ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van voornoemde rechtspersoon,

- (een) last(en) heeft verdicht of verdicht, hetzij (een) bate(n) niet heeft verantwoord of verantwoordt, hetzij enig(e) goed ( eren ) aan de boedel heeft onttrokken of onttrekt ,

en /of

- niet heeft voldaan of voldoet aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld ,

immers heeft /hebben zij en/of haar mededader(s)

- ( een deel van ) de inventaris van de praktijk ( en ) aan [adres] te Rotterdam en /of aan de [adres] te Zoetermeer ontvreemd, althans verborgen in een opslagbox van Shurgard te Zoetermeer en/of in het perceel [adres] te Zoetermeer, althans buiten het bereik en beheer van de curator in het faillissement van [naam] B.V. gesteld

en /of

- de (bedrijfs)administratie van [naam] B.V. zodanig gevoerd dat niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend,

en/of

- niet de gehele administratie van genoemde rechtspersoon bewaard en/of uitgeleverd aan de curator in het faillissement van [naam] B.V.,

hebbende zij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan ( de ) vorenstaande verboden gedraging ( en ) ;


2.


zij op of omstreeks 16 april 2009, althans in of omstreeks april 2009 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een huurcontract op briefpapier van [bedrijf] Services (pv 2009278565 pag. 51-55)

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen

- valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft zij en/of haar mededader(s) toen en daar valselijk

- in strijd met de waarheid –

in /op dat huurcontract de ( fictieve ) naam [persoon 1] doen vermelden

en /of

op dat contract (een) ( fictieve ) handtekening ( en ) geplaatst die moest ( en ) doorgaan voor [persoon 1],

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd en waarvan in hoger beroep is gekomen, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Anders dan de raadsman in zijn pleitnota heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 5 november 1996 (NJ1997/138) geen toepassing vindt. Het hof is van oordeel dat indien goederen door de [naam] B.V. werden geleased en dusdoende niet aan haar in eigendom toebehoorden (wat er verder zij van die stelling), deze goederen evenwel vanwege de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst goederen waren die rechtens onder bereik en beheer van de curator in het faillissement behoorden te komen. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte en haar mededader hebben niet voldaan aan de verplichting om de administratie van hun onderneming te blijven voeren. Voorts hebben de verdachte en haar mededader een deel van de inventaris aan de failliete onderneming onttrokken, waardoor deze buiten het beheer van de curator werd gehouden. Daardoor hebben zij de afwikkeling van het faillissement bemoeilijkt en andere crediteuren van de onderneming benadeeld. De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Aldus handelend heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Strafbepaling

Op de voet van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde zal bepalen. Bewezen is verklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het meermalen opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3C van de Opiumwet gegeven verbod (op het [adres]), alsmede diefstal in vereniging. Het hof zal de straf ter zake van deze bewezen verklaarde feiten bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 25.441,73. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 15.155,53 materiële schade is geleden. Dit betreft de op het voegingsformulier benadeelde partij vermelde posten 1 (niet betaalde huur), 4 (juridische kosten uitzetting) en 5 (kosten gas/licht/water). Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige (de posten 2 en 3) dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, omdat niet is komen vast te staan dat deze materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.155,53 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 51, 57, 225 en 341 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (zes) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt

bepaalt de straf ter zake van het onder 3 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde op een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde en bepaalde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking,

mr. G. Dulek-Schermers en mr. E. van Die, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 november 2014.