Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4615

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
29-05-2015
Zaaknummer
001614-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in procedure ex art. 12 Sv. Wrakingsgronden: I. De voorzitter en de raadsheren, alsmede de advocaat-generaal waren van mening dat [dochter van verzoekster], zijnde de dochter van klaagster, niet als nabestaande kon worden aangemerkt, maar als getuige, en dat zij daarom de zittingszaal diende te verlaten. Deze veronderstelling is niet juist, nu op de voorpagina van het klaagschriftuur ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering is vermeld “Erven [man van verzoekster] / Openbaar Ministerie”. Het klaagschrift was derhalve mede namens haar ingediend. II. Bij het voorlezen van de pleitnota op 17 september 2014 is de gemachtigde steeds ten onrechte onderbroken door de voorzitter en is gezegd dat de gemachtigde zich moest beperken tot de feiten. Bij de behandeling van het wrakingsverzoek in raadkamer op 7 november 2014 heeft de gemachtigde mr. Nihof medegedeeld dat het verzoek tot wraking van genoemde raadsheren mede is ingediend door [dochter van verzoekster].

Het hof wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

AV-nummer : 001614-14
Rekestnummer hoofdzaak : K11/0212

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het mondelinge verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de behandeling van het klaagschrift in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.H. Nihof.


Het geding

  1. Verzoekster heeft een klaagschrift als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediend. De beklagkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin de raadsheren mr. P.C. Kortenhorst, mr. W.H. van Benthem en mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths plaats hadden, heeft het beklag op 17 september 2014 in raadkamer behandeld.

  2. Bij mondeling verzoek van 17 september 2014 heeft de gemachtigde mr. P.H. Nihof namens verzoekster een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. Een verzoekschriftuur tot wraking ex artikel 512 Wetboek van Strafvordering d.d. 22 september 2014 is op 23 september 2014 ingekomen bij de strafgriffie van het gerechtshof Amsterdam.
    Bij beslissing van 9 oktober 2014 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit gerechtshof.

  3. Mede namens de raadsheren mrs. W.H. van Benthem en K.A.J.C.M. van den Berg Jeths heeft mr. P.C. Kortenhorst in een schriftelijke reactie van 7 oktober 2014 op het wrakingsverzoek medegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij niet op het verzoek tot wraking wensen te worden gehoord.

  4. De wrakingskamer heeft het verzoek op 7 november 2014 in raadkamer behandeld. Verzoekster is - alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - overeenkomstig de aankondiging in het faxbericht van 3 november 2014 van haar gemachtigde mr. P.H. Nihof, niet verschenen. De gemachtigde van verzoekster is in raadkamer verschenen en heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.
    De advocaat-generaal mr. M. van der Horst heeft zijn standpunt uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

5. Blijkens het schriftelijk verzoek tot wraking van 22 september 2014 - alsmede de op
7 november 2014 in raadkamer overgelegde pleitnota van de gemachtigde - houdt het wrakingsverzoek de volgende gronden in:
I. De voorzitter en de raadsheren, alsmede de advocaat-generaal waren van mening dat
[dochter van verzoekster], zijnde de dochter van klaagster, niet als nabestaande kon worden aangemerkt, maar als getuige, en dat zij daarom de zittingszaal diende te verlaten. Deze veronderstelling is niet juist, nu op de voorpagina van het klaagschriftuur ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering is vermeld “Erven [man van verzoekster] / Openbaar Ministerie”. Het klaagschrift was derhalve mede namens haar ingediend.

II. Bij het voorlezen van de pleitnota op 17 september 2014 is de gemachtigde steeds ten onrechte onderbroken door de voorzitter en is gezegd dat de gemachtigde zich moest beperken tot de feiten.
Bij de behandeling van het wrakingsverzoek in raadkamer op 7 november 2014 heeft de gemachtigde mr. Nihof medegedeeld dat het verzoek tot wraking van genoemde raadsheren mede is ingediend door [dochter van verzoekster].

6. De raadsheren waarvan de wraking is verzocht hebben zich op het standpunt gesteld dat uit een beperking van de spreektijd geenszins (een schijn van) partijdigheid kan worden afgeleid.

7. De advocaat-generaal heeft zich ter gelegenheid van de behandeling van het wrakingsverzoek in raadkamer op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het verzoek tot wraking mede is ingediend door [dochter van verzoekster]. Immers, uit de voorliggende stukken blijkt niet dat zij in haar hoedanigheid van klaagster bij de raadkamerbehandeling van 17 september 2014 aanwezig is geweest en evenmin blijkt uit de thans in raadkamer overgelegde pleitnota dat het verzoek tot wraking mede namens haar is ingediend.
Ten aanzien van de aangevoerde gronden tot wraking heeft de advocaat-generaal zich

- blijkens zijn overgelegde schriftelijke aantekeningen - op het standpunt gesteld dat het hof niet blijk heeft gegeven van een schijn van vooringenomenheid of partijdigheid, immers:
I. [dochter van verzoekster] heeft de raadkamer van 17 september 2014 moeten verlaten omdat zij in een eventueel door het hof te bevelen strafrechtelijk onderzoek een verklaring als getuige zou moeten kunnen afleggen. Nu voorts uit het verslag van de Hoofdofficier van Justitie valt af te leiden dat [verzoekster] als enige klaagster in de artikel 12 Sv-procedure optreedt, stond het het hof vrij om andere personen, waaronder [dochter van verzoekster], niet toe te laten tot de besloten raadkamerbehandeling op 17 september 2014.
II. De omstandigheid dat de gemachtigde van verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld zijn pleitnota in zijn geheel voor te dragen betreft een ordemaatregel van de voorzitter.

Gelet op het voorgaande dient het wrakingsverzoek ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

8. Ten aanzien van het standpunt van de gemachtigde dat het verzoek tot wraking mede is ingediend door [dochter van verzoekster], de dochter van klaagster, overweegt de wrakingskamer het volgende.
De wrakingskamer is - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal - van oordeel dat op grond van de voorliggende stukken niet kan worden afgeleid dat het verzoek tot wraking van 22 september 2014 mede is ingediend door [dochter van verzoekster], nu niet is gebleken dat zij in haar hoedanigheid van klaagster bij de raadkamerbehandeling van
17 september 2014 aanwezig is geweest en aldaar mede het verzoek tot wraking heeft gedaan, terwijl evenmin uit de in raadkamer van 7 november 2014 overgelegde pleitnota blijkt dat het verzoek tot wraking mede namens haar is ingediend. De enkele omstandigheid dat in de klaagschriftuur ex artikel 12 Sv ook de ‘Erven [man van verzoekster]’ zijn genoemd, maakt [dochter van verzoekster] (als een van de erven) nog geen verzoekster tot wraking.

9. Ten aanzien van de aangevoerde gronden tot wraking overweegt de wrakingskamer het volgende.
Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden

vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een

zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een

vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees

objectief gerechtvaardigd is.

10. Met betrekking tot de onder I. aangevoerde wrakingsgrond:
Naar het oordeel van de wrakingskamer wijst de omstandigheid dat [dochter van verzoekster] de raadkamerbehandeling van 17 september 2014 heeft moeten verlaten er op dat het hof juist zorgvuldigheid heeft betracht en rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat zij als getuige in een eventueel door het hof te bevelen strafrechtelijk onderzoek een verklaring zou moeten kunnen afleggen. Deze omstandigheid levert dus geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

11. Ten aanzien van de onder II. aangevoerde wrakingsgrond:

Uit het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 17 september 2014 blijkt dat de voorzitter aan de gemachtigde heeft medegedeeld dat het hof de door de gemachtigde overgelegde pleitnota, inclusief alle bijlagen, in zijn geheel zal bestuderen bij beoordeling van de klacht.

In de schriftelijke reactie van 7 oktober 2014 van de gewraakte raadsheren is vermeld dat voor een beklagzaak waarin een gemachtigde optreedt 30 minuten voor de behandeling wordt gepland, hetgeen - naar de ervaring heeft geleerd - ook in moeilijke zaken volstaat. Voorts blijkt uit deze toelichting dat de gemachtigde de dag voor de zitting van
17 september 2014 telefonisch contact heeft gehad met de griffier van de beklagkamer, waarbij hem is medegedeeld dat een half uur zittingstijd was ingepland, dat de beklagkamer rekening zal houden met alle ingebrachte stukken en dat het niet nodig is integraal alles voor te dragen.

De wrakingskamer stelt vast dat de voorzitter in raadkamer de taak heeft de procesorde te bewaken, waaronder het bepalen van de spreektijd van de gemachtigde. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft de voorzitter, door de gemachtigde meermalen te onderbreken, de noodzakelijke orde van de zitting bewaakt, hetgeen onder deze omstandigheden niet kan leiden tot de objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de voorzitter, noch van de overige raadsheren.

Mede gelet op de aard van de zaak, komt de geplande behandeltijd van 30 minuten voor deze beklagzaak de wrakingskamer niet als onredelijk voor, temeer nu hiervan de dag voor de zitting melding is gemaakt aan de gemachtigde en nu ook nog ter zitting van
17 september 2014 door de betreffende kamer was meegedeeld dat het hof alles, dus ook het niet voorgedragen deel van de pleitnota, zal bestuderen.

12. Naar het oordeel van de wrakingskamer is ook overigens geen sprake van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Gelet op het bovenstaande dient op het verzoek tot wraking te worden beslist als hieronder

weergegeven.

Beslissing


Het hof:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan de gemachtigde van verzoekster, genoemde raadsheren van het gerechtshof Amsterdam en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is gegeven op 18 november 2014 door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville,
J.W. van Rijkom en T.G. Lautenbach, in aanwezigheid van de griffier mr. C.J.A. Sabatier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.