Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4614

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
27-05-2015
Zaaknummer
22001596-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de zogenaamde kokosnootjurisprudentie (Hoge Raad 15 december 1998, NJ 1999/207, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300) veroordeelt het hof de verdachte voor de invoer van één blikje (ongeveer 300 gram) cocaïne, in plaats van ongeveer 1650 kilogram. De betrokkenheid van de verdachte bij de invoer kan niet eerder worden vastgesteld dan op het moment dat het grootste deel van de partij cocaïne reeds in beslag is genomen. De door de verdachte verrichte handelingen zien derhalve niet op de invoer van ongeveer 1650 kilogram cocaïne, maar op de inhoud van het ene blikje cocaïne dat niet in beslag is genomen. Naar het oordeel van het hof neemt dit niet weg dat alle uiterlijke omstandigheden in deze zaak de verdachte moeten hebben duidelijk gemaakt dat zijn handelingen bijdroegen aan de invoer van een aanzienlijke partij cocaïne, geïmporteerd in containers, door een groep daartoe samenwerkende personen en dat het gelet hierop niet voor de hand ligt bij de straftoemeting aansluiting te zoeken bij de kwantitatieve normering als voorzien in de LOVS-oriëntatiepunten ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Strafmotivering (22-001596-08, uitspraak 21 november 2014)

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in november 2005 samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 300 gram cocaïne. Eerder heeft hij andere partijen cocaïne, verstopt in blikjes met groenten ingevoerd.

Hij is de betrouwbaar gebleken transporteur van cocaïne, die contacten met andere betrokkenen onderhoudt, zelf zo nodig ook anderen inschakelt en meehelpt bij het wegwerken van de deklading.

Hoewel verdachte voor wat betreft de zaak Asperge niet wordt veroordeeld voor de invoer van ongeveer 1650 kilogram cocaïne, maar slechts voor de inhoud van één blikje met cocaïne, neemt dit niet weg dat alle uiterlijke omstandigheden in deze zaak verdachte moeten hebben duidelijk gemaakt dat zijn handelingen bijdroegen aan de invoer van een (aanzienlijke) partij cocaïne, verstopt in containers, door een groep daartoe samenwerkende personen, welke deels uit het buitenland afkomstig was. Het door middel van containers invoeren van partijen cocaïne vergt serieuze financiële spankracht, een (omvangrijk) netwerk van hiertoe nuttige en betrouwbare contacten en een lange termijn planning. Het zijn grotere internationaal nauw met elkaar samenwerkende functionele verbanden die in staat zijn op deze wijze cocaïne in te voeren. Deze omstandigheden brengen mee dat het niet voor de hand ligt bij de straftoemeting aansluiting te zoeken bij de kwantitatieve normering als voorzien in de LOVS-oriëntatiepunten terzake (zie Hof Den Haag 20.6.2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2455), maar uit te gaan van de specifieke daad- en daderfactoren als weergegeven.

Door deze partijen (in de zaken Asperge en Latas) in te voeren heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door de invoer van harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust in de samenleving en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de invoer van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was slechts uit op eigen financieel gewin.

De verdachte is nog niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles afwegend acht het hof gezien de ernst van de feiten een gevangenisstraf van in beginsel 4 jaar passend en geboden. Gezien de schending van de redelijke termijn als hiervoor besproken past het hof daarop een korting toe van 15 procent. De uitkomst in het voordeel van verdachte naar beneden afrondend komt het hof uit op 3 jaar en 4 maanden gevangenisstraf. Gezien de specifieke omstandigheden van dit geval acht het hof een geldboete als gevorderd door de advocaat-generaal niet meer passend en geboden.