Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4610

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
200.092.067/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2844, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.092.067/01

Zaak-rolnummer rechtbank: 20515 / HA ZA 94-893

Arrest d.d. 27 mei 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te Moerkapelle,

appellant, in eerste aanleg eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

de coöperatie Horticoop U.A., als rechtsopvolgster van de coöperatieve vereniging Kringkoop Coöperatieve land- en tuinbouwvereniging B.A.,

gevestigd te Bleiswijk,

geïntimeerde, in eerste aanleg gedaagde,

hierna te noemen: Horticoop,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga.

Het geding

Bij exploot van 20 april 2011 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van

7 september 1995, 6 juni 2007, 8 juli 2009 en 30 maart 2011 die de rechtbank Rotterdam tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] tegen de vonnissen van

6 juni 2007, 8 juli 2009 en 30 maart 2011 in totaal drie grieven aangevoerd die Horticoop bij memorie van antwoord heeft bestreden. Vervolgens hebben partijen hun zaak schriftelijk doen bepleiten door hun raadslieden. De hierop betrekking hebbende pleitnota’s bevinden zich bij de stukken van het geding. Ten slotte hebben partijen hun stukken overgelegd voor arrest.

De beoordeling van het hoger beroep

  1. Waar [appellant] geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis d.d. 7 september 1995, kan hij in zoverre niet worden ontvangen in het mede tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep.

  2. Nu ook overigens niet is gebleken van bezwaren tegen de vaststelling door de rechtbank van de feiten in r.o. 2 van het vonnis van 7 september 1995 (onderdelen 2.1 t/m 2.7), zal ook het hof thans uitgaan van die feiten.

  3. Sterk verkort weergegeven, gaat het in deze procedure om de vergoeding van schade die [appellant] als rozenkweker stelt te hebben geleden als gevolg van een onjuiste advisering door (een personeelslid / hulppersoon van de rechtsvoorgangster van) Horticoop met betrekking tot het gebruik van een bestrijdingsmiddel tegen meeldauw bij rozen. Daarbij hebben partijen een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de “gewasschade” (opbrengstderving: schade wegens beschadiging aan het rozengewas) en anderzijds de “rooischade” (schade wegens de noodzaak om het meerjarig rozengewas eerder te vervangen dan bij een normaal teeltverloop het geval zou zijn geweest (zie o.m. punt 5 van de inleidende dagvaarding).

  4. In haar (deel)vonnis d.d. 7 september 1995 heeft de rechtbank – voor die instantie – een eind gemaakt aan de rechtsstrijd met betrekking tot de gewasschade door dienaangaande in het dictum aan [appellant] een bedrag groot ƒ 241.067,11 in hoofdsom toe te wijzen. Tegen die beslissing heeft Horticoop de rechtsmiddelen van hoger beroep en beroep in cassatie aangewend, resulterende in het tussen partijen met betrekking tot de gewasschade gewezen arrest van de Hoge Raad d.d. 27 april 2007.
    Met betrekking tot de rooischade heeft de rechtbank op 7 september 1995 een interlocutoire uitspraak gedaan, waarop de thans aan de orde zijnde rechtsstrijd voortbouwt.

  5. Dientengevolge, mede gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, vormt de gewasschade geen onderwerp (meer) van de thans nog aanhangige procedure met betrekking tot de rooischade. Waar Horticoop bij herhaling en uitdrukkelijk aansluiting heeft gezocht bij het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de gewasschade inmiddels in hoogste instantie is beslist zodat het onderwerp van de gewasschade thans niet meer aan de orde kan worden gesteld (zie o.m. punt 7 blz. 10/11 van de memorie van antwoord), overweegt het hof voor zoveel nodig dat zulks heeft te gelden als een op art. 236 Rv gebaseerd beroep op het gezag van het gewijsde van 27 april 2007.

  6. Na het vonnis van 7 september 1995, heeft – in essentie weergegeven – een onderzoek door een deskundige plaatsgevonden met betrekking tot de door [appellant] gestelde rooischade. Uit de deskundigenrapportage blijkt dat geen sprake is van rooischade, welk standpunt de rechtbank heeft overgenomen. De rechtbank heeft dan ook de vordering van [appellant] met betrekking tot de rooischade afgewezen.

  7. Grief I is gericht tegen r.o. 2.2 van het tussenvonnis d.d. 6 juni 2007. Zoals het hof de grief begrijpt, is het bezwaar van [appellant] – zakelijk weergegeven – gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de te benoemen deskundige zich niet alleen dient uit te spreken over de begroting (de omvang) van de rooischade, doch ook over (met name) het causale verband tussen het onjuiste advies en de schade. Daarbij stelt [appellant] zich op het standpunt dat op basis van het tussenvonnis van 7 september 1995 heeft te gelden dat het causale verband tussen het onjuiste advies en de schade vaststaat.

  8. Het hof kan [appellant] in zijn bezwaar niet volgen. Daargelaten thans art. 6: 98 BW dat ziet op de fase van de vaststelling van de omvang van de verbintenis tot schadevergoeding, is uitgangspunt dat voor de vestiging van aansprakelijkheid een condicio sine qua non-verband bestaat tussen het schade veroorzakende feit en de schade. De aansprakelijkheid van Horticoop voor de door [appellant] gestelde schade is, zoals de opstelling van [appellant] redelijkerwijs moet worden begrepen, gebaseerd op art. 6: 74 BW, in welk artikel is neergelegd dat de aansprakelijkheid betrekking heeft op de schade die de benadeelde als gevolg van het schade veroorzakende feit lijdt (zie het woord “daardoor” in genoemd artikel). Dat stemt inhoudelijk overeen met het bepaalde in art. 6:162 BW, waarin de wetgever spreekt van schade die de benadeelde “dientengevolge” lijdt, met andere woorden: als gevolg van de onrechtmatige daad.

  9. Tegen deze achtergrond kan hetgeen de rechtbank in r.o. 5.10 van het deelvonnis van 7 september 1995 heeft overwogen, te weten dat Horticoop de schade dient te vergoeden die [appellant] “als gevolg van” het gebruik van het bestrijdingsmiddel heeft geleden, in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat enkel de schade die in causaal verband staat tot het schade veroorzakende feit, tot aansprakelijkheid van Horticoop leidt en voor vergoeding in aanmerking kan komen. Waar de rechtbank vervolgens in r.o. 5.13 van genoemd deelvonnis heeft overwogen dat een deskundigenbericht nodig is om de omvang van de rooischade te kunnen vaststellen, gaat het derhalve om de voorlichting door de deskundige omtrent de omvang van de (rooi)schade die is ontstaan als gevolg van het schade veroorzakende feit. Van een overweging waaruit zou blijken dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het causale verband tussen het schade veroorzakende feit en de (nog vast te stellen) schadeposten op voorhand al is gegeven, is – wat daarvan in het licht van het voorgaande verder ook zij – noch in het vonnis van 7 september 1995 noch anderszins sprake.

  10. Waar in de grief wordt uitgegaan van een van het voorgaande afwijkende opvatting, mist deze doel.

  11. Met de grieven II en III tracht [appellant] ingang te doen vinden dat een – tot op heden niet vergoed – gedeelte van de gewasschade als ware het rooischade alsnog voor vergoeding in aanmerking dient te komen, en wel – zoals [appellant] het formuleert – “omdat die destijds niet als opbrengstderving is meegenomen”. Zoals het hof de opstelling van [appellant] begrijpt, staat zijns inziens het eerdere gewijsde met betrekking tot de gewasschade er niet aan in de weg dat hij aanspraak heeft op vergoeding van alle door hem gestelde schade.

  12. Nu met betrekking tot de vordering tot betaling van de gewasschade in hoogste instantie is beslist, en tegen die beslissing geen gewone rechtsmiddelen meer open staan, volgt het hof [appellant] niet in diens streven om het onderwerp van de gewasschade thans opnieuw aan de orde te stellen, onder welke benaming dan ook, dan wel om aan het tot op heden door partijen ten processe gehanteerde onderscheid tussen gewasschade en rooischade een andere inhoud te geven, nu zulks zou meebrengen dat (deels) afbreuk zou worden gedaan aan het gezag van gewijsde van het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 april 2007.

  13. Aan bovengenoemd oordeel ligt mede ten grondslag dat, anders dan [appellant] met punt 30 van de memorie van grieven thans klaarblijkelijk tot uitgangspunt neemt, partijen reeds in een vroeg stadium van de procedure met elkaar overeen stemden dat de gewasschade moest worden begroot op een bedrag gelijk aan twee maal het reeds door Horticoop aan [appellant] vergoede bedrag (zie het deelvonnis d.d. 7 september 1995, r.o. 5.12), en het voorts met elkaar eens waren over de (verdere) afwikkeling van de gewasschade (zie het proces-verbaal van de comparitie d.d. 9 april 2008), welk een en ander op zichzelf al in de weg staat aan een hernieuwd debat over de (omvang van de) gewasschade. In dit verband volgt het hof overigens [appellant] ook niet waar hij ingang tracht te doen vinden dat (ook) de door de rechtbank benoemde deskundige de schade waarvoor [appellant] thans alsnog vergoeding wenst, aanmerkt als rooischade, nu het tegendeel daarvan ligt besloten in diens deskundigenrapportage (zie o.m. de beantwoording van vraag 6, en met name de conclusie van de deskundige op blz. 9 van diens rapportage waar hij herhaalt dat er géén sprake is van rooischade).

  14. Voorts wijst het hof er nog op dat het ten processe met betrekking tot de rooischade steeds is gegaan om schade wegens een noodzakelijke vervroegde rooi van de rozengewassen (zie r.o. 3 hierboven), terwijl [appellant] thans spreekt over rooischade als “schade wegens verminderde opbrengsten wegens vertraagde rooi”, die het gevolg is van diens gebrek aan financiële middelen (zie o.m. de memorie van grieven, punt 14). Daargelaten de causaliteitsvragen die het laatstgenoemde oproept, gaat het met betrekking tot de thans bedoelde schade wegens vertraagde rooi, onmiskenbaar om schade wegens opbrengstderving, derhalve om gewasschade waaromtrent al in hoogste ressort is beslist.

  15. Voor zover [appellant] met grief III klaagt over de door de deskundige in diens rapportage gehanteerde economische levensduur van de rozengewassen, welke rapportage door de rechtbank is gevolgd, verdient die klacht geen bijval nu blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen in prima, zij er overeenstemming over hebben bereikt dat de rooischade abstract dient te worden berekend, hetgeen inhoudt dat uitgegaan moet worden van hetgeen destijds in de markt als gebruikelijke levensduur van de betrokken rassen werd beschouwd. Aan deze overeenstemming kan [appellant] zich thans niet eenzijdig onttrekken, hetgeen voorts meebrengt dat het door [appellant] gedane bewijsaanbod dat hij langer dan gemiddeld met zijn rozengewassen doorkweekte, relevantie mist en zal worden gepasseerd.

  16. Ook het overige door [appellant] aangeboden bewijs zal in het licht van het voorgaande als niet-beslissend worden gepasseerd, voor zover het daarbij al gaat om bewijs van relevante feiten of omstandigheden en niet om conclusies en/of juridische kwalificaties die aan de rechter zijn voorbehouden en zich niet lenen voor bewijslevering (vgl. HR 10-12-1993, NJ 1994, 192).

  17. Voor het overige bevatten de grieven II en III geen kenbare en toereikend onderbouwde klachten over de bestreden vonnissen, zodat in zoverre geen sprake is van behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven. De grieven missen beide doel.

  18. De slotsom. Nu geen van de grieven tot vernietiging kan leiden, dienen de beroepen vonnissen op de gronden als boven weergegeven te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in appel in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het hoger beroep (2 punten in tarief IV).

  19. Hetgeen partijen voorts nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet ter zake dienende, buiten bespreking blijven.
    Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het (deel)vonnis d.d. 7 september 1995;

bekrachtigt de vonnissen van 6 juni 2007, 8 juli 2009 en 30 maart 2011, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze instantie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Horticoop te begroten op € 4.713,00 aan verschotten en € 3.262,00 voor salaris;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, G.J. Knijp en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.