Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4504

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
24-03-2015
Zaaknummer
22-001195-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Ontneming) De verdachte is schuldig aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het hof vernietigt het vonnis – uitsluitend - ten aanzien van de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit, omdat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de zaak niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld is afgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001195-08 PO

Parketnummer: 10-150196-03

Datum uitspraak: 19 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2008 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1952,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Procesgang in de ontnemingszaak

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 19 februari 2008 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 625.758,93 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 625.758,93.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Behandeling in afwezigheid van de veroordeelde annex afwijzing van het verzoek tot aanhouding

Ten aanzien van de aanwezigheid van de veroordeelde stelt het hof het volgende vast.

De veroordeelde is op geen enkele van de terechtzittingen in hoger beroep verschenen.

Op 10 mei 2011 is een handgeschreven brief, kennelijk van de veroordeelde, binnengekomen bij het Landelijk Parket Rotterdam, ter attentie van officier van justitie mr. G. H. Rip.

Verder bevat het dossier een brief van het Engelse advocatenkantoor [advocatenkantoor 1] d.d. 8 juni 2011 gericht aan het Landelijk Parket.

Tijdens de eerste terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2011 heeft de toenmalig raadsvrouw mr. S.J. Huizenga aangegeven uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Ook heeft zij medegedeeld dat de veroordeelde gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht.

Tijdens de (tweede) terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2011 heeft mr. S.J. Huizenga opnieuw aangegeven uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. Het hof heeft aan de raadsvrouw medegedeeld dat uiterlijk half januari 2012 een conclusie namens de verdediging dient te zijn ingediend. De datum voor de inhoudelijke behandeling van de zaak is bepaald op 30 maart 2012.

Het dossier bevat een brief d.d. 21 februari 2012, opgemaakt in de Engelse taal, waaruit blijkt dat de veroordeelde op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd in Groot-Brittannië.

Op de (derde) terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2012 is de nieuwe raadsman van de veroordeelde, mr. T. Nieuwburg, niet verschenen. De verdediging heeft geen conclusie ingediend. Na contact met een kantoorgenoot van de raadsman blijkt dat de behandeling ter terechtzitting niet in zijn agenda is opgenomen. Het is de kantoorgenoot van de raadsman niet bekend waarom de verdediging nog geen schriftelijke conclusie heeft ingediend. Ter zitting deelt de advocaat-generaal mede dat de veroordeelde blijkens de hem ter beschikking staande gegevens op zijn vroegst medio september 2013 op vrije voeten zal komen.

Het dossier bevat een brief d.d. 17 januari 2014 waarin de raadsman van de veroordeelde, mr. N.C.J. Meijering, aangeeft geen contact meer met de veroordeelde te hebben gehad. Dit gebrek aan contact betekent dat de raadsman niet gemachtigd is, zo luidt de brief van de raadsman.

Op de (vierde) terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2014 geeft mr. J. de Vries, die als raadsman namens mr. N.C.J. Meijering aanwezig is, aan dat hij geen contact heeft gehad met de veroordeelde. De raadsman van de veroordeelde geeft aan niet gemachtigd te zijn.

De advocaat-generaal maakt ter zitting melding van een bericht van de liaison-officer waaruit blijkt dat de veroordeelde vanaf 17 mei 2013 niet meer gedetineerd is. Ook maakt het bericht melding van een nieuw adres. In het dossier bevindt zich een schriftelijk stuk dat op 17 juli 2014 is binnengekomen waaruit blijkt dat de veroordeelde sinds 17 mei 2013 niet meer gedetineerd zit in HMP Onley.

Op de (vijfde) terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2014 geeft mr. J. de Vries, die als raadsman namens mr. N.C.J. Meijering aanwezig is, aan dat hij nog geen contact heeft gehad met de veroordeelde. De advocaat-generaal maakt ter zitting melding van het feit dat vier dagen voor de zitting een nieuw verblijfadres bekend is geworden. De advocaat-generaal heeft de voorzitter en de raadsman hier direct van op de hoogte gesteld. De zaak wordt aangehouden tot de zitting van 5 december 2014 zodat de raadsman ruim de tijd heeft om contact op te nemen met de veroordeelde teneinde de verdediging met hem af te stemmen. Het hof beveelt de oproeping van de veroordeelde op een drietal adressen, te weten:

  • -

    [adres 1], Groot-Brittannië;

  • -

    [adres 2], Groot-Brittannië;

  • -

    [adres 3], Groot-Brittannië.

De oproepingen zijn op 21 oktober 2014 naar deze adressen in Groot-Brittannië verzonden.

Op 26 november 2014 is een brief van het Engelse advocatenkantoor [advocatenkantoor 2] per fax binnengekomen. In deze brief wordt gerefereerd aan de oproeping van de veroordeelde voor de zitting van 5 december 2014. In de brief staat dat de veroordeelde niet ter zitting zal kunnen verschijnen omdat hij, vanwege een veroordeling in het Verenigd Koninkrijk, onder voorwaarden (“under license”) staat. Uit de brief en de daaraan gehechte documenten blijkt dat de veroordeelde nog tot en met 18 mei 2016 onder voorwaarden staat. Bovendien zou de veroordeelde in 2006 een levenslang inreisverbod voor Nederland hebben gekregen vanwege een strafzaak in Rotterdam.

Op de (zesde) terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2014 geeft mr. J. de Vries, die als raadsman namens mr. N.C.J. Meijering aanwezig is, aan dat hij nog geen contact heeft gehad met de veroordeelde. De raadsman maakt echter uit de inhoud van de brief van [advocatenkantoor 2] op dat de veroordeelde nog steeds van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken en verzoekt daarom om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het is voor de verdediging sinds half januari 2012 niet mogelijk geweest om een conclusie in te dienen vanwege het feit dat, zo maakt het hof op uit de brief van mr. N.C.J. Meijering d.d. 17 januari 2014, er geen contact met veroordeelde is geweest, waardoor de raadsman zich niet gemachtigd acht.

Dit brengt het hof tot de conclusie dat er in ieder geval sinds half januari 2012 geen contact tussen de veroordeelde en zijn Nederlandse advocaten is geweest, terwijl de veroordeelde in de periode tussen 21 februari 2012 en 17 mei 2013 in Groot-Brittannië gedetineerd heeft gezeten. Daarbij was vanaf september 2011, getuige de mededelingen van de toenmalige raadsvrouw, wel nog contact met de veroordeelde en waren bovendien, in ieder geval, vanaf 2 september 2011 contactgegevens van het toenmalige Engelse advocatenkantoor van de veroordeelde bekend.

De brief van [advocatenkantoor 2] maakt melding van twee omstandigheden waardoor de veroordeelde op 5 december 2014 niet ter terechtzitting aanwezig zou kunnen zijn.

Ten aanzien van de omstandigheid dat de veroordeelde onder voorwaarden staat merkt het hof op dat de (zesde) voorwaarde vi. inhoudt dat de veroordeelde niet buiten het Verenigd Koninkrijk mag reizen. Met toestemming van de behandelend ambtenaar kan hiervan worden afgeweken, zo valt uit de door de veroordeelde op 17 mei 2013 ondertekende voorwaarden op te maken. Gesteld noch gebleken is dat de veroordeelde de behandelend ambtenaar hierom heeft verzocht.

Ten aanzien van de omstandigheid dat de veroordeelde – door toedoen van de Nederlandse autoriteiten - een inreisverbod voor Nederland heeft gekregen wijst het hof op artikel 66b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Hieruit volgt dat de veroordeelde een tijdelijke opheffing van het inreisverbod had kunnen aanvragen bij de Minister. Naar de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft medegedeeld, en het hof aannemelijk voorkomt, zou op een dergelijk verzoek teneinde bij de zitting aanwezig te kunnen zijn zeer wel positief kunnen worden beslist. Hem is evenwel niets bekend van een zodanig verzoek. Het hof komt tot de slotsom dat gesteld noch aannemelijk is geworden dat de veroordeelde een dergelijke aanvraag heeft gedaan.

Het hof leest in de brief van [advocatenkantoor 2] geen wens van de veroordeelde om van het aanwezigheidsrecht gebruik te maken, doch slechts een opsomming van de redenen waarom de veroordeelde niet op de zitting van 5 december 2014 aanwezig zou kunnen zijn.

Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de veroordeelde, het belang dat niet alleen de veroordeelde maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.

Tijdens de eerste terechtzitting op 2 september 2011 heeft de veroordeelde bij monde van zijn gemachtigd raadsvrouw aangegeven ter terechtzitting aanwezig te willen zijn.

Nu de verschillende raadslieden sinds half januari 2012 geen contact meer met de veroordeelde hebben gehad ziet het hof niet in hoe de raadsman op de zitting van 5 december 2014 namens de veroordeelde de wens van het uitoefenen van het aanwezigheidsrecht kon herhalen - te meer niet nu dat, naar het oordeel van het hof, uit de brief van [advocatenkantoor 2] niet kan worden afgeleid -, waarbij het hof voorts aantekent dat door de raadsman niet is gesteld, laat staan onderbouwd, dat de veroordeelde binnen een aanvaardbare termijn wel ter zitting zal (kunnen) verschijnen.

Het hof voegt hier voorts aan toe dat het op de weg van de veroordeelde en/of de verdediging had gelegen om – indien de veroordeelde van zijn aanwezigheidsrecht gebruik had willen maken - het een en ander in werking te stellen teneinde de veroordeelde in de gelegenheid te stellen op de zitting van 5 december 2014 aanwezig te kunnen zijn.

Tegen deze achtergrond weegt in de ogen van het hof het belang van een berechting binnen redelijke termijn zwaarder dan de eventuele wens van de veroordeelde om bij de behandeling van deze zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn.

Het verzoek van de raadsman om de zaak aan te houden wordt dan ook afgewezen.

Ontvankelijkheid in het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de aan het hof overgelegde schriftelijke aantekeningen, primair gevorderd de veroordeelde niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren. Hiertoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de veroordeelde geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend en geen mondelinge bezwaren heeft opgegeven.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Namens de veroordeelde is op 4 maart 2008 hoger beroep ingesteld. Bij de strafgriffie van de rechtbank Rotterdam is op 17 maart 2008 een schrijven van de toenmalige raadsvrouw van de veroordeelde binnengekomen. Uit dit schrijven valt op te maken dat het ingestelde hoger beroep zich richt tegen de (partiële) toewijzing van de vordering van de officier van justitie evenals tegen de vaststelling door de rechtbank van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals beslist bij het vonnis waarvan beroep.

Het schrijven van 17 maart 2008 dient naar het oordeel van het hof als schriftuur in de zin van artikel 410 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering te worden aangemerkt. De veroordeelde is dan ook ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Beslissing in de strafzaak tegen de veroordeelde

Bij onherroepelijk arrest van dit gerechtshof van 12 juli 2005 is de veroordeelde, voor zover in de onderhavige ontnemingszaak van belang, veroordeeld ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 en 3 bewezen verklaarde,

gekwalificeerd als:

“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de subsidiaire vordering van de advocaat-generaal.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 1.607.742,00 ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 128.571,43 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde een verplichting tot betaling aan de Staat van € 100.000,00 op te leggen.

Beoordeling van het vonnis

De behandeling in hoger beroep van de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep het hierna te vermelden bedrag in mindering brengt op de betalingsverplichting aan de Staat.

Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de zaak niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld is afgedaan. Om die reden zal het hof overeenkomstig het in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 weergegeven uitgangspunt dat bij een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan 12 maanden de vermindering van de betalingsverplichting in ontnemingszaken geschiedt naar bevind van zaken , de betalingsverplichting verminderen tot een bedrag van € 500.000,–.

Derhalve zal aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat worden opgelegd van € 500.000,-.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis – uitsluitend - ten aanzien van de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 500.000,-;

bevestigt het vonnis voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. T.L. Tan en mr. H.W. Samson-Geerlings, in bijzijn van de griffier mr. H. van den Hove.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 december 2014.

Mr. H.W. Samson-Geerlings is buiten staat dit arrest te ondertekenen.