Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4455

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
200.113.324/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurrecht; ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand; onrechtmatige daad jegens verhuurder wegens brandstichting bij hoofdkantoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.113.324/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 1316888 / CV EXPL 12-718

arrest van 27 mei 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

STICHTING MAASDELTA GROEP,

gevestigd te Spijkenisse,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Maasdelta,

advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse.

Het geding

Bij dagvaardingsexploot van 28 augustus 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het op 5 juni 2012 tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven opgeworpen tegen het vonnis waarvan hoger beroep. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft Maasdelta de grieven bestreden. Bij akte uitlating producties heeft [appellant] gereageerd op de door Maasdelta bij memorie van antwoord overgelegde producties, waarop Maasdelta een antwoordakte (met productie) heeft genomen. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de feiten die de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis als vaststaand heeft aangenomen, met uitzondering van het onder 2.5 genoemde schadebedrag, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak, voor zover relevant in hoger beroep, om het volgende.

1.1

[appellant] heeft vanaf 13 september 2006 van Maasdelta de woonruimte aan de [adres] te [woonplaats] gehuurd. Daaraan voorafgaande heeft [appellant] een ‘verklaring overname door huurder’ d.d. 24 augustus 2006 getekend, waarin hij onder meer verklaart een aantal zaken van de vorige huurder over te nemen en waarbij hij zich jegens Maasdelta heeft verbonden de woning, na beëindiging van de huurovereenkomst, in de oorspronkelijke staat te brengen en geheel ontruimd en bezemschoon op te leveren.

1.2

Vanaf september 2011 heeft [appellant] verschillende malen per e-mail met Maasdelta gecorrespondeerd. In de e-mails maakt [appellant] bezwaar tegen de overnameovereenkomst en verzoekt hij om toewijzing van een andere woning. De e-mails bevatten zinnen die als bedreigend en intimiderend kunnen worden ervaren en die door medewerkers van Maasdelta ook as zodanig zijn ervaren.

1.3

Op 18 november 2011 is brand gesticht bij de ingang van het kantoor van Maasdelta.

1.4

Terwijl hij in voorlopige hechtenis zat als verdachte van voormelde brandstichting, heeft [appellant] op 14 december 2012 aan twee medewerkers van Maasdelta een brief geschreven. De brief, waarin [appellant] onder meer wederom zijn frustratie uit over de onder 1.1 genoemde overnameverklaring, bevat de volgende fragmenten:

“Hoi, jullie zullen wel weten wat er zich heeft afgespeeld, op 18-11-2011 bijna een maand geleden, en ik zit al bijna een maand vast.

(…)

Zal de schuld bij mijzelf moeten leggen, qua brandstichting. Nog immer ontken ik uw Overnamecontract en nog immer is daar mijn verzet, nog immer wou ik verhuizen en niet daarbij ruggen te lappen voor die B. Overgauw, dat is gewoon Crimineel uitmelken uitbuiten, zeker eigen teelt of niet??, dus in dat opzicht, tsja kijk ik ben maar één huurder op jullie massale klandizie en dan is schade aan een voorpui niet echt reclame nee.

Hoop voor jullie dat de schade niet al te groot is geweest, en voor mijzelf uiteraard schade zal toch wel op mij worden verhaald, maar ik vernam van de Politie dat het brandje uit zichzelf was gedoofd en het gelukkig nog mee viel, maar goed ik was zwaar onder invloed van de drank en frustreerde me nogal gelet op het feit dat ik nu wederom hulpverlening moest aanspreken inzake mijn woonsituatie (…).

(…)

En evenzo wens ik andere woonruimte en een goede oplossing voor het algehele probleem, inclusief mijn brandje, en jullie vergiffenis daarin, (…).

(…)

Sorry, ben te ver gegaan mijn excuses hier voor, had niet gemoeten en was fout en niet eerlijk, zou ook niet graag mijn voordeur in de fik hebben of mijn ramen er uit. Zal me onthouden van de drank en dan op normale wijze naar oplossingen zoeken.

(…)

En die bullshit van die Politie over die Schoonmaakster 2 uitgangen resterend en anders pleur je maar een raam in toch, gewigtige redenen, levensgevaar?? als ze op het mailtje moeten afgaan wel ja niet op grond van de feitten, buitenbrandje of gevelbrand en dus niet in het gebouw.

(…)

Kom terug en laat [betrokkene] met u Comuniceren en Excuses voor mijn wandaad, en hoop dat het allemaal meevalt.

(…).”

1.5

[appellant] is voor voormelde brandstichting bij Maasdelta door de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 16 mei 2012 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Ook in hoger beroep is [appellant] door het Gerechtshof Den Haag bij arrest van 13 december 2012 schuldig bevonden aan de voormelde brandstichting, waarvoor hem een gevangenisstraf van acht maanden is opgelegd, waarvan vier maanden voorwaardelijk. [appellant] heeft van dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

2. Maasdelta vordert in deze procedure:

- dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [appellant] wordt veroordeeld om het gehuurde te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [appellant] na betekening van het vonnis nalatig blijft het gehuurde te ontruimen en ontruimd te houden;

- een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Maasdelta door op 18 november 2011 brand te stichten bij c.q. in de vestiging van Maasdelta aan het Bruggehoofd 1 te Hellevoetsluis, althans te verklaren voor recht dat gedaagde zich niet heeft gedragen als goed huurder;

- veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 5.972,82 ter zake van de door haar als gevolg van de brandstichting geleden schade;

- veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 2.027,76 ter zake van achterstallige huur;

- veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

2.1

Aan haar vorderingen legt Maasdelta ten grondslag, kort samengevat en voor zover in appel nog aan de orde, dat [appellant] (toerekenbaar) is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door (i) de huur niet tijdig en volledig te voldoen, (ii) zich in e-mails aan medewerkers van Maasdelta op dreigende en intimiderende wijze uit te laten en (iii) op 18 november 2011 brand te stichten bij de ingang van de vestiging van Maasdelta in Hellevoetsluis. Ten aanzien van deze laatste gedraging stelt Maasdelta voorts dat [appellant] onrechtmatig jegens haar gehandeld heeft. Maasdelta stelt als gevolg van de brandstichting schade te hebben geleden, welke schade door Maasdelta wordt begroot op € 5.972,82, bestaande uit reinigingskosten, kosten voor herstel van de brievenkasten en schilderwerk aan de pui en begeleiding- en toezichtkosten. [appellant] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van Maasdelta. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen, zij het met matiging en maximering van de gevorderde dwangsom.

3. In hoger beroep komt [appellant] met grief 1 op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] de brand bij de vestiging van Maasdelta heeft gesticht en dat hij bedreigingen jegens medewerkers van Maasdelta heeft geuit. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter over de hoogte van de schade en de veroordeling van [appellant] tot betaling van dit bedrag aan Maasdelta en grief 3 is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Het hof overweegt als volgt.

3.1

In hoger beroep heeft [appellant] erkend dat een huurachterstand is ontstaan en dat de hoogte daarvan voldoende is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Dit brengt mee dat [appellant] geen belang heeft bij behandeling van grief 1, voor zover gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat voldoende vaststaat dat [appellant] bedreigingen heeft geuit tegen medewerkers van Maasdelta. Deze feitelijke vaststelling lag immers (mede) ten grondslag aan het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting om zich als goed huurder te gedragen, welk oordeel heeft geleid tot ontbinding van de huurovereenkomst. De ontbinding van de huurovereenkomst is in hoger beroep niet meer in geschil, zodat de grondslag van die ontbinding niet meer hoeft te worden beoordeeld.

3.2

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij op 18 november 2011 de brand bij Maasdelta heeft gesticht. Vaststaat dat [appellant] in twee feitelijke instanties strafrechtelijk is veroordeeld voor de brandstichting. Deze uitspraken leveren – gelet op het ingestelde cassatieberoep – weliswaar geen dwingend bewijs op in de zin van artikel 161 Rv, maar hebben wel vrije bewijskracht. [appellant] heeft voorts niet betwist dat hij de hiervoor onder 1.4 genoemde brief van 14 december 2011 heeft geschreven. De inhoud van deze brief, en in het bijzonder de onder 1.4 geciteerde passages, kunnen naar het oordeel van het hof - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet anders worden begrepen dan dat [appellant] daarin erkent de bewuste brand te hebben gesticht en dat hij daarvoor (zij het enigszins omfloerst) zijn verontschuldiging aanbiedt. Het had op de weg van [appellant] gelegen om gemotiveerd te stellen waarom en hoe de brief anders dient worden uitgelegd, dan wel waarom hij in de brief gedragingen zou hebben erkend die hij niet heeft gepleegd. Bij gebreke van een dergelijke gemotiveerde betwisting, alsmede gelet op het feit dat [appellant] strafrechtelijk is veroordeeld door twee instanties, staat naar het oordeel van het hof in deze civiele procedure voldoende vast dat [appellant] de brand heeft gesticht, zodat grief 1 ook in zoverre faalt.

3.3

Door de brand te stichten heeft [appellant] toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens Maasdelta, zodat op hem de verplichting rust de door Maasdelta als gevolg van de brandstichting geleden schade te vergoeden. Maasdelta onderbouwt haar schade door overlegging van een schaderapport van Crawford & Company, dat is opgesteld op verzoek van de opstalverzekeraar van Maasdelta en dat mede is gebaseerd op een taxatierapport van Heijmans Bouw Zeeland. [appellant] heeft de hoogte van de schade naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist. De stelling dat de brand, die slechts een geringe omvang had, niet tot zo’n fors schadebedrag heeft kunnen leiden en het feit dat de schade is begroot op verzoek van de (opstal)verzekeraar van Maasdelta kunnen, noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, niet als een zodanige gemotiveerde betwisting gelden. Bij gebreke van een voldoende onderbouwde betwisting stelt het hof de schade vast op het door Maasdelta gevorderde bedrag van € 5.972,82. [appellant] heeft ten verwere nog betoogd dat de schade door de verzekeraar van Maasdelta is vergoed, als gevolg waarvan Maasdelta niet gerechtigd zou zijn vergoeding van de schade van [appellant] te vorderen. Dit verweer faalt. Maasdelta heeft gemotiveerd betwist dat haar verzekeraar een uitkering heeft gedaan ter zake van de brandschade, stellende dat de schade geheel binnen het met de verzekeraar overeengekomen eigen risico viel. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn verweer onvoldoende nader onderbouwd. [appellant] wijst enkel op de door Maasdelta overgelegde “akkoordverklaring”, waarin Maasdelta zich akkoord verklaart met de door de verzekeraar vastgestelde hoogte van de schade. Op die verklaring staat immers ook dat de verzekerde verklaart ervan nota te hebben genomen dat de uitkering lager kan zijn dan de schade in verband met eigen risico, en dat een eventuele uitkering naar het ingevulde bankrekeningnummer zal worden overgemaakt. [appellant] heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld die zijn verweer ondersteunen. Grief 2 is derhalve tevergeefs opgeworpen.

3.4

Grief 3, gericht tegen de proceskostenveroordeling, deelt het lot van de overige grieven.

3.5

De conclusie is dat het bestreden vonnis bekrachtigd zal worden, nu geen van de opgeworpen grieven slaagt. Het hof zal [appellant], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het op 5 juni 2012 tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle;

- veroordeeld [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Maasdelta begroot op € 666,00 aan griffierecht en € 632,00 aan salaris voor de advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, T.G. Lautenbach en

M.W.D. van der Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2014 in aanwezigheid van de griffier.