Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4304

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
200.149.005.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de mediator of de advocaat die door de mediator was ingeschakeld de vrouw op een deugdelijke wijze heeft voorgelicht omtrent haar mogelijke aanspraak op een onderhoudsbijdrage. Naar het oordeel van het hof hebben partijen niet bewust afgeweken van de wettelijke normen nu de vrouw wegens een gebrek aan informatie niet wist wat haar rechten waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0046
FJR 2015/58.12

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 december 2014

Zaaknummer : 200.149.005/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-5591

Zaaknummer rechtbank : C/10/428644

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Drenth te Barendrecht,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 15 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 februari 2014 van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam.

De man heeft op 15 juli 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de vrouw de volgende stukken ingekomen:

- op 6 juni 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

- op 5 september 2014 V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 19 september 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 1.000,- bruto per maand, met ingang van 1 mei 2013, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een maandelijkse vooruitbetaalde bijdrage door de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 1.500,- met ingang van 1 mei 2013 vast te stellen dan wel een bijdrage en ingangsdatum vast te stellen die het hof redelijk en billijk acht.

3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof om de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans haar verzoek om de bestreden beschikking te wijzigen en te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw dient te betalen van € 1.500,- per maand met ingang van 1 mei 2013 af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

4. Het hof zal de grieven van de vrouw en het verweer van de man gezamenlijk behandelen. Het hof overweegt als volgt.

5. Partijen zijn op 6 september 1990 in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Breda van 28 juli 2011 is de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 5 augustus 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij echtscheidingsconvenant d.d. 20 juni 2011 hebben partijen een overeenkomst gesloten betreffende levensonderhoud als bedoeld in 1:401 BW. Zij zijn overeen gekomen dat na ontbinding van het huwelijk, de een tegenover de ander niet tot betaling van alimentatie gehouden zal zijn.

6. De vrouw baseert haar verzoek tot wijziging van de overeenkomst op twee gronden. De vrouw is primair van mening dat er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst sprake is geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven, subsidiair verzoekt zij wijziging op grond van het feit dat de omstandigheden na het sluiten van de overeenkomst tussen partijen zijn gewijzigd.

7. Ten aanzien van de primaire vordering van de vrouw overweegt het hof als volgt. Partijen hebben zich voor de totstandkoming van hun echtscheiding tot een mediator van “Easy echtscheiding” gewend. Gebleken is dat er slechts één inhoudelijke bespreking heeft plaatsgevonden bij de mediator, een zekere “Julliet van Doeland”. Onweersproken is dat de betreffende mediator slechts ter sprake heeft gebracht dat de vrouw recht heeft op partneralimentatie voor de duur van twaalf jaren. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank leidt het hof af dat tussen partijen niet in geschil is dat de mediator heeft uitgelegd dat de vrouw aanspraak kan maken op partneralimentatie. Niet aan de orde is geweest het inkomen van de man uit de onderneming. Het hof kan niet vaststellen of de mediator de wettelijke grondslagen voor partneralimentatie met partijen heeft besproken en partijen heeft voorgehouden welk bedrag de man op basis van deze grondslagen, aan de vrouw voor partneralimentatie zou kunnen voldoen. Naar het oordeel van het hof rust op de mediator de verplichting om zodanige informatie aan partijen te verschaffen dat zij over en weer inzicht hebben in hun rechten en verplichtingen. Het hof heeft verder evenmin kunnen vaststellen dat de advocaat die partijen heeft vertegenwoordigd in de echtscheidingsprocedure, mr. F.W.M. Bekker, partijen heeft voorgelicht omtrent hun wederzijdse rechten en verplichtingen met betrekking tot de onderhoudsverplichting. Partijen hebben mr. Bekker niet ontmoet en hem in de vorm van een videoboodschap opdracht gegeven hen te vertegenwoordigen in de echtscheiding. Naar het oordeel van het hof brengt de zorgvuldigheidsnorm die de betreffende advocaat jegens zijn cliënten in acht had dienen te nemen, met zich mee dat hij zich had moeten vergewissen of partijen zich bewust waren van hun rechten en verplichtingen zodat zij niet zonder kennis van zaken afstand zouden doen van mogelijke rechten. Nu hij dit niet heeft gedaan is het hof, anders dan de man, van oordeel dat partijen niet bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven toen zij als uitgangspunt voor de behoefte van de vrouw, van haar netto inkomen ten tijde van de echtscheiding zijn uitgegaan. Gelet op het inkomen van de man ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en de hoogte van het netto gezinsinkomen tijdens de samenleving, komt het hof tot de conclusie dat er tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen, een duidelijke wanverhouding bestaat. Het hof is gelet daarop van oordeel dat het tussen partijen geldende convenant tot stand is gekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De grief van de vrouw treft dan ook doel zodat de beschikking van de rechtbank zal worden vernietigd en het hof op basis van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man op dit moment, dient te bezien of een partneralimentatie kan worden vastgesteld.

Behoefte van de vrouw

8. De vrouw stelt dat haar behoefte op grond van de hofnorm moet worden vastgesteld op

€ 3.600,- bruto per maand. In haar beroepsschrift heeft de vrouw haar behoefte uiteengezet waarbij zij uitkomt op een huwelijksgerelateerde behoefte van ongeveer € 3.500,- bruto per maand. De man betwist niet de hoogte van het door de vrouw gestelde netto gezinsinkomen van partijen noch de hoogte van de door de vrouw opgevoerde uitgaven waarmee zij haar behoefte specificeert. De man is van mening dat deze behoefte echter niet als uitgangspunt kan worden genomen en dat partijen zoals afgesproken bij het opmaken van het convenant, voor het bepalen van de behoefte uit moeten gaan van het inkomen van de vrouw ten tijde van de echtscheiding, zijnde € 1.500,- netto per maand.

9. Nu de man noch de door de vrouw opgevoerde uitgaven noch het gezinsinkomen ten tijde van de samenleving betwist zal het hof de hoogte van de behoefte van de vrouw relateren aan de welstand tijdens het huwelijk en daarbij rekening houden met alle relevante omstandigheden waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. Voorts zal de behoefte zoveel mogelijk aan de hand van de concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud worden bepaald.

10. Niet betwist is dat partijen een gezinsinkomen hadden van € 6.000,- netto per maand. Het hof begroot de lasten uit de hypothecaire geldlening van de vrouw, uitgaande van het voor haar geldende belastingtarief, in redelijkheid op € 250,- per maand. Voor het overige acht het hof de door de vrouw opgevoerde kosten redelijk, met inbegrip van de kosten voor “ontspanning/sport/uitstapjes”, aangezien partijen ten tijde van het huwelijk deze kosten ook maakten.

11. Gelet op het voorgaande bepaalt het hof de behoefte van de vrouw op afgerond € 2.020,- netto per maand, hetgeen bruto € 3.447,- per maand bedraagt.

Aanvullende behoefte van de vrouw

12. Voor de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dient uit te worden gegaan van het eigen inkomen van de vrouw over drie periodes:

- het inkomen vanaf het moment waarop zij een aanvullende WIA-uitkering ontvangt;

- het inkomen vanaf het moment dat zij een aanvullende WIA-uitkering van 75% van het WIA-maandloon verminderd met haar inkomsten op dat moment ontvangt ;

- het inkomen vanaf het moment dat haar aanvullende WIA-uitkering 70% van het WIA-maandloon verminderd met haar inkomsten op dat moment bedraagt.

13. Gebleken is dat het jaarinkomen van de vrouw sinds het uiteengaan van partijen gedaald is tot € 27.374,- in 2013. Het hof zal voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw in 2013 en de maanden januari tot en met maart 2014 uitgaan van haar inkomen zoals weergegeven in de jaaropgave 2013. Gelet op de hiervoor bepaalde behoefte van de vrouw en de jaaropgave 2013 bedraagt haar aanvullende behoefte tot 1 april 2014 € 1.166,- bruto per maand.

14. Met ingang van 16 maart 2014 ontvangt de vrouw een WIA-uitkering voor de uren waarin zij arbeidsongeschikt is. Ter zitting heeft de vrouw te kennen gegeven dat voor de bepaling van haar aanvullende behoefte kan worden uitgegaan van een verandering in haar inkomen per 1 april 2014 zoals blijkt uit de gegevens van UWV. Uit de door de vrouw overgelegde brief van het UWV van 6 februari 2014 vloeit voort dat zij tot 16 mei 2014 een uitkering ontving van 75% van het WIA-maandloon verminderd met haar inkomsten op dat moment en dat zij met ingang van 16 mei 2014 een uitkering ontvangt van 70% van het WIA-maandloon verminderd met haar inkomsten op dat moment. Nu het hof het exacte bruto inkomen van de vrouw niet kan berekenen omdat de daadwerkelijk ontvangen WIA-uitkering volgens de specificaties lager is dan de uitkering volgens de door het UWV gehanteerde formule, zal het hof voor de bepaling van de aanvullende behoefte in redelijkheid uitgaan van de bedragen die de vrouw aan WIA-uitkering volgens de brief van het UWV van 7 juli 2014 had moeten ontvangen en van hetgeen zij volgens de berekening van het UWV in die maanden aan salaris van haar werkgever heeft ontvangen. Het hof merkt volledigheidshalve op dat deze bedragen niet door de man betwist zijn. Haar bruto inkomen bedraagt derhalve:

  • -

    in april 2014 in totaal afgerond € 2.154,-

  • -

    in mei 2014 in totaal afgerond € 2.194,-;

  • -

    in juni 2014 totaal afgerond € 2.178,-.

Gelet hierop heeft de vrouw een aanvullende behoefte van:

  • -

    in april 2014 € 1.293,-;

  • -

    in mei 2014 € 1.253,-;

  • -

    in juni 2014 € 1.269,-.

15. Het hof gaat voor de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw met ingang van 1 juli 2014 uit van een WIA-uitkering van afgerond € 465,- bruto per maand (zoals in de brief van het UWV van 20 juli 2014 weergegeven) en het salaris van haar werkgever van afgerond € 1.704,- bruto per maand (berekend op basis van de rekenmethode van het UWV). Haar bruto inkomen met ingang van 1 juli 2014 bedraagt dus in totaal afgerond € 2.169,- bruto per maand. Gelet hierop bedraagt haar aanvullende behoefte met ingang van 1 juli 2014 € 1.278,- bruto per maand.

16. Het hof neemt in aanmerking dat de aanvullende behoefte van de vrouw zal stijgen als de garantietoeslag op haar salaris vervalt wanneer zij wordt overgeplaatst naar een andere afdeling op haar werk. Het hof acht partijen er zelf toe in staat alsdan de aanvullende behoefte van de vrouw opnieuw te bepalen.

17. Het hof zal op basis van de draagkracht van de man de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw bepalen.

Draagkracht van de man

18. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van een jaarinkomen uit dienstbetrekking van € 42.742,-, zoals blijkt uit zijn jaaropgaaf 2013. Ten aanzien van de neveninkomsten van de man, als docent is een aanzienlijke daling gebleken van ongeveer € 65.000,- per jaar naar ongeveer € 17.000,- per jaar in 2013. Door de man is ter zitting naar voren gebracht dat met deze neveninkomsten geen rekening dient te worden gehouden omdat de man, in tegenstelling tot voorgaande jaren, tegenwoordig les moet geven tijdens diensttijd en dit dus niet meer betaald wordt. Daarnaast merkt de man op dat deze neveninkomsten nog verder zullen dalen. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met neveninkomsten van € 17.000,- per jaar. Nu de man de gestelde verdere daling niet nader onderbouwd heeft en de vrouw deze verdere daling betwist heeft, gaat het hof uit van een verdiencapaciteit van € 17.000,- per jaar.

19. Ten aanzien van de lasten van de man gaat het hof uit van de door hem overgelegde draagkrachtberekening met dien verstande dat het hof met de door de man opgevoerde kosten van € 300,- per maand voortvloeiende uit een geldlening van een familielid, zijn huidige partner zoals ter zitting gebleken is, geen rekening zal houden. Het hof acht het niet redelijk met deze lening rekening te houden, nu dit gelden betreffen die zijn partner in de huidige woning van haar en de man heeft geïnvesteerd. Naar het oordeel van het hof dient deze investering niet ten koste van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw te gaan. Het hof houdt rekening met de door de man opgevoerde maandelijkse last van € 500,- ter zake afbetaling door de man aan de vrouw van een geldlening en wel tot 1 juli 2014, aangezien per deze datum de geldlening volledig is terugbetaald.

20. Gelet op het voorgaande bedraagt de draagkracht van de man tot 1 januari 2014 € 539,- bruto per maand, nu de man voor wat betreft de over 2013 te betalen partneralimentatie geen fiscaal voordeel meer kan genieten aangezien hij in 2013 feitelijk geen partneralimentatie betaald heeft. Met ingang van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014 bedraagt de draagkracht van de man € 929,- bruto per maand, aangezien de man over 2014 het fiscaal voordeel vanwege het betalen van partneralimentatie nog wel kan genieten. Met ingang van 1 juli 2014 bedraagt de draagkracht van de man € 1.446,- bruto per maand.

Ingangsdatum

21. Het hof zal de ingangsdatum op 1 juli 2013 bepalen, nu de man met ingang van deze datum rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat hij een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw zou moeten voldoen.

Partneralimentatie

22. Gelet op het voorgaande zal het hof de door man aan de vrouw te betalen partneralimentatie als volgt bepalen:

- met ingang van 1 juli 2013 tot 1 januari 2014 op € 539,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014 op € 929,- bruto per maand;

- met ingang van 1 juli 2014 op € 1.278,- bruto per maand.

23. Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud:

- met ingang van 1 juli 2013 tot 1 januari 2014 op € 539,- bruto per maand;

- met ingang van 1 januari 2014 tot 1 juli 2014 op € 929,- bruto per maand;

- met ingang van 1 juli 2014 op € 1.278,- bruto per maand.

voor wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft het compenseren van de proceskosten;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Sutorius-Van Hees en Van Veen, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2014.