Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4291

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
200.132.752/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Geschil tussen twee broers. Sturen van e-mails met lasterlijke en/of beledigende opmerkingen door de ene broer aan de andere broer. Contact/benaderings verbod voor een periode van tien jaren op straffe van een dwangsom. Proceskostenveroordeling ipv compensatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.132.752/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/444084/KG ZA 13-621

arrest van de familiekamer d.d. 18 november 2014

inzake

[broer A],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [broer A],

advocaat: mr. L. Kuijper te Den Haag,

tegen

[broer B],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [broer B],

advocaat: mr. L.P.A. Zwijnenberg te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 26 augustus 2013 is [broer A] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, gewezen tussen [broer B] als eiser en [broer A] als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis. De appeldagvaarding bevat zeven grieven en daarbij zijn twee producties overgelegd.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

Ter rolzitting van 10 september 2013 heeft [broer A] geconcludeerd voor eis conform de in de appeldagvaarding geformuleerde grieven.

Ter rolzitting van 5 augustus 2014 heeft [broer B] een memorie van antwoord genomen.

[broer A] heeft pleidooi gevraagd. Dit pleidooi is bepaald op 23 oktober 2014.

Ter zitting op 23 oktober 2014 zijn verschenen:

  • -

    [broer A] in persoon, bijgestaan door mr. Kuijper, voornoemd;

  • -

    mr. Zwijnenberg, voornoemd.

Mr. Kuijper heeft pleitnotities overgelegd. Ter zitting heeft mr. Zwijnenberg een e-mail, afkomstig van [broer A] van 23 oktober 2014 gericht aan mr. B. Martens (deken), overgelegd.

Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben ermee ingestemd dat arrest zal worden gewezen op basis van het door [broer A] ten behoeve van het pleidooi overgelegde procesdossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de door de voorzieningenrechter onder ‘1’ in het bestreden vonnis vastgestelde feiten is niet opgekomen zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter [broer A] verboden, met onmiddellijke ingang na de betekening van het bestreden vonnis, [broer B] gedurende een periode van tien jaren op welke wijze dan ook te benaderen, op zijn werk dan wel op enig huidig of toekomstig privéadres, al dan niet via derden, waaronder uitdrukkelijk begrepen personen uit de persoonlijke levenssfeer van [broer B] en/of medewerkers/collega’s van [werkgever] of enige andere werkomgeving van [broer B]. [broer A] is ook verboden om, op welke wijze dan ook, lasterlijke en/of beledigende uitlatingen te doen over [broer B] en deze te verspreiden. Bepaald is dat op overtreding van een van de vermelde verboden [broer A] een dwangsom zal verbeuren van € 1.000, - per keer voor iedere keer dat hij in strijd handelt met de voornoemde verboden, met een maximum van € 50.000, -. [broer A] is veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. [broer A] vordert dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat het hof het in eerste aanleg opgelegde contactverbod zal vernietigen, subsidiair het contactverbod (het hof leest) zal beperken tot een duur van één jaar en de te verbeuren dwangsom zal verlagen naar € 250,- per keer met een maximum van € 10.000,-; met compensatie van de proceskosten.

4. [broer B] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen in hoger beroep van [broer A], met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [broer A] in de kosten van de procedure in beide instanties.

5. Het hof gaat over tot een bespreking van de grieven. Waar nodig zal op het verweer van [broer B] worden ingegaan.

6. Het hof behandelt de eerste en derde grief tezamen. [broer A] voert aan dat ten onrechte is overwogen dat genoegzaam is gebleken dat de e-mails door [broer A] aan [broer B] zijn gestuurd. Het is volgens [broer A] onwaarschijnlijk dat hij die zelf zou hebben verstuurd, nu hij zelf in die e-mails belachelijk zou zijn gemaakt. [broer A] gaat er van uit dat zijn email-account door een derde is gebruikt. Daardoor zijn ook ten onrechte de vorderingen toegewezen en is daarbij ten onrechte gesteld dat voldoende aannemelijk is geworden dat [broer A] zich opnieuw herhaaldelijk schuldig maakt aan het doen van lasterlijke en/of beledigende opmerkingen over [broer B].

7. Het hof overweegt dat de stelling van [broer A], dat het onwaarschijnlijk zou zijn dat hij die e-mails zou hebben gestuurd, omdat hij zelf in die e-mails belachelijk zou zijn gemaakt, geen hout snijdt. [broer A] stelt dat zijn e-mailaccount mogelijk door een derde is gebruikt maar onderbouwt deze stelling in het geheel niet. Het hof gaat daarom aan die veronderstelling voorbij en houdt het er dan ook voor dat [broer A] de bewuste e-mailberichten heeft opgemaakt en verzonden.

8. In de tweede grief voert [broer A] aan dat ten onrechte is overwogen dat [broer A] misbruik maakt van zijn klachtrecht en dat dit dan ook niet aan de gevorderde verboden in de weg staat. [broer A] stelt volledig in zijn recht te staan om een overheidsorgaan te benaderen over een mogelijk ambtsmisbruik van een ambtenaar.

9. Het hof overweegt dat [broer A] het gestelde ambtsmisbruik geenszins onderbouwt. Door (in het geheel) niet onderbouwd te klagen wordt misbruik gemaakt van het klachtrecht; de voorzieningenrechter heeft terecht aldus overwogen. Het hof merkt op dat [werkgever] de klachten van [broer A] jegens [broer B] te vaag, onvoldoende en van een, wegens het ontbreken van ieder begin van onderbouwing, lasterlijk karakter acht, zo valt uit de door [broer A] overgelegde brief van [werkgever] van 2 augustus 2013 op te maken. De tweede grief wordt dan ook gepasseerd.

10. Het hof behandelt de vierde en vijfde grief tezamen. In de vierde grief klaagt [broer A] dat de voorzieningenrechter het verbod ten onrechte voor een periode van tien jaren heeft opgelegd. Dit acht [broer A] buitenproportioneel, nu in het verleden telkens een verbod voor de duur van één jaar is opgelegd. Het handelen van [broer A] is niet dusdanig onrechtmatig dat een contactverbod van tien jaren is geboden. In de vijfde grief voert [broer A] aan dat de dwangsom buitenproportioneel hoog is, gelet op de omstandigheid dat [broer B] executoriaal loonbeslag heeft gelegd op zijn WAO-uitkering.

11. Het hof overweegt dat [broer A] bij herhaling en uitsluitend door middel van vonnissen waarbij hem (contact)verboden zijn opgelegd, kon worden weerhouden van onrechtmatige gedragingen. Nadat de daarin opgelegde termijnen waren verstreken heeft [broer A] zich telkens klaarblijkelijk vrij gevoeld het onrechtmatige gedrag te hervatten. Dat dit gedrag onrechtmatig is, wordt kennelijk ook door [broer A] zo ervaren; [broer A] stelt dat zijn handelen ‘niet dusdanig onrechtmatig is dat...’. Zijn handelen maakt echter een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [broer B] en deze ondervindt daarvan problemen in zijn werkkring. Nu bij herhaling een voorziening in kort geding nodig is geweest om [broer A] van zijn onrechtmatig handelen te weerhouden, acht het hof een termijn van tien jaren aangewezen. [broer B] heeft er belang bij om zich niet telkenmale tot de rechter te hoeven wenden om het handelen een halt toe te roepen. Ook acht het hof een dwangsom van € 1.000,- per overtreding niet buitenproportioneel, gelet op de procedurele voorgeschiedenis. Het is aan [broer A] om zich van onrechtmatig handelen te onthouden en hij heeft het dan ook in de hand om geen dwangsommen te verbeuren.

12. In de zesde grief stelt [broer A] ten onrechte in de proceskosten te zijn veroordeeld. Hij ontkent een inbreuk te hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [broer B].

13. Het hof overweegt dat regel is dat een kostenveroordeling plaatsvindt, maar dat in familiezaken de kosten kunnen worden gecompenseerd. Het hof ziet geen grond de proceskosten te compenseren. Het is het (onrechtmatig) handelen van [broer A], dat wel degelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [broer B] tot gevolg heeft, dat [broer B] ertoe noopt zich tot de rechter te wenden. Het hof acht het daarom niet redelijk, de proceskosten te compenseren en terecht heeft de voorzieningenrechter tot een kostenveroordeling besloten.

14. In de zevende grief stelt [broer A] dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vorderingen heeft toegewezen en daarbij heeft gesteld dat [broer A] tracht om al dan niet via derden [broer B] te bereiken. Het is [broer B] die via deurwaarders contact zoekt en het handelen van [broer A] is daarop een reactie.

15. Het hof overweegt dat uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat [broer A] via derden contact zoekt met [broer B]. [broer B] zoekt geen contact met [broer A], maar incasseert via de deurwaarder hetgeen hem rechtens toekomt. Ook deze grief wordt gepasseerd.

16. Slotsom is dat alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal daarom worden bekrachtigd. [broer A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [broer A] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [broer B] begroot op € 2.981,-, te weten € 299,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, L.F.A. Husson en E.C. Punselie en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2014 in aanwezigheid van de griffier.