Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4289

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
200.149.095/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst in kader eerdere procedure tot teruggeleiding van kinderen gebaseerd op Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV). Uitleg daarvan in het kader van een vordering tot betaling aan de man ter zake van door hem in de HKOV procedure gemaakte kosten, gebaseerd op die overeenkomst. Haviltex-critererium toegepast. Vordering ook afgewezen voor zover de vordering gebaseerd is op onrechtmatige inbreuk op gezagsrecht, omgangsrecht en recht op gezinsleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel; team Familie

Zaaknummer : 200.149.095/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 2431579/13-30840

arrest d.d. 2 december 2014 (bij vervroeging)

inzake

[de man],

wonende te [naam land],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. C.M. Mellema te Amsterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.J.M.H. de Werd te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 7 mei 2014 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 27 februari 2014, gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis. Het verzoek van de man, het bestreden vonnis te verbeteren (ten aanzien van de proceskostenveroordeling) is door de kantonrechter bij vonnis van 31 maart 2014 afgewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis en de daarin vermelde stukken.

De man heeft ter rolzitting van 1 juli 2014 een memorie van grieven genomen, waarin hij drie grieven tegen het bestreden vonnis aanvoert. Bij de memorie van grieven zijn twaalf producties overgelegd (het procesdossier in eerste aanleg).

De vrouw heeft ter rolzitting van 12 augustus 2014 de memorie van antwoord genomen.

Vervolgens hebben partijen ieder hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals deze door de kantonrechter in het bestreden vonnis zijn vastgesteld, is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten zal uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de man, strekkende tot betaling door de vrouw aan hem van een bedrag van € 23.539,71, afgewezen. De kantonrechter heeft de man in de proceskosten veroordeeld.

3. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, onder verbetering van rechtsgronden:

primair: de vrouw zal veroordelen tot nakoming van de ‘two party agreement’ en om binnen twee weken na betekening van het te dezen te wijzen arrest aan de man een bedrag van € 23.539,71 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 6 september 2013, dan wel met ingang van een datum als het hof juist acht;

subsidiair: indien en voor zover het hof oordeelt tot afwijzing van het primaire verzoek, de vrouw alsnog op grond van artikel 1: 162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te veroordelen tot betaling van € 23.539,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de ingetreden schade;

de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het door het hof te wijzen arrest en – voor het geval voldoening van de proces- en nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proces-/nakosten, alsmede te vermeerderen met eventuele incassokosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening; althans de proces-/nakosten te compenseren, in die zin dat iedere partij in beide instanties de eigen kosten draagt;

het in hoger beroep te wijzen arrest, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen, dan wel tot ontzegging daarvan aan de man.

5. Het gaat, kort weergegeven, om het volgende. In oktober 2012 is de vrouw met de minderjarige kinderen van partijen voor een aantal weken naar Nederland vertrokken, waarna zij met de kinderen zou terugkeren naar [naam land], alwaar partijen woonden. De vrouw is op de toegezegde datum in november 2012 niet teruggekeerd. Zij had een echtscheidingsprocedure in Nederland aanhangig gemaakt en daarbij voorlopige voorzieningen verzocht. De man heeft vervolgens een verzoek tot teruggeleiding van de kinderen, gebaseerd op het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) ingediend. In het kader van die laatste procedure hebben partijen in mediation overeenstemming bereikt over de verblijfplaats van de kinderen en alles wat op de toedeling aan ieder van partijen van zorg- en opvoedtaken betrekking heeft. De man heeft zijn verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar [naam land] alsmede zijn verzoek de vrouw te veroordelen tot betaling van de (proces)kosten ingetrokken. In de vaststellingsovereenkomst (‘two party agreement’) is een bepaling opgenomen, waarin partijen verklaren dat de kosten die de man in verband met de HKOV-procedure heeft gemaakt in aanmerking zullen worden genomen bij de afwikkeling van hun huwelijkse vermogen in de echtscheidingsprocedure. Vervolgens hebben partijen in een echtscheidingsconvenant, waarvan de eerdergenoemde vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de kinderen deel uitmaakt, een regeling getroffen over de afwikkeling van hun huwelijkse vermogen. De vraag die partijen nu verdeeld houdt, is of de man kan vorderen dat de vrouw hem een bedrag betaalt voor de door hem in verband met de HKOV-procedure gemaakte kosten.

6. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat noch uit artikel 9.5 van de ‘two party agreement’, noch uit artikel 9.1 van het echtscheidingsconvenant de verplichting van de vrouw tot betaling van de door de man in het kader van de kinderontvoeringsprocedure gemaakte kosten volgt. Partijen verschillen van mening wat de uitleg/bedoeling van deze bepaling in de overeenkomst is. Deze dient te worden beoordeeld aan de hand van de Haviltexmaatstaf. In de ‘two party agreement’ wordt expliciet gesproken over de door de man in het kader van de HKOV-procedure gemaakte kosten. De bepalingen van het HKOV moeten als leidraad worden genomen bij de uitleg van de overeenkomst. Artikel 9.5 van de two party agreement is daarmee geheel in lijn. In het kader van de HKOV-procedure heeft de man nadrukkelijk verzocht om de vrouw te veroordelen tot betaling van zowel de proceskosten alsmede van de kosten die de man heeft moeten maken in het kader van de HKOV-procedure, met inbegrip van zijn reiskosten. Partijen erkennen expliciet dat door de man kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van de HKOV-procedure zijn nimmer onderwerp van gesprek geweest tijdens het opstellen van het echtscheidingsconvenant.

7. De vrouw betwist dat partijen aansluiting hebben willen zoeken bij de bepalingen van het HKOV. Die bepalingen missen bovendien toepassing. De vrouw betwist dat van een ontvoering sprake was. Weliswaar erkent de vrouw dat de man kosten heeft gemaakt in verband met de door hem aanhangig gemaakte teruggeleidingsprocedure, maar partijen zijn niet een betalingsverplichting voor de vrouw overeengekomen. Partijen hebben enkel afgesproken de (eventuele) discussie over de kosten door te schuiven naar de onderhandelingsfase over de gevolgen van de echtscheiding. In dat verband is gesproken over een regeling die alle mogelijke geschillen betreft. Partijen hebben uiteindelijk een allesomvattende regeling getroffen, die ook de kosten inhoudt. De man had als meest gerede partij die kosten kunnen betrekken bij de onderhandelingen. Dit heeft hij niet gedaan en dit kan niet ten nadele van de vrouw komen.

8. Het hof overweegt als volgt. De vraag, die partijen verdeeld houdt - of partijen zijn overeengekomen dat de vrouw door de man in verband met de door hem aanhangig gemaakte teruggeleidingsprocedure gemaakte kosten aan hem moet vergoeden - kan niet worden beantwoord op grond van enkel een (taalkundige) uitleg van de bewoordingen van de overeenkomsten. Ook waar de overeenkomsten zijn gesloten met behulp van advocaten, komt het bij de uitleg van de overeenkomsten aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-norm). Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol.

9. In de ‘two party agreement’ is uitsluitend vermeld dat de man kosten heeft gemaakt in verband met de door hem aanhangig gemaakte HKOV-procedure en dat deze in aanmerking zullen worden genomen bij het regelen van de huwelijkse eigendommen in de echtscheidingsprocedure. De ‘two party agreement’ is opgenomen in het echtscheidingsconvenant; artikel 1.2 van het echtscheidingsconvenant vermeldt dit met zoveel woorden. In het echtscheidingsconvenant is vervolgens een regeling voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden opgenomen. In het echtscheidingsconvenant is als verplichting van moraal en fatsoen van de man opgenomen, dat hij een bedrag van € 375.000, - aan de vrouw zal voldoen. Vervolgens verklaren partijen in artikel 9.1 van het echtscheidingsconvenant dat zij de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid hebben afgewikkeld en zij, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen, genoemd in dit convenant en behoudens de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de ‘two party agreement’ niets meer van elkaar te vorderen hebben.

10. Het hof overweegt dat niet is komen vast te staan dat de vrouw de kinderen van partijen ongeoorloofd naar Nederland heeft gebracht of daar ongeoorloofd heeft achtergehouden in de zin van artikel 3 van het HKOV. Dat partijen dit als vaststaand zouden hebben aangenomen in de ‘two party agreement’ kan daaruit niet worden afgeleid. Er wordt een opsomming van de feiten gegeven tot het moment van het sluiten van die overeenkomst, maar enige waardering van die feiten, die tot die conclusie zou moeten leiden, is daarin niet vermeld. Evenmin valt uit de ‘two party agreement’ af te leiden dat de vrouw in dat opzicht een betalingsverplichting heeft jegens de man. In die overeenkomst is alleen vermeld dat de kosten die de man in dat verband heeft gemaakt in aanmerking zouden worden genomen bij de afwikkeling van het huwelijkse vermogen. Klaarblijkelijk is het in die onderhandelingen door de man niet aan de orde gesteld, dit terwijl de ‘two party agreement’ wel onderwerp is geweest van de besprekingen: deze is deel gaan uitmaken van het echtscheidingsconvenant. Er hebben meerdere besprekingen plaatsgevonden, waarin partijen ieder werden bijgestaan door een advocaat. De afwikkeling van het huwelijkse vermogen heeft in die besprekingen plaatsgevonden. Dat daarbij de kosten van de teruggeleidingsprocedure niet meer expliciet aan de orde zijn gesteld komt voor rekening en risico van de man. De man heeft zich, alles in ogenschouw nemende, genoopt gevoeld de vrouw een bedrag ineens te voldoen en aldus zijn partijen toen overeengekomen.

11. De man wijst er nog op dat in artikel 9.1 van het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat de regelingen zoals getroffen in de ‘two party agreement’ onverkort van toepassing zijn en ook daarom naar zijn mening de vrouw nog is gehouden hem kosten te vergoeden. Finale kwijting voor de verplichtingen, voortvloeiend uit die overeenkomst, is dan ook niet verleend en die rechten en verplichtingen blijven onverkort bestaan. Het hof is van oordeel dat een verwijzing in algemene zin naar verplichtingen die voortvloeien uit de ‘two party agreement’ en ook naar de rechten en verplichtingen in het echtscheidingsconvenant niet voldoende is om tot de conclusie te komen dat de man, nadat de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld, bij welke afwikkeling de kosten van teruggeleiding aan de orde hadden moeten komen, alsnog een vordering ter zake van die kosten te gelde zou kunnen maken. De ‘two party agreement’ ziet ook op andere kosten dan de kosten van teruggeleiding, zoals kosten van de kinderen gedurende vakanties en reiskosten. Hetzelfde geldt voor andere verplichtingen uit het echtscheidingsconvenant. Dat met deze bepaling bedoeld is dat de man na de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en het huwelijkse vermogen nog een geldbedrag ter zake van door hem gemaakt kosten in het kader van een teruggeleiding zou kunnen vorderen, is niet uit het echtscheidingsconvenant af te leiden. In dit verband wijst het hof ook nog op de omstandigheid dat blijkens de beschikking van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2013 de man zijn verzoek de vrouw te veroordelen tot betaling van de (proces)kosten kennelijk zonder enig voorbehoud heeft ingetrokken.

12. De eerste grief van de man faalt op grond van het hiervoor overwogene.

13. In zijn tweede grief stelt de man dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de man een beroep op een onrechtmatige inbreuk op zijn gezagsrecht, omgangsrecht en recht op gezinsleven niet (meer) toekomt en de kosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen uit hoofde van artikel 6: 162 BW. De vrouw wist heel goed dat zij de kinderen zonder toestemming van de man in Nederland had vastgehouden en dat dit in strijd was met zijn hiervoor genoemde rechten. De vrouw trok haar eigen plan en hield derhalve de kinderen ongeoorloofd vast, hetgeen in strijd is met artikel 3 HKOV. De man heeft de vrouw meerdere malen nadrukkelijk verzocht om terug te keren met de kinderen. Een overeenkomst achteraf maakt niet dat de onrechtmatigheid van het voorafgaande gedrag komt te vervallen. De man heeft met pijn in zijn hart de vrouw toestemming gegeven met de kinderen naar Nederland te verhuizen.

14. De vrouw heeft de grief gemotiveerd bestreden. Door de rechter is niet vastgesteld dat de vrouw de kinderen onrechtmatig heeft achtergehouden. De vrouw heeft een andere visie op de periode rondom de echtscheiding en haar verblijf in Nederland die zij in eerste aanleg uitvoerig heeft toegelicht en waarnaar zij verwijst. De vrouw is van mening geen inbreuk te hebben gemaakt op de zorgrechten van de man en, zo dit al het geval zou zijn, is sprake van een rechtvaardigingsgrond, nu de vrouw niet kon terugkeren, gelet op de geplande mondelinge behandeling in de voorlopige voorzieningenprocedure die op verzoek van de man was uitgesteld.

15. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en de gronden waarop dit berust. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen gronden aangevoerd die tot een ander oordeel moeten leiden. Voorts overweegt het hof nog als volgt. Voor aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatige daad moet komen vast te staan dat sprake is van: een onrechtmatige daad (te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt), toerekenbaarheid van de daad aan de dader, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit. Nu partijen over, onder meer, alle punten die het gesteld onrechtmatig handelen van de vrouw betreffen, een regeling hebben getroffen en zij daarnaast ook de zorgregeling voor de kinderen uitputtend hebben geregeld, kan niet worden betoogd dat achteraf nog moet worden vastgesteld dat dit handelen van de vrouw onrechtmatig zou zijn en de vrouw, naast de in de ‘two party agreement’ getroffen regeling, nog schadeplichtig zou kunnen zijn uit hoofde van een onrechtmatige daad. De tweede grief van de man wordt gepasseerd. Aan het betoog van de man over de kosten van de HKOV-procedure, verwoord in zijn tweede grief, komt het hof niet toe.

16. In de derde grief betoogt de man dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. De vrouw heeft hier niet om verzocht en heeft gesteld dat er naar haar mening geen plaats is voor een proceskostenveroordeling, maar dat een compensatie van kosten zou moeten plaatsvinden. Het betreft voorts een familierechtelijk geschil zodat er geen grond is voor een kostenveroordeling.

17. De vrouw stelt niet expliciet om een kostenveroordeling te hebben verzocht, maar dat dit ook niet nodig is.

18. Het hof overweegt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de kosten van de wederpartij, tenzij sprake is van een familierelatie, dan wel sprake is van nodeloos gemaakte kosten. In het laatste geval mogen de kosten geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd.

19. In de onderhavige zaak zijn de partijen ex-echtelieden, zodat er in beginsel plaats is voor een compensatie van kosten. De vrouw heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat er voor een kostenveroordeling in deze procedure volgens haar geen plaats was en heeft gesteld dat het in familiezaken gebruikelijk is dat iedere partij de eigen kosten draagt. Weliswaar betrof het door haar gestelde een reactie op de vordering van de man om haar in de proceskosten te veroordelen, maar zij heeft zelf geen kostenveroordeling gevorderd. Het hof is van oordeel dat, gelet hierop, een kostenveroordeling in eerste aanleg niet op zijn plaats was. Het bestreden vonnis zal in zoverre worden vernietigd.

20. Voor het overige zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren nu partijen ex-echtelieden zijn.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, uitsluitend voor zover dit de veroordeling van de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, J.A. van Kempen en C.M. Warnaar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2014 in aanwezigheid van de griffier.