Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4277

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
22-001776-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft de aangever op straat bestolen en is vervolgens met zijn broer naar het huis van de aangever gegaan, waar zij samen nog meer spullen van de aangever hebben gestolen. Beide diefstallen gingen gepaard met geweld en/of bedreiging met geweld.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001776-13

Parketnummer: 09-900520-12

Datum uitspraak: 22 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 april 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortejaar] 1985,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 december 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderd-twintig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

2:

hij op of omstreeks 26 januari 2011 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (blackberry torch) en/of een Sony Playstation en/of een of meer playstationspellen en/of een tas en/of een geldbedrag (20 euro) en/of een officemes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( met de vuist) slaan in/op/tegen het gezicht van die [benadeelde partij] en/of

- ( bij de kraag) beetpakken van die [benadeelde partij] en/of

- voelen in de zakken/doorzoeken van de kleding van die [benadeelde partij] en/of

- zwaaien met een mesje en/of

- achter die [benadeelde partij] aan rennen en/of die [benadeelde partij] vast proberen te grijpen en/of

- ( nogmaals) voelen in de zakken/doorzoeken van de kleding van die [benadeelde partij] en/of

- zeggen van de woorden: "Kom we gaan nu naar jouw huis en dan ga je me iets geven waardoor ik jou in leven laat" tegen die [benadeelde partij].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

hij op of omstreeks 26 januari 2011 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (blackberry torch) en/of een geldbedrag (20 euro) en/of een officemes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- (met de vuist) slaan in/op/tegen het gezicht van die [benadeelde partij] en/of

- ( bij de kraag) beetpakken van die [benadeelde partij] en/of

- voelen in de zakken/doorzoeken van de kleding van die [benadeelde partij] en/of

- zwaaien met een mesje en/of

- achter die [benadeelde partij] aan rennen en/of die [benadeelde partij] vast proberen te grijpen en/of

- (nogmaals) voelen in de zakken/doorzoeken van de kleding van die [benadeelde partij] en/of

- zeggen van de woorden: "Kom we gaan nu naar jouw huis en dan ga je me iets geven waardoor ik jou in leven laat" tegen die [benadeelde partij]

en

hij op of omstreeks 26 januari 2011 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Sony Playstation en/of een of meer playstationspellen en/of een tas en/of een geldbedrag (20 euro) en/of een officemes, in elk geval , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- ( - (met de vuist) slaan in/op/tegen het gezicht van die [benadeelde partij] en/of

- (bij de kraag) beetpakken van die [benadeelde partij] en/of

- voelen in de zakken/doorzoeken van de kleding van die [benadeelde partij] en/of

- zwaaien met een mesje en/of

- achter die [benadeelde partij] aan rennen en/of die [benadeelde partij] vast proberen te grijpen en/of

- (nogmaals) voelen in de zakken/doorzoeken van de kleding van die [benadeelde partij] en/of

- zeggen van de woorden: "Kom we gaan nu naar jouw huis en dan ga je me iets geven waardoor ik jou in leven laat" tegen die [benadeelde partij] en/of

- (bij de kraag) beetpakken van die [benadeelde partij].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, nu hem een beroep op putatief noodweerexces toekomt. Volgens de raadsvrouw meende de verdachte dat de aangever een mes uit zijn zak zou halen en dat hij zijn moeder daartegen moest beschermen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt en gaat daarbij uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 26 januari 2011 stond de moeder van de verdachte met haar jongste zoon ([getuige]) bij een bushalte in Delft te wachten toen twee jongens op hen afkwamen. Eén van de twee jongens, de aangever [benadeelde partij], sprak [verdachte] aan met de vraag of hij de televisie van aangever had meegenomen.

Op dat moment ging de verdachte, de oudere broer van [getuige], zich ermee bemoeien. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij de aangever had beetgepakt en bij zijn moeder en broer weggehaald omdat hij dacht dat de aangever iets uit zijn zak wilde pakken om daarmee zijn familie aan te vallen.

De aangever, de getuige [getuige] en de broer van de verdachte hebben allen tegenover de politie verklaard dat het mes dat de aangever in zijn jaszak bleek te hebben toen hij op de moeder en broer van de verdachte afliep pas tevoorschijn is gekomen op het moment dat de verdachte het daaruit had gepakt. De ter zitting in eerste aanleg door de moeder van de verdachte afgelegde verklaring dat zij door de stof van aangevers jas heen de vorm van een mes had herkend vindt geen bevestiging in één van de andere verklaringen in het dossier, reden waarom het hof aan deze verklaring voorbij gaat.

Nu het mes dat de aangever bij zich droeg niet is getoond of zichtbaar was, laat staan dat de verdachte en/of zijn broer en/of zijn moeder werd(en) bedreigd met dit mes, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke weder-rechtelijke aanranding waartegen de verdachte zichzelf of zijn familie moest verdedigen.

Nu er naar het oordeel van het hof geen sprake was van een noodweersituatie, kan reeds daarom evenmin sprake zijn geweest van noodweerexces.

Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen bovendien niet de veronderstelling bij de verdachte dat sprake was van een dreigend gevaar, zodat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte hieromtrent verschoonbaar heeft gedwaald.

Gelet op een en ander faalt het beroep van de verdediging op putatief noodweerexces, zodat het verweer wordt verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee dagen met aftrek van voorarrest, een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft de aangever op straat bestolen en is vervolgens met zijn broer naar het huis van de aangever gegaan, waar zij samen nog meer spullen van de aangever hebben gestolen. Beide diefstallen gingen gepaard met geweld en/of bedreiging met geweld. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn mededader hebben er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen en zij hebben zich kennelijk laten leiden door hun eigen financieel gewin, zonder er bij stil te staan dat slachtoffers van delicten als de onderhavige in de regel nog geruime tijd lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hen is aangedaan.

Tevens veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer, alsmede bij personen die er getuige van zijn of er kennis van nemen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheid dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM is overschreden, nu de behandeling in eerste aanleg niet binnen twee jaar is afgerond, alsmede de inzendings-termijn is geschonden. Op 16 april 2013 is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 8 april 2013, terwijl het dossier pas op 28 augustus 2014, derhalve niet binnen acht maanden, is ontvangen. Het hoger beroep is op 8 december 2014 behandeld. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de geringe termijnoverschrijding bij de behandeling in eerste aanleg en de voortvarende behandeling van de zaak in hoger beroep, worden volstaan met de enkele constatering dat sprake is van een schending van de redelijke termijn.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 300,- ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het bedrag van € 300,-.

Dit brengt met zich mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 300,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J.J. van den Honert, mr. M.C.R. Derkx en mr. B.A. Stoker-Klein,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2014.

Mr. B.A. Stoker-Klein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.