Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4275

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
22-003977-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft op de bewezen verklaarde wijze een politieagent in functie beledigd.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003977-13

Parketnummer: 10-095067-13

Datum uitspraak: 16 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1962,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 oktober 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 2.700,-, subsidiair 37 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2013 te Rotterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij], hoofdagent van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft beledigd,

- door die [benadeelde partij] in het openbaar mondeling en/of in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden toe te voegen: "Klootzak, klootzak, je bent Turks hè?" en/of "Dit hoort bij jouw geloof hè? Je krijgt hiervan een stijve pik" en/of 'Kankerturk", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- door een feitelijkheid, te weten door in het gezicht van die [benadeelde partij] te spugen;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2013 te Rotterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij], hoofdagent van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft beledigd,

- door die [benadeelde partij] in het openbaar mondeling en/of in diens tegenwoordigheid mondeling de woorden toe te voegen: "Klootzak, klootzak, je bent Turks hè?" en/of "Dit hoort bij jouw geloof hè? Je krijgt hiervan een stijve pik" en/of 'Kankerturk", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of

- door een feitelijkheid, te weten door in het gezicht van die [benadeelde partij] te spugen;.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft op de bewezen verklaarde wijze een politieagent in functie beledigd. Zodoende heeft de verdachte niet alleen het slachtoffer in zijn eer en goede naam aangetast, maar heeft hij ook blijk gegeven van onvoldoende respect voor het openbaar gezag. Ambtenaren met een publieke taak moeten - in het belang van de openbare orde - kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen vanuit het publiek.

Het hof heeft ook acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 september 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Anderzijds heeft het hof acht geslagen op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan als reactie op door hem als onprofessioneel opgevatte elementen in de bejegening door de politie, nadat deze hem had staande gehouden en overging tot een voorlopig onderzoek uitgeademde lucht en daartoe de komst van apparatuur afwachtte.

Het hof stelt voorop dat het voorkomt dat politieoptreden door degene tot wie het zich richt als onjuist wordt ervaren. Ook dan echter dient de persoon die dit zo ervaart zich te onthouden van het plegen van misdrijven. Dat neemt niet weg dat er, gegeven het begane misdrijf en het uitgangspunt dat begane misdrijven – zo aan de voorwaarden voor strafbaarheid is voldaan - worden bestraft, aanleiding kan bestaan om de op zichzelf gerechtvaardigde straf te matigen op grond van de omstandigheden van het geval.

Ter beoordeling daarvan is de rechter in beginsel aangewezen op het proces-verbaal van de politie als de objectieve kenbron. In de onderhavige zaak blijkt zowel uit de in het proces-verbaal opgenomen verklaring van de verdachte als uit het relaas van de betrokken opsporingsambtenaren, dat de verdachte, in afwachting van de komst van de voor het voorlopig onderzoek uitgeademde lucht noodzakelijke apparatuur, een flesje water begon op te drinken en dat de opsporingsambtenaar [benadeelde partij] daarop aan de verdachte te kennen gaf dat het drinken van water geen invloed had op een blaastest. Deze uitlating werd door de verdachte als provocerend ervaren. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat de getuige [getuige] de volgende ochtend telefonisch is gehoord en daarbij heeft verklaard: “Die mannen vertelde ons dat zij van de politie waren. Hierop vroeg ik aan 1 van de agenten wat de reden was waarom wij aangehouden werden. Ik hoorde de agent tegen mij schelden dat ik mijn muil moest houden. Ik was hier behoorlijk van ontdaan”. In het proces-verbaal wordt deze gang van zaken niet weerlegd, zodat het hof daarvan uit zal gaan.

Het hof acht aannemelijk dat de voor de voorgenomen ambtshandeling niet noodzakelijke en ook overigens nodeloze uitlating van de verbalisant [benadeelde partij] over de invloed van water op de blaastest in combinatie met de onheuse bejegening van [getuige], mede in aanmerking genomen het middernachtelijk tijdstip, een intimiderende indruk op de verdachte en [getuige] heeft gemaakt en dat de daaruit voortvloeiende discussie uiteindelijk in de bewezenverklaarde smakeloze beledigingen is ontaard. Het hof acht op grond daarvan aannemelijk dat deze beledigingen achterwege zouden zijn gebleven indien de verdachte en zijn metgezel [getuige] door de politie strikt zakelijk tegemoet zouden zijn getreden.

Op grond daarvan is het hof - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 250,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen de vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte verweer gevoerd.

Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu gesteld noch gebleken is dat de verdachte kosten heeft gemaakt met het oog op de verdediging tegen de vordering van de benadeelde partij, kan van een kostenveroordeling worden afgezien.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M. Mees,

in bijzijn van de griffier mr. C. de Bruin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 oktober 2014.

Mr. M. Mees is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.