Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4274

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
22-002499-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in 2011 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van haar pasgeboren dochtertje [slachtoffer]. [slachtoffer] was een nog geen drie maanden oude prematuur geboren baby was en het aantal door de verdachte toegebrachte botbreuken groot was.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden met een proeftijd van 3 (drie) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002499-13

Parketnummer: 09-757638-12

Datum uitspraak: 6 mei 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1974,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 22 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks 13 juni 2011 tot en met 02 september 2011 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk haar, verdachtes, dochter [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2011) van het leven te beroven, (telkens) opzettelijk:

- die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) bij de borstkas (bij de ribben) heeft vastgepakt en/of

- in de borstkas van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of

- ( vervolgens) (fors) uitwendig geweld heeft toegepast op die ribben en/of borstkas van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) heen en weer heeft geschud en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) heeft vastgepakt en/of heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) heeft opgepakt en/of opgetrokken en/of opgetild en/of

- die [slachtoffer] heeft laten vallen en/of heeft neergegooid en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig) heeft aangekleed,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 2011 tot en met 02 sept 2011 te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, aan haar, verdachtes, dochter genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2011), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (breuk rechteropperarmbeen en/of breuk rechterellepijp en/of vier, althans meerdere in ieder geval een ribbreuk(en) en/of metafysaire hoekfracturen in beide benen zowel bij de knie en/of de enkel), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (telkens) opzettelijk:

- ( hardhandig en/of met kracht) bij de borstkas (bij de ribben) vast te pakken en/of

- in de borstkas te knijpen en/of

- ( vervolgens) (fors) uitwendig geweld toe te passen op die ribben en/of borstkas van die [slachtoffer] en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) heen en weer te schudden en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) vast te pakken en/of te trekken en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) op te pakken en/of op te trekken en/of op te tillen en/of

- te laten vallen en/of neer te gooien en/of

- ( hardhandig) aan te kleden;

meer subsidiair:
zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks

13 juni 2011 tot en met 02 september 2011 te

's-Gravenhage, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar, verdachtes, dochter genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2011), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet: - die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) bij de borstkas (bij de ribben) heeft vastgepakt en/of

- in de borstkas van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of

- ( vervolgens) (fors) uitwendig geweld heeft toegepast op die ribben en/of borstkas van die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) heen en weer heeft geschud en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) heeft vastgepakt en/of heeft getrokken en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) heeft opgepakt en/of opgetrokken en/of opgetild en/of

- die [slachtoffer] heeft laten vallen en/of heeft neergegooid en/of

- die [slachtoffer] (hardhandig) heeft aangekleed,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:
zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 2011 tot en met 02 september 2011 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk haar, verdachtes, dochter (te weten [slachtoffer], geboren op [geboortejaar] 2011),

- ( hardhandig en/of met kracht) bij de borstkas (bij de ribben) heeft vastgepakt en/of

- in de borstkas heeft geknepen en/of

- ( vervolgens) (fors) uitwendig geweld heeft toegepast op die ribben en/of borstkas en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) heen en weer heeft geschud en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) heeft vastgepakt en/of heeft getrokken en/of

- ( hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of be(e)n(en) heeft opgepakt en/of opgetrokken en/of opgetild en/of

- heeft laten vallen en/of heeft neergegooid en/of

- ( hardhandig) heeft aangekleed,

terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad (te weten:(breuk rechteropperarmbeen en/of breuk rechterellepijp en/of vier, althans meerdere in ieder geval een ribbreuk(en) en/of metafysaire hoekfracturen in beide benen zowel bij de knie en/of de enkel)

- ( hardhandig) bij de borstkas (bij de ribben) heeft vastgepakt en/of in haar borstkas heeft geknepen en/of (vervolgens) (fors) uitwendig geweld heeft toegepast op die ribbenkast/borstkas en/of [slachtoffer] (hardhandig) heen en weer heeft geschud en/of

- ( hardhandig) aan haar arm(en) en/of be(e)n(en) heeft vastgepakt en/of heeft getrokken en/of heeft opgepakt en/of

- heeft laten vallen en/of

- ( hardhandig) heeft aangekleed,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt. Het hof neemt de motivering uit het vonnis gedeeltelijk over, met aanvullingen zoals hierna vermeld.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 juni 11 juli 2011 tot en met 02 september 2011 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, aan haar, verdachtes, dochter genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortejaar] 2011), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (breuk rechteropperarmbeen en/of breuk rechterellepijp en/of vier, althans meerdere in ieder geval een ribbreuk(en) en/of meerdere metafysaire hoekfracturen in beide benen, zowel bij de knie en/of als de enkel), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] (telkens) opzettelijk:

- ( hardhandig en/of met kracht) bij de borstkas (bij de ribben) vast te pakken en/of

- in de borstkas te knijpen en/of

- (vervolgens) (fors) uitwendig geweld toe te passen op die ribben en/of borstkas van die [slachtoffer] en/of

- (hardhandig en/of met kracht) de benen heen en weer te schudden en/of

- (hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of de be(e)n(en) vast te pakken en/of te trekken en/of (hardhandig en/of met kracht) aan een/de arm(en) en/of de be(e)n(en) op te pakken en/of op te trekken en/of op te tillen en/of

- hardhandig en/of met kracht (een) be(e)n(en) te pakken.

te laten vallen en/of neer te gooien en/of - (hardhandig) aan te kleden, .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

1. Inleiding1

Op 13 juni 2011 is de verdachte bevallen van haar dochter [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]).2 [slachtoffer] werd prematuur geboren met 31 weken en had bij geboorte een gewicht van 1400 gram. [slachtoffer] is vanwege de vroeggeboorte tot 11 juli 2011 in het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag verpleegd. Daarna woonde zij thuis bij de verdachte en haar tien maanden oudere broer [broer].3 [vader], de vader van [broer] en [slachtoffer], (hierna: de vader) woonde niet in bij de verdachte en de beide kinderen, maar kwam wel bij de verdachte en de kinderen op bezoek.4

Op 2 september 2011 heeft een kinderarts van het Juliana Kinderziekenhuis melding gedaan bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) van een vermoeden van mishandeling van [slachtoffer]. [slachtoffer] was die dag door de verdachte naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis gebracht, omdat de rechterarm van [slachtoffer] levenloos langs haar lichaam hing. Het ziekenhuisonderzoek wees uit dat [slachtoffer] aan de rechterbovenarm een botfractuur had. Verder bleek dat zij verspreid over haar lichaam meerdere oudere botfracturen had. Vanwege voornoemd letsel is [slachtoffer] opgenomen in het ziekenhuis.

Nadat medewerkers van het AMK met de arts en de verdachte hadden gesproken, is door hen de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming heeft de kinderrechter op 2 september 2011 [slachtoffer] voorlopig onder toezicht van Bureau Jeugdzorg gesteld en een machtiging tot uithuisplaatsing voor [slachtoffer] verleend. Na het ontslag van [slachtoffer] uit het ziekenhuis op 13 september 2011 is zij in een pleeggezin geplaatst.

Namens de Raad voor de Kinderbescherming is op 6 oktober 2011 aangifte gedaan van kindermishandeling gepleegd tegen [slachtoffer].

2. Is [slachtoffer] mishandeld?

Kinderarts dr. L. Visser heeft op 2 september 2011 in het Juliana kinderziekenhuis in Den Haag op röntgenfoto’s een groot aantal botbreuken bij [slachtoffer] geconstateerd: aan de rechterarm, de ribben, de benen en aan een voet van [slachtoffer].5

De heer W.A. Karst, forensisch arts KNMG bij het Nederlands Forensisch Instituut, heeft op basis van de hem uit het dossier beschikbare medische informatie, waaronder het medisch dossier van het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag en bevindingen van kinderradioloog met forensische expertise dr. R.R. van Rijn, een rapport, gedateerd 20 februari 2012, opgesteld.6 Naar aanleiding van nadere vragen heeft W.A. Karst op 19 maart 2013 nader gerapporteerd.7 Ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 mei 2013 is W.A. Karst als deskundige bevraagd.8

Uit zijn rapport blijkt dat op 2 september 2011 bij [slachtoffer] sprake was van een breuk in de schacht van het rechteropperarmbeen, zonder botnieuwvorming of andere zichtbare genezingsreacties, en van een breuk van de rechterellepijp aan de zijde van de elleboog, met botnieuwvorming.9 Daarnaast had [slachtoffer] vier voor- zijwaartse ribbreuken waarbij sprake was van botnieuwvorming.10 Tevens had [slachtoffer] op 2 september 2011 in beide benen, bij zowel de knie als bij de enkel, in totaal in elk geval acht zogenaamde metafysaire hoekfracturen.11

De breuken in de rechterarm zijn volgens de deskundige ontstaan door direct inwerkend geweld of door hefboomwerking, bijvoorbeeld door het optillen van [slachtoffer] aan de elleboog of door een slag met een stomp voorwerp.12 Gelet op de leeftijd van [slachtoffer] waarbij een opvangreactie bij een val nog niet tot de mogelijkheden behoort, wordt een val op de gestrekte arm als mogelijke oorzaak uitgesloten geacht. Nu een van beide breuken bovendien recent voor constatering ontstaan moet zijn, wordt de bevalling als oorzaak tevens onaannemelijk geacht.13

De voor-zijwaartse ribbreuken zijn volgens de deskundige ontstaan door direct inwerkend geweld, meest waarschijnlijk door compressie van de borstkas, zoals bijvoorbeeld in het kader van stevig vastpakken bij een schudincident.14 Ribbreuken zijn zeer zeldzaam bij jonge kinderen vanwege de flexibiliteit van de borstkas en dergelijke breuken ontstaan nooit bij het vastpakken van kinderen in normale omgangssituaties. Voor het ontstaan van een ribbreuk is een aanzienlijke hoeveelheid kracht nodig. Ribbreuken ontstaan uiterst zelden bij een bevalling.15 Ze zijn bij afwezigheid van afwijkingen dan het gevolg van een trauma rondom de bevalling of in de baarmoeder. Nu in het beschikbare medisch dossier geen aanwijzingen zijn gevonden voor een traumatische bevalling en [slachtoffer] bij de geboorte erg klein en licht was, is de bevalling een zeer onwaarschijnlijke oorzaak van de ribbreuken.16

De metafysaire hoekfracturen in de benen worden bij het ontbreken van een andere plausibele verklaring als zeer specifiek voor kindermishandeling beschouwd. Zij passen bij afschuivende krachten loodrecht op de as van het bot,17 zoals bijvoorbeeld in het kader van het heen en weer slingeren van de benen bij een schudincident of bij het heen en weer schudden van een been of het verplaatsen van het lichaam bij het vastpakken van een voet.18 Ter terechtzitting in eerste aanleg is door de deskundige toegelicht dat een dergelijk effect ontstaat door tegengestelde bewegingen met delen van de ledematen waardoor afschuivende krachten ontstaan. Dit kan volgens de deskundige ook ontstaan bij een baby die zich met zijn be(e)n(en) tegen het verschonen van de luier verzet en waarbij door de verzorger (het) de be(e)n(en) in tegengestelde richting wordt of worden bewogen.19 Andere mogelijke oorzaken zoals een uitwendige draaipoging bij een stuitligging, een keizersnede en een klompvoetbehandeling zijn in het geval van [slachtoffer] uitgesloten.20

De deskundige heeft in zijn rapport ook aandacht besteed aan de mogelijkheid van een aandoening als (mede)oorzaak van de bij [slachtoffer] geconstateerde botbreuken. Een aandoening die kan leiden tot minder sterke botten dan gebruikelijk, is de zeldzame genetische aandoening genaamd osteogenesis imperfecta. Omdat bij [slachtoffer] geen sprake was van specifieke kenmerken van die aandoening en de aandoening voor zover bekend niet voorkomt bij familieleden, kan die aandoening volgens de deskundige als mogelijke oorzaak voor de breuken uitgesloten worden geacht. Op basis van het röntgenonderzoek, uiterlijke kenmerken, geslacht en/of het ontbreken van familieleden met eenzelfde aandoening, kan ook uitgesloten worden dat door een andere in de medisch-wetenschappelijke literatuur bekende zeldzame aandoening gemakkelijker dan gebruikelijk botbreuken bij [slachtoffer] konden ontstaan.21

Met betrekking tot alle botbreuken heeft de deskundige Karst samenvattend geconcludeerd dat de combinatie daarvan zeer veel waarschijnlijker is bij een niet-accidentele oorzaak toegebracht letsel) dan bij een accidentele oorzaak (het gevolg van een ongeval of een ongeluk) en/of de geboorte en/of een medische aandoening.22

Het hof kan zich, evenals de rechtbank, vinden in de rapporten van de deskundige en maakt diens conclusies tot de zijne.

In hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat, nu de deskundige over ‘waarschijnlijkheid’ spreekt, onvoldoende is vast te stellen dat de breuken niet accidenteel van aard zijn.

Het hof gaat voorbij aan dit verweer.

Bij wetenschappelijke rapportages als de onderhavige, worden conclusies weergegeven naar mate van waarschijnlijkheid, waarbij de conclusie ‘zeer veel waarschijnlijker’ de hoogst mogelijke graad van de bevindingen is.

Daarbij komt dat in een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2013 is gerelateerd dat volgens de huidige gezinsvoogd van [slachtoffer], mevrouw [gezinsvoogd], het genetisch onderzoek daadwerkelijk heeft uitgesloten dat er een genetisch defect is aan de botten van [slachtoffer]. Uit dat proces-verbaal volgt verder dat de gezinsvoogd heeft verklaard dat [slachtoffer] sinds haar uithuisplaatsing geen botbreuken meer heeft opgelopen, terwijl zij inmiddels loopt en zij — ook volgens het hof — dan ook wel eens zal vallen23.

Nu blijkens het rapport van de deskundige en het hiervoor verder overwogene:

- de (aard en combinatie van de veelheid aan) botbreuken niet passen bij een accidentele oorzaak,

- de botbreuken (elke voor zich, laat staan in combinatie met de andere) niet kunnen worden verklaard door de geboorte,

- [ slachtoffer] geen enkel kenmerk of eigenschap heeft dat past bij een aandoening (met vergelijkbare effecten op de botten) als osteogenesis imperfecta en

- de gezinsvoogd van [slachtoffer] heeft verklaard dat het genetisch onderzoek heeft uitgewezen dat [slachtoffer] niet aan een dergelijke aandoening lijdt, sluit het hof een (of meer) ongeluk(ken), de geboorte en/of een aandoening als oorzaak voor de botbreuken bij [slachtoffer] uit.

Gelet op het voorgaande staat voor het hof zonder meer vast dat het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel niet-accidenteel (toegebracht) letsel betreft, derhalve dat [slachtoffer] is mishandeld.

3. Wanneer is [slachtoffer] mishandeld?

Uit de rapporten van de deskundige volgt dat de betreffende botbreuken op minimaal twee momenten zijn ontstaan, hetgeen leidt tot de conclusie dat er meerdere geweldsincidenten zijn geweest met (een of meer) botbreuk(en) tot gevolg. Volgens de deskundige Karst was de breuk van het rechteropperarmbeen - gelet op de afwezigheid van botnieuwvorming - recenter dan de breuken van de rechterellepijp en de ribbreuken.24 De breuk van het opperarmbeen is meest waarschijnlijk ontstaan op 1 of 2 september 2011. De breuk van de rechterellepijp en de ribbreuken zijn meest waarschijnlijk ontstaan tussen 22 juli 2011 en 12 augustus 2011 (tussen 21 en 42 dagen voor de constatering), en zeer waarschijnlijk tussen 13 juni 2011 (de geboortedag) en 19 augustus 2011 (tussen maximaal 90 dagen en 14 dagen voor de constatering). De metafysaire hoekfracturen zijn niet te dateren.25

Nu het dossier geen enkele aanwijzing bevat voor de veronderstelling dat [slachtoffer] in de eerste weken van haar leven in het ziekenhuis is mishandeld en het letsel in elk geval deels gedateerd kan worden in de periode na haar ontslag uit het ziekenhuis, gaat het hof er vanuit dat alle botbreuken zijn ontstaan in de periode van 11 juli 2011 tot en met 2 september 2011.

4. Hoe moet de mishandeling worden gekwalificeerd?

Het hof stelt voorop dat het - met de advocaat-generaal en de verdediging en in lijn met de conclusies van de deskundige daaromtrent - er niet van uitgaat dat de aanmerkelijke kans aanwezig was dat de aan [slachtoffer] toegebrachte botbreuken de dood ten gevolge hadden kunnen hebben.

Met betrekking tot het letsel overweegt het hof voorts het volgende. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de botbreuken niet als zwaar lichamelijk letsel kunnen worden aangemerkt, mede gelet op de omstandigheid dat het een baby betrof, waarbij botbreuken eerder helen.

Het hof is echter van oordeel dat de breuken niet elk afzonderlijk dienen te worden beschouwd, maar dat uit het geheel van de botbreuken, bij een kleine en kwetsbare baby als [slachtoffer], volgt dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Daarbij is mede van belang dat [slachtoffer] ten gevolge van dit letsel vanaf 2 september 2011 gedurende een periode van tien dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest en dat zij blijkens de verklaring van 13 mei 2013 van de gezinsvoogd mevrouw [gezinsvoogd], dus ruim acht maanden na het constateren van het letsel, nog onder controle bij het ziekenhuis was voor de (gevolgen van de) botbreuken.26

Het hof verwerpt het verweer.

5. Heeft verdachte [slachtoffer] mishandeld?

Bij het beantwoorden van deze vraag wordt vooropgesteld dat de kring van personen die in de periode van 11 juli 2011 tot en met 2 september 2011 in de gelegenheid zouden zijn geweest om [slachtoffer] de botbreuken toe te brengen, zeer gering is te noemen. [slachtoffer] was immers nog een heel erg kleine baby en de verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat zij [slachtoffer] nooit alleen heeft gelaten bij anderen dan zichzelf en de vader.27 Gelet op die verklaring van de verdachte en nu in het dossier ook geen aanknopingspunten zijn gevonden dat anderen(zonder medeweten van de verdachte) in genoemde periode in de gelegenheid zouden zijn geweest [slachtoffer] de botbreuken toe te brengen, behoort mishandeling door anderen dan de verdachte en de vader in elk geval niet tot de mogelijkheden.

Op 2 september 2011 heeft de verdachte in het Juliana Kinderziekenhuis aan medewerkers van het AMK verteld dat de vader nooit alleen met zijn dochter was.28

Bij het gesprek op 7 september 2011 met de Raad voor de Kinderbescherming heeft de verdachte wederom verteld dat zij nooit iemand, ook niet de vader, alleen bij [slachtoffer] liet.29 Bij gelegenheid van haar verhoor bij de politie op 10 april 2012 heeft de verdachte aanvankelijk verklaard dat zij [slachtoffer] één maal in de woning alleen heeft gelaten bij de vader om kort naar de supermarkt te gaan en aan het einde van dit verhoor dat dit meerdere malen het geval was geweest. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 13 april 2012 heeft zij verklaard dat de vader een aantal keren op [slachtoffer] heeft gepast, overdag en ’s-avonds en met haar op een matras in de kamer heeft gelegen. Tijdens de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat de vader meerdere dagen per week op [slachtoffer] heeft gepast. Eerst tijdens die terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij moeilijk kan geloven dat de vader [slachtoffer] zou hebben mishandeld, maar dat dat wel in het beeld past dat hij sinds de uithuisplaatsing van [slachtoffer] helemaal geen contact met haar heeft gezocht.

De verklaringen van de verdachte met betrekking tot de aanwezigheid van de vader bij [slachtoffer] zijn tegenstrijdig. Zij zijn bovendien op geen enkel moment concreet over de mogelijkheid dat de mishandeling(en) door vader zouden kunnen zijn gepleegd. In geen van deze verklaringen heeft verdachte immers gezegd dat zij –als de vader met [slachtoffer] bezig was of op haar had gepast- iets heeft gemerkt dat aanleiding zou kunnen geven tot zorg, bijvoorbeeld dat [slachtoffer] ander gedrag vertoonde of huilerig was dan wel dat de vader boos of geagiteerd was. Integendeel, ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat als zij thuiskwam, [slachtoffer] meestal sliep. Nu ook het dossier geen andere aanknopingspunten bevat acht het hof het niet aannemelijk dat de vader [slachtoffer] heeft mishandeld.

Het hof wordt verder gesterkt in zijn overtuiging dat de verdachte het letsel bij [slachtoffer] heeft toegebracht door de verklaringen uit het dossier over het gedrag van de verdachte en de feiten en omstandigheden zoals deze waren in, voorafgaand aan en direct na de periode waarin het letsel is toegebracht.

Zo was de zwangerschap van [slachtoffer] niet gepland. Deze kwam snel na de bevalling van [broer] (geboren op 23 september 2010). Door de vroeggeboorte was er een moeilijke start en kort nadat [slachtoffer] op 11 juli 2011 thuis was gekomen uit het ziekenhuis begon zij veel te huilen en begon zij slecht te drinken. [slachtoffer] ging vaak voeding terug geven. Tevens verzette [slachtoffer] zich volgens de verdachte met kracht bij het luiers verschonen.30 De verdachte heeft verklaard dat zij na [slachtoffer]’s ontslag uit het ziekenhuis boos was, omdat zij een huilend kind thuis kreeg en niks voelde bij deze boosheid. Ook de mislukte relaties met haar partners (waaronder de vader) maakten haar boos.31

Dat de verdachte zich soms op een hardhandige en gevoelloze manier uitte, wordt bevestigd door verschillende getuigenverklaringen en rapporten.

Het hof overweegt dat het de verklaringen van de vader met behoedzaamheid heeft beschouwd, nu hij er belang bij zou kunnen hebben om belastend over de verdachte te verklaren en ook wisselend heeft verklaard over het gedrag van de verdachte, die hij ook een goede moeder heeft genoemd. Voor zover hij heeft verklaard dat verdachte hardhandig was naar de kinderen32, vindt deze verklaring echter bevestiging in andere verklaringen en rapporten, zodat het hof deze door verdachte verwoorde constatering voor het bewijs zal bezigen.
[getuige 1] (de oma aan vaderszijde) heeft tegenover de politie verklaard dat de verdachte heel snel boos werd, soms tegen haar kinderen schreeuwde en nogal grof met haar kinderen omging. Ze zette hen telkens zo “boem” neer.33 En ook de oudste dochter van de verdachte, genaamd [getuige 2], heeft verklaard dat zij wel eens een duwtje en een tik heeft gekregen van de verdachte en ook dat de verdachte af en toe een beetje gek werd en vaak schreeuwde.34

Omtrent het gedrag naar [slachtoffer] en de emoties die de verdachte toonde na de opname van [slachtoffer] in het ziekenhuis zijn verklaringen afgelegd die in de rapportages zijn weergegeven en eveneens steun bieden aan het hiervoor geschetste beeld. Het AMK heeft gerapporteerd dat er zorgen waren over de binding tussen de verdachte en haar dochter. Uit het raadsrapport van 13 oktober 2011 volgt dat mevrouw T. van der Krogt-Raboen, ambulant spoedhulpverlener Jeugdformaat, op 13 oktober 2011 constateert dat het verschil in hechting tussen moeder en [slachtoffer] en moeder en [broer], groot is. Daarnaast valt haar op dat moeder niet meer voorzichtig met [slachtoffer] omgaat, dan met een kind zonder botbreuken. De verdachte maakte tijdens het eerdergenoemde gesprek op 2 september 2011 een weinig emotioneel betrokken indruk naar haar dochter. Er werd geconstateerd dat als [slachtoffer] huilde, de verdachte daar niet op reageerde. Ook niet als de verpleging [slachtoffer] ophaalde.35
Door verschillende verpleegkundigen in het Juliana Kinderziekenhuis is verklaard dat de interactie tussen de verdachte en [slachtoffer] een wisselend beeld gaf. Ten tijde van de opname richtte de verdachte zich op [broer] en niet op [slachtoffer]. Zij noemde [slachtoffer] “het meisje” in plaats van bij haar naam en ze negeerde [slachtoffer] wanneer zij huilde.36

Gelet op het voorgaande beantwoordt het hof de vraag of de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld, bevestigend.

6. Conclusie

Het hof acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair is ten laste gelegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, alsmede met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van behandeling bij De Waag of begeleiding/trainingen door stichting Mee.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in 2011 schuldig gemaakt aan zware mishandeling van haar pasgeboren dochtertje [slachtoffer]. Feiten als deze, kindermishandeling, roepen gevoelens van afschuw, onbegrip en onrust op, niet alleen in de naaste omgeving van het gezin, maar ook in de maatschappij als geheel. Dat geldt in deze zaak des te meer, omdat [slachtoffer] een nog geen drie maanden oude prematuur geboren baby was en het aantal door de verdachte toegebrachte botbreuken groot was.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf weegt het hof mee dat de verdachte zich met twee zeer kleine kinderen, waarvan de jongste door de premature geboorte extra zorg nodig had en een problematische partnerrelatie, in een moeilijke, zware situatie bevond. Het hof rekent de verdachte aan dat zij tegen die achtergrond en onder die omstandigheden niet de hulp van anderen, familie of hulpverleners heeft gezocht, maar [slachtoffer], die geheel afhankelijk van haar was, het slachtoffer heeft laten worden van haar onvermogen goed voor haar kind te zorgen, zozeer dat zij het kind zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

Het hof heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek Pro Justitia, rapporteur dr. R.A.R. Bullens, psycholoog, gedateerd 22 augustus 2012 en het psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, rapporteur K. Foeken, psychiater. In beide onderzoeken is geconcludeerd dat, gelet op de ontkenning van verdachte, geen uitspraken kunnen worden gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en het eventuele recidiverisico.
De psycholoog heeft voorts in zijn rapport -onder meer- aangegeven dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid, dat zij over onvoldoende coping vaardigheden blijkt te beschikken en tekortschiet in probleemoplossend vermogen en dat bovendien sprake is van de nodige (voornamelijk) indirecte c.q. ingehouden agressie.
De psychiater heeft –onder meer- verwoord dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychiatrische stoornis, dat de verdachte een in cognitief en emotioneel opzicht beperkte indruk maakt, dat ze de indruk maakt weinig structuur in haar leven aan te kunnen brengen en dat hierdoor de kans bestaat dat zij overbelast raakt.

Voorts heeft het hof kennis genomen van het Tripelrapport/Milieuonderzoek van Reclassering Nederland, rapporteur L.C. Stelwagen, gedateerd 25 augustus 2012.

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2014, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Met betrekking tot de op te leggen straf overweegt het hof in het bijzonder het navolgende.
De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel geen andere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof ziet in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ook hierna vermeld, aanleiding om deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van drie jaar. Voorts wordt van belang geacht dat de verdachte gedurende de periode dat zij onder toezicht staat van de reclassering, behandeling volgt bij De Waag en begeleid wordt door de stichting MEE.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op hetgeen door de deskundigen over de persoonlijkheid van de verdachte is gerapporteerd. Voorts heeft het hof in hoge mate rekening gehouden met hetgeen is verwoord in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde brief van de gezinsvoogd van [broer], de nog jonge zoon van de verdachte, voor wie zij de dagelijkse zorg heeft. Deze gezinsvoogd heeft namens Jeugdzorg aangegeven dat een onvoorwaardelijke detentie van de verdachte de ontwikkeling van [broer] ernstig kan schaden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat naast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Bepaalt dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag, of begeleiding door de stichting MEE.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. J.W. van Rijkom en mr. H.J.M. Smid-Verhage, in bijzijn van de griffier mr. R.S. Wijkstra.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2014.

De raadsheer mr. H.J.M. Smid-Verhage is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegdeopsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1524 2011211363 van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 207).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 36

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 35

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 119 en 120

5 Proces-verbaal, p. 136 en 137, betreffende een rapport ‘Raadsonderzoek civiele zaken’ van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 13 oktober 2011 (hierna: het Raadsonderzoek), aangaande een gespreksverslag van 23 september 2011 omtrent de bevindingen van dr. L. Visser, kinderarts bij het Juliana Kinderziekenhuis

6 Een geschrift, te weten een forensisch medische rapportage d.d. 20 februari 2012, van W.A. Karst, forensisch arts KNMG bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI-rapport I)

7 Een geschrift, te weten een forensisch medische rapportage d.d. 19 maart 2013, van W.A. Karst, aangaande de beantwoording van aanvullende vragen (hierna: NFI-rapport II)

8 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting van 17 mei 2013, inhoudende de deskundigenverklaring van W.A. Karst

9 NFI-rapport I, p. 5

10 NFI-rapport I, p. 7

11 NFI-rapport I, p. 8

12 NFI-rapport II, p. 2

13 NFI-rapport I, p. 6

14 NFI-rapport 11, p. 3

15 NFI-rapport I, p. 7

16 NFI-rapport I, p. 8

17 NFI-rapport I, p. 8

18 NFI-rapport II, p. 3

19 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting van 17 mei 2013, inhoudende de deskundigenverklaring van W.A. Karst

20 NFI-rapport II, p. 3

21 NFI-rapport I, p. 9

22 NFI-rapport I, p. 10

23 aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 13 mei 2013

24 NFI-rapport I, p. 6 en 7, NFI-rapport II, p. 3

25 NFI-rapport I, p. 10

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2013, opgemaakt door officier van justitie mr.I.J.E.H.C. Degeling

27 Proces-verbaal van bevindingen, p. 121; Zie het proces-verbaal ter terechtzitting van 17 mei 2013, inhoudende de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte

28 Proces-verbaal, p. 168, betreffende het AMK-formulier ‘verzoek raadsonderzoek’ d.d. 2 september 2011

29 Proces-verbaal van aangifte, p. 37

30 Proces-verbaal van bevindingen, p. 121

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 100

32 Proces-verbaal van bevindingen, p. 109 en 112

33 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 77 en 79

34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 205

35 Proces-verbaal, p. 168, betreffende het AMK-formulier ‘verzoek raadsonderzoek’ d.d. 2 september 2011

36 Proces-verbaal, p. 143, betreffende het Raadsonderzoek, aangaande een gespreksverslag van 5 september 2011, inhoudende de verklaring van verschillende verpleegkundigen van het Juliana kinderziekenhuis