Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4273

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
22-000271-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een woning door middel van flipperen.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000271-14

Parketnummer: 09-817137-14

Datum uitspraak: 25 november 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 21 januari 2014 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortejaar] 1972,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 09 januari 2014 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan het [adres]) weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of een valse sleutel, zich naar voornoemde woning heeft begeven en/of (vervolgens) met een stuk plastic heeft "geflipperd" tussen (de) deur(kozijn) en het slot van voornoemde woning en/of (vervolgens) voornoemde woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 09 januari 2014 te Rijswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan het [adres]) weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of een valse sleutel, zich naar voornoemde woning heeft begeven en/of (vervolgens) met een stuk plastic heeft "geflipperd" tussen (de) het deur(kozijn) en het slot van voornoemde woning en/of (vervolgens) voornoemde woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die in de woning aan het [adres] is geweest. Voorts heeft de raadsman betoogd dat het voor diefstal vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet kan worden vastgesteld. Als de verdachte al in de woning zou zijn geweest, kan daarom slechts gesproken worden van huisvredebreuk. Dat is echter niet ten laste gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De aangever, [benadeelde partij], woonachtig op het [adres], heeft verklaard dat op 9 januari 2014 omstreeks 17.40 uur werd aangebeld bij de centrale toegangsdeur van de flat. [benadeelde partij] had de deur niet opengedaan. Enkele minuten later hoorde [benadeelde partij] dat er werd gerommeld aan zijn buitendeur, waarop hij naar de hal is gelopen. Hij zag een donker getinte, kale man in donkere kleding in zijn hal staan. De man vluchtte vervolgens uit de woning van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] heeft vanuit het keukenraam gezien dat de man via de galerij naar beneden liep en in een grijze personenauto stapte. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 9 januari 2014 omstreeks 17.30 uur thuiskwam aan het [adres] en dat hij aan het einde van de parkeerplaats een auto zag staan waarvan het linker portier openstond. Op de bijrijdersstoel zag hij een persoon zitten. [getuige] hoorde vervolgens van zijn buurman, [benadeelde partij], dat er zojuist bij [benadeelde partij] was ingebroken en dat de dader naar een auto op het parkeerterrein was gelopen. [benadeelde partij] wees vervolgens de auto aan waarvan [getuige] het linker portier had zien openstaan. [getuige] is vervolgens naar deze auto gelopen om het kenteken te zien. Hij zag een persoon met donkere kleding de auto instappen en wegrijden. In het voorbijgaan van de auto zag [getuige] dat het een metallic grijze Huyndai met het kenteken [kentekennummer] betrof. Deze auto werd iets na 17.50 uur rijdend in de richting van Rotterdam aangetroffen en de inzittenden - verdachte als bestuurder van de auto en [medeverdachte] als bijrijder - werden aangehouden. Er heeft vervolgens een enkelvoudige spiegelconfrontatie plaatsgevonden met de verdachte en [medeverdachte]. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij de verdachte voor 100% herkende als zijnde de man die op 9 januari 2014 in zijn woning stond. Hij herkende de man aan zijn houding, zijn gezicht, zijn kleding, zijn tint en aan het feit dat hij kaal was. Voorts heeft [benadeelde partij] verklaard dat hij [medeverdachte] niet herkende als zijnde de man die op 9 januari 2014 in zijn woning stond.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van het hof met voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat de verdachte de persoon is geweest die op 9 januari 2014 in de woning van [benadeelde partij] is geweest. Het verweer dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die in de woning aan het [adres] is geweest, wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het verweer dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet valt vast te stellen, overweegt het hof het volgende.

In de auto van de verdachte zijn inbrekerswerktuigen aangetroffen, te weten een stuk plastic, ambtshalve bekend als een “flipper”, en handschoenen. Voorts blijkt uit de verklaring van aangever [benadeelde partij] dat eerst is aangebeld bij de centrale toegangsdeur, waarop door [benadeelde partij] niet is gereageerd en dat [benadeelde partij] enkele minuten later hoorde dat er werd gerommeld aan zijn buitendeur, waarna hij de verdachte in de hal van zijn woning aantrof, die zichtbaar schrok van zijn aanwezigheid en vervolgens wegrende. Dit samenstel van feiten schreeuwt om een uitleg van de verdachte.

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over zijn aanwezigheid op het [adres] te Rijswijk. Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat hij misschien wel via Rijswijk is gereden, maar dat hij nergens heeft stilgestaan met de auto. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte echter verklaard dat hij op 9 januari 2014 als bestuurder van een auto naar Rijswijk is gereden, waar hij op het [adres] uit zijn auto is gestapt omdat hij moest plassen.

De verklaring van [benadeelde partij] waaruit het hof opmaakt dat voorafgaand aan het openen van de buitendeur van de woning kennelijk is gecontroleerd of iemand in de woning aanwezig was, de aanwezigheid van inbrekerswerktuigen in de auto van de verdachte en de wisselende en daarom ongeloofwaardige verklaringen van de verdachte over zijn aanwezigheid in Rijswijk, maken, in onderling verband en samenhang bezien, dat het naar het oordeel van het hof niet aan twijfel onderhevig is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal zoals ten laste is gelegd. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een woning door middel van flipperen. De woning is een plek waar men zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De verdachte heeft er door zijn handelen blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke eigendommen en de persoonlijke levenssfeer van anderen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J.J. van den Honert, mr. R.C. Schlingemann en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 november 2014.