Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4268

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
14-01-2015
Zaaknummer
22-003471-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstallen uit een winkel en vernieling.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003471-14

Parketnummers: 10-741157-14, 10-691222-09 (TUL) en

10-701111-12 (TUL)

Datum uitspraak: 24 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortejaar] 1962,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 12 december 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. Voorts is in eerste aanleg de tenuitvoerlegging gelast van de onder parketnummer 10-701111-12 voorwaardelijke opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaren en is de vordering tot tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 10-691222-09 voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep is vervolgens op 17 oktober 2014 gedeeltelijk ingetrokken.


Bevoegdheid van het hof

Ter terechtzitting in hoger beroep is de vraag aan de orde gesteld of dit hof bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel onder parketnummer 10-701111-12.

De advocaat-generaal heeft hierop geconcludeerd dat het hof zich onbevoegd dient te verklaren ten aanzien van het hoger beroep tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en deze zaak dient te verwijzen naar het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

De verdediging heeft zich achter dit standpunt geschaard.

Met betrekking tot de bevoegdheid van het hof om kennis te nemen van het door de verdachte ingestelde hoger beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, overweegt het hof het navolgende.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer te Rotterdam van 13 juli 2012 onder parketnummer 10-701111-12 is aan de verdachte – voor zover hier van belang - een voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren opgelegd, met een proeftijd van 2 jaren en onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. In eerste aanleg

is de tenuitvoerlegging deze voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel gelast.

Uit artikel 509ff, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij uitsluiting bevoegd is van het hoger beroep tegen de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel kennis te nemen. Het hof zal zich derhalve niet bevoegd verklaren tot kennisneming van het door de verdachte ingestelde hoger beroep tegen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel en de zaak in zoverre naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwijzen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 22 april 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere pompoenbrood(jes) en/of kaas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan HEMA, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.


hij op of omstreeks de periode van 24 augustus 2012 tot en met 25 augustus 2012 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere ruit(en)/ra(a)m(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan BSO Kinderdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.


hij op of omstreeks 03 september 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (te weten (ongeveer) 420 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op of omstreeks 22 april 2014 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere pompoenbrood(jes) en/of kaas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan HEMA, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.


hij op of omstreeks in de periode van 24 augustus 2012 tot en met 25 augustus 2012 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk één of meerdere ruit(en)/ra(a)m(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan BSO Kinderdam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.


hij op of omstreeks 03 september 2013 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld (te weten (ongeveer) 420 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities - bepleit dat sprake is geweest van een schending van artikel 6 van het EVRM, meer specifiek van een schending van het beginsel van equality of arms, zodat het proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 april 2014 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2014, opgemaakt door [verbalisant], dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte, doordat geen uitdraai is gemaakt van alle kassa’s, niet de mogelijkheid heeft gehad om door middel van een objectief bewijsmiddel gegevens naar voren te brengen en het gepresenteerde bewijsmateriaal te betwisten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het feit dat niet alle door de verdediging verzochte onderzoekshandelingen zijn verricht, betekent niet dat er sprake is geweest van een schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. In deze zaak wordt de enkele stelling van de verdachte, dat hij de goederen die in zijn jaszakken zijn aangetroffen eerder had gekocht, weerlegd door de waarnemingen van de verbalisant zoals gerelateerd in het proces-verbaal van aanhouding van 22 april 2014. De verbalisant heeft gezien dat de verdachte twee broodjes pakte en in zijn linker jaszak stopte, en vervolgens een pak kaas in de linker binnenzak van zijn jas. De verbalisant heeft gezien dat de verdachte daarna naar de kassa liep, alleen karnemelk afrekende en de winkel uitliep zonder de andere producten af te rekenen. De verdachte is daarna direct aangehouden, waarbij in zijn jaszakken de broodjes en de kaas zijn aangetroffen. Onder die omstandigheden acht het hof het achterwege laten van een onderzoek bij alle kassa’s niet strijdig met artikel 6 EVRM. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat aan de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde een ISD-maatregel zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan diefstallen en vernieling. Dit zijn ergerlijke feiten die naast financiële schade voor de benadeelden ook overlast met zich meebrengen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds vele malen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de zich in het dossier bevindende reclasseringsrapportages van 13 november 2013 en 15 mei 2014, waarin wordt geadviseerd aan de verdachte een ISD-maatregel op te leggen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat het opleggen van een ISD-maatregel aan de verdachte, gelet op verdachtes uittreksel Justitiële Documentatie en gelet op de reclasseringsadviezen, in de rede zou liggen. Nu het hof Arnhem‑Leeuwarden - zoals hiervoor vermeld - als bevoegde instantie in hoger beroep zal gaan oordelen over de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte onder parketnummer 10-701111-12 voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, zal het hof aan de verdachte in de onderhavige zaak geen ISD-maatregel opleggen. Het hof acht het hof Arnhem-Leeuwarden, gelet op zijn voormelde bevoegdheid, beter toegerust om te beoordelen of het opleggen van een ISD-maatregel aan de verdachte, door middel van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, op dit moment wenselijk en noodzakelijk is.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de meervoudige kamer te Rotterdam van 28 september 2010 onder parketnummer 10-691222-09 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 82 dagen, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat deze vordering wordt afgewezen.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Naar het oordeel van het hof zijn er echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken en gelet op het feit dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2014 sinds april 2014 niet meer in aanraking is gekomen met politie of justitie, geen termen aanwezig voor toewijzing van de vordering. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zich niet bevoegd tot kennisneming van de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel, met parketnummer 10-701111-12 en verwijst de zaak in zoverre naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 20 juni 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Rotterdam van 28 september 2010, parketnummer 10-691222-09, voorwaardelijk opgelegde een gevangenisstraf voor de duur van 82 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van de Poll, mr. G. Knobbout en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. L.A.M. Karels.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 december 2014.

Mr. G. Knobbout en mr. C.J. van der Wilt zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.