Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4256

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
BK-13-01736 t-m BK-13-01740
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:13139, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld de vraag of belanghebbende terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder van de bankrekening bij de KB Lux met rekeningnummer [B]. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is voorts in geschil of de Inspecteur terecht over de jaren 2004 tot en met 2008 correcties heeft aangebracht ter zake van buitenlandse banktegoeden. Voorts is in geschil of de heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht, of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding en of belanghebbende in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/300
FutD 2015-0396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-13/01736 tot en met 13/01740

Uitspraak d.d. 31 december 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 1 oktober 2013, nummers SGR 13/1351 tot en met 13/1355, betreffende de hierna vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft met dagtekening 13 september 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [A]) in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.552 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.803. Voorts is heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft met dagtekening 21 oktober 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [A]) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.930 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.610. Voorts is heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.3.

De Inspecteur heeft met dagtekening 15 november 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag (aanslagnummer [A]) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 17.590. Voorts is heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 11 juni 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag (aanslagnummer [A]) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.257 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.713. Voorts is heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 23 juli 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer [A]) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.261 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.805. Voorts is heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.6.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 januari 2013 de aanslagen, alsmede de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente verminderd.

1.7.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is € 44 griffierecht geheven.

1.8.

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, doch alleen voor zover deze betrekking hebben op de beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding, bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 2.121, te betalen aan belanghebbende en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Bij brief van 18 november 2014 heeft belanghebbende een nader stuk ingezonden waarvan door tussenkomst van de griffier een afschrift is verzonden aan de Inspecteur.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 november 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zittingen verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 1 tot en met 24 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als 'eiser' en de Inspecteur als 'verweerder' heeft aangeduid.

"1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag.

De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de afdrukken van de microfiches.

2. Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als rekeninghouder ter zake van bij de KB Lux aangehouden rekening met nummer [B]. De door verweerder ontvangen informatie (hierna: het renseignement) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

[C] VUE [Y] 47,79

[C] TER LDO[Y] 100.000,00”.

De op het renseignement voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi per 31 januari 1994 in Nederlandse guldens.

3. Eiser, geboren [in] 1937, is gehuwd. Eiser heeft een zoon genaamd [W]. Zijn zoon is in 1994 naar Suriname geëmigreerd. Eiser is voor de onderhavige jaren beschreven voor de inkomstenbelasting. Hij heeft in zijn aangiften geen inkomensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KB Lux.

4. Verweerder heeft eiser op 6 november 2002 een vragenbrief gestuurd ter zake van zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) inzake omkering van de bewijslast. Als bijlage bij deze brief is een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. In dit formulier wordt van eiser gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest. Eiser heeft het formulier “Verklaring buitenlandse rekeningen” op 13 november 2002 ondertekend en daarin aangegeven dat hij geen buitenlandse bankrekening heeft.

5. Bij brief van 18 november 2002 heeft verweerder eiser, onder verwijzing naar vorengenoemde artikelen inzake omkering van de bewijslast, verzocht om alsnog nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van een door hem bij de KB Lux gehouden bankrekening. Bij deze brief was een modelbrief gevoegd, met daarin het verzoek aan de KB Lux om toezending van de overzichten van de rekening [B] vanaf 31 december 1989. Eiser heeft de vragenbrief van verweerder niet beantwoord.

6. Op 25 november 2002 is door een medewerker van de FIOD een proces-verbaal van de identificatie van eiser als rekeninghouder opgemaakt.

7. Met dagtekening 31 december 2002 is aan eiser een navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 alsmede een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 opgelegd, met verhogingen van 100%. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

8. Bij brieven van 8 januari 2003 en 18 februari 2003 heeft verweerder aan eiser nogmaals een afschrift van de eerder genoemde modelbrief verstrekt. In de brief van 18 februari 2003 heeft verweerder eiser verzocht om de modelbrief te ondertekenen en deze naar hem te retourneren, waarna hij voor verzending daarvan aan de KB Lux zou zorgen. Eiser heeft aan dit verzoek niet voldaan. Wel is er in deze periode schriftelijk en telefonisch contact geweest tussen eiser en verweerder.

9. Met dagtekening 31 mei 2003 zijn aan eiser navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 2000 alsmede navorderingsaanslagen vermogensbelasting 1992 tot en met 2000 opgelegd, met verhogingen respectievelijk vergrijpboetes van 100%. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is eiser wederom in de gelegenheid gesteld om alsnog de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eiser heeft ook in de bezwaarfase ontkend dat hij een rekening bij de KB Lux heeft (gehad).

10. Bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2004 zijn de bezwaren van eiser tegen de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen, verhogingen respectievelijk vergrijpboetes ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. Deze navorderingsaanslagen en verhogingen respectievelijk vergrijpboetes staan mitsdien onherroepelijk vast.

11. Met dagtekening 10 september 2004 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2001 en met dagtekening 17 juni 2005 voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

12. Eiser heeft tegen de onder 11 vermelde aanslagen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 augustus 2006 zijn de aanslagen gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag voor het jaar 2001 gegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit oordeel is door het Hof in zijn uitspraak van 25 juli 2012, nrs. BK-09/00600 en BK-09/00601, ECLI :NL:GHSGR:2012:BZ0300, bevestigd. De rechtbank heeft het beroep inzake de aanslag voor het jaar 2003 ongegrond verklaard. Dit oordeel is door het Hof in de hiervoor genoemde uitspraak van 25 juli 2012, vernietigd. De aanslag is door het Hof verminderd in die zin dat bij de berekening van de correctie ter zake van de buitenlandse banktegoeden de factor 1,5 is geëlimineerd.

13. Eiser heeft voor het jaar 2004 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.552. Bij brief van 31 januari 2006 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om van de aangifte af te wijken.

14. In reactie op het voornemen van verweerder heeft de gemachtigde van eiser bij brief van

16 februari 2006 aan verweerder meegedeeld dat eiser geen buitenlands vermogen heeft en dat de aangifte juist is. Verder heeft de gemachtigde verzocht om inzage in de gegevens en de bescheiden waarop de correctie is gebaseerd.

15. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiser en zijn gemachtigde bij brief van 9 maart 2006 uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van de Belastingdienst. Het gesprek heeft plaatsgevonden op 10 april 2006. Naar aanleiding van het gesprek heeft verweerder nogmaals een afschrift van de eerder genoemde modelbrief waarmee eiser gegevens met betrekking tot rekeningnummer [B] bij KB-Lux kan opvragen, aan de gemachtigde toegestuurd.

16. Bij brief van 22 juni 2006 heeft verweerder eiser nogmaals gevraagd om de verzochte informatie over de aangifte voor het jaar 2004 te verstrekken. In reactie heeft de gemachtigde bij brief van 18 augustus 2006 aan verweerder meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met de voorgenomen correcties.

17. Bij brief van 30 augustus 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de voorgenomen correcties heeft gehandhaafd en dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 is vastgesteld zoals meegedeeld in de brief van 31 januari 2006. De aanslag is gedagtekend 13 september 2006. Op 25 oktober 2006 heeft eiser tegen deze aanslag bezwaar gemaakt.

18. Eiser heeft voor het jaar 2005 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 7.204 en voor het jaar 2006 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.942. Bij brief van 1 juli 2008 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van deze aangiften. Verweerder heeft eiser verzocht nadere informatie te verschaffen over de aangiften. Bij brief van 11 juli 2008 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat hij geen buitenlands vermogen heeft.

19. Bij brief van 12 september 2008 heeft verweerder herhaald dat hij voornemens is om af te wijken van de aangiften voor de jaren 2005 en 2006. In reactie op het voornemen van verweerder heeft de gemachtigde bij brief van 29 september 2008 aangegeven niet akkoord te gaan met de voorgenomen correcties.

20. Bij brief van 3 oktober 2008 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de voorgenomen correcties heeft gehandhaafd en dat de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2005 en 2006 zijn vastgesteld zoals meegedeeld in de brief van 12 september 2008. De aanslagen zijn gedagtekend 21 oktober 2008 en 15 november 2008. Op 2 respectievelijk 3 december 2008 heeft eiser tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt.

21. Eiser heeft voor het jaar 2007 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.670 en voor het jaar 2008 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.607. Bij brief van 20 april 2010 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van deze aangiften. De gemachtigde heeft bij brief van 4 mei 2010 laten weten niet akkoord te gaan met de voorgenomen correcties.

22. Bij brief van 10 mei 2010 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de voorgenomen correcties heeft gehandhaafd en dat de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2007 en 2008 zijn vastgesteld zoals vermeld in de brief van 20 april 2010. De aanslagen zijn gedagtekend 11 juni 2010 en 23 juli 2010. Op respectievelijk 18 juli 2010 en 3 september 2010 heeft eiser tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt.

23. Bij brief van 29 juni 2012 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om de bezwaren van eiser af te wijzen. In reactie op dit voornemen heeft de gemachtigde bij brief van 18 juli 2012 aangegeven dat hij wil worden gehoord. Het hoorgesprek heeft plaatsgevonden op 17 september 2012. Van het hoorgesprek is een verslag opgemaakt, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort.

24. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 8 januari 2013 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiser. De aanslagen zijn verminderd in die zin dat bij de berekening van de correctie ter zake van de buitenlandse banktegoeden de factor 1,5 is geëlimineerd. Daarbij is aan eiser geen proceskostenvergoeding toegekend."

3.2.

Voorts zijn in hoger beroep nog de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

3.3.

Belanghebbende heeft een kopie van een brief van de KBLux overgelegd met dagtekening 26 april 2013, gericht 'Aan de rechthebbende'.

De inhoud daarvan luidt als volgt:

"Wij hebben uw brief van 25 maart 2013 in goede orde ontvangen.

Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken.

Om die reden voeren wij geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen reglement der verrichtingen."

3.4.

Tevens heeft belanghebbende als aanvulling op zijn ingediende hogerberoepschrift een verklaring van rekeninghouderschap van de KB Lux van 19 februari 2014 in het geding gebracht. De inhoud daarvan bevat – zakelijk weergegeven – de openingsdatum van 28 juli 1993 en de sluitingsdatum van 27 april 1994, van de bankrekening met nummer [B].

In deze verklaring is de navolgende tekst opgenomen:

"Naar aanleiding van uw verzoek, bevestigen wij dat u de rekeninghouder was van de volgende rekening voor de periode:

Rekening no

Geopend op

Afgesloten op*

Periode van

rekeninghouderschap

[B]

28/07/1993

27/04/1994

Van 28/07/1993 tot 27/04/1994

*Deze datum werd ingevuld indien de rekening werd afgesloten.

De naam [V] is door onze administratie abusievelijk vermeld als eerste rekeninghouder, wij hebben geen geboortedatum, noch een handtekening van deze persoon in ons systeem."

De brief van de KB Lux is gericht aan de heer [W], [U] te [Z].

3.5.

Tenslotte heeft belanghebbende als onderdeel van zijn nader ingediende stuk een schrijven van 24 oktober 2014 van de KB Lux overgelegd, gericht aan mevrouw[W],[U], [Z], betreffende rekening [B]. De brief luidt als volgt:

"Mevrouw,

Wij verwijzen naar uw aanvraag van 7 oktober 2014.

Wij informeren u, dat wij u jammer genoeg geen kopie van het openingsformulier toesturen kunnen.

De bank is verplicht om minimum 10 jaar documenten te bewaren. Na deze termijn worden de meeste documenten vernietigd.

Wij hebben in uw geval nagekeken en geconstateerd dat dit document reeds vernietigd werd."

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Partijen houdt verdeeld de vraag of belanghebbende terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder van de bankrekening bij de KB Lux met rekeningnummer [B]. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is voorts in geschil of de Inspecteur terecht over de jaren 2004 tot en met 2008 correcties heeft aangebracht ter zake van buitenlandse banktegoeden. Voorts is in geschil of de heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening is gebracht, of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding en of belanghebbende in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen overeenkomstig de ingediende aangiften, vernietiging van de beschikkingen inzake de heffingsrente en toekenning van een schadevergoeding en een proceskostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep en tot vergoeding van de geheven griffierechten (rechtbank en Hof).

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als 'eiser' en de Inspecteur als 'verweerder' heeft aangeduid.

"Identificatie

29. De rechtbank begrijpt dat eiser niet langer betwist dat voornoemde rekening bij de KB Lux met rekeningnummer [B] op naam staat van eiser en zijn zoon. Eiser betwist echter wel dat hij als rechthebbende tot die rekening heeft te gelden. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij slechts als gevolmachtigde heeft te gelden en dat zijn zoon de rekeninghouder was. Ter ondersteuning hiervan heeft hij de volgende verklaringen van zijn zoon van 15 juni en 20 juni 2013 gericht aan verweerder overgelegd.

“Hierbij wil ik mededelen, dat ik, [zoon eiser], een rekening heb gehad bij [de KB Lux]. In 1994 ben ik verhuisd naar Suriname, en heb toen mijn spaargeld welke ik bij de Luxemburgse bank had gedeponeerd weer opgenomen, om in mijn geboorteland een nieuw bestaan op te bouwen. Ik heb tot mijn verbazing vernomen, dat de belastingdienst denkt dat de rekening van mijn vader is geweest, en zodoende mijn vader wordt gezien als zijnde de rekeninghouder. Het is niet mogelijk voor mijn vader (…) die werkloos is en leeft van een uitkering om te sparen, laat staan een rekening te openen in het buitenland. (…)

Bij het openen van de rekening had ik wel mijn vader gemachtigd om mijn rekening te beheren in geval er iets met mij zou gebeuren. Dat ik hem had gemachtigd wist hij op dat moment niet, (…). Ik had echter ondanks dat ik een andere mening op na hield en mijn eigen weg opging, geen andere keus en geen ander persoon kunnen indenken die eerlijk en oprecht was en die mijn geld goed zou kunnen beheren dan [eiser].”

En in de nadere toelichting van 20 juni 2013.

“Ik [zoon eiser] had bij het openen van het rekeningnummer bij de [KB Lux] indertijd mijn vader gemachtigd omdat dit mij zijdens de bank werd geadviseerd. Mocht er wat met mij gebeuren kon iemand het geld toch opnemen voor mijn erfgenamen. Op dat moment kon ik niemand anders bedenken dan mijn vader. Ik heb dus zijn naam en geb.datum doorgegeven. Dat bleek voldoende te zijn.

Niemand was op de hoogte van de machtiging tot eind 2012 toen ik in gesprek met mijn zusters deze mededeling deed.”

30. Gelet op de tenaamstelling van de rekening is de rechtbank van oordeel dat eiser samen met zijn zoon moet worden aangemerkt als gerechtigde tot de rekening, ieder voor het geheel. De stelling dat de rekening zonder medeweten van eiser mede op diens naam kon worden geopend, acht de rechtbank, gelet op de betwisting hiervan door verweerder en zonder nadere onderbouwing van deze stelling, niet aannemelijk. Daar komt bij dat eiser als eerste rekeninghouder staat vermeld en zijn zoon als tweede rekeninghouder. Het ligt niet voor de hand dat de zoon, die stelt de rekening te hebben geopend en daarop geld heeft gestort, als tweede rekeninghouder staat vermeld.

31. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat hij brieven naar de KB Lux heeft gestuurd, maar daar geen antwoord op heeft ontvangen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser op 22 oktober 2004 (aangetekende verzending), 12 april 2006 (aangetekende verzending) en 4 juni 2012, een brief naar de KB Lux heeft verzonden. De brief van 21 oktober 2004 bevat de volgende tekst:

“De Belastingdienst in Nederland is een onderzoek begonnen naar rekeninghouders in uw land. Zij vermoeden dat ik een rekening heb bij uw bank. Ik heb geen rekening bij uw bank, maar toch ben ik wegens omstandigheden en dwang genoodzaakt dit verzoek aan u te richten. De Belastingdienst heeft een lijst met gegevens zonder een logo en adresgegevens waarop mijn naam staat en een rekeningnummer met een banksaldo.

Het rekeningnummer is [B].

Naam rekeninghouder: [W].

Adres (…)

Ik moet de volgende inlichtingen bij u opvragen:

- De aard van de rekening (bijvoorbeeld rekeningcourant, spaarrekening, effectenrekening, etc);

- De datum waarop de rekening is geopend;

- De saldi van de rekeningingen per 31 december van ieder jaar;

- Een specificatie van de beleggingsfondsen per 31 december van ieder jaar (inclusief de namen van de fondsen);

- Een overzicht van alle stortingen en/of overnakingen (bedrag, datum, omschrijving storting of overmaking en bankrekeningnummer waarvan het overgemaakte bedrag afkomstig is;

- Een overzicht van alle opnamen en/of overboekingen (bedrag, datum omschrijving opname of overboeking en bankrekeningnummer waar het bedrag naar is overgemaakt;

- Een specificatie van de ontvangen rente per jaar;

- Een specificatie van de opbrengst van effecten per jaar.

Ik verzoek u mij deze gegevens schriftelijk te verstrekken, voor iedere bankrekening afzonderlijk en van de periode 31 december 1989 tot en met heden.

Indien u vragen of opmerkingen heeft, kunt u mij bellen (…).”

De overige brieven bevatten een soortgelijke tekst.

32. Eiser heeft verder een brief van de zoon overgelegd die de zoon op 12 december 2012 naar de KB Lux heeft verzonden. Deze brief bevat de volgende tekst:

“Ik ben rekeninghouder geweest bij uw bank. (…)

Mijn gegevens zijn als volgt:

Rekeningnummer: [B]

Naam rekeninghouder: [W]

(…)

Ik verzoek u mij inlichtingen te verstrekken over de door mij bij uw bank aangehouden bankrekening. De inlichtingen waarover ik wil beschikken zijn de volgende:

De aard van de rekening;

De datum waarop de rekening geopend is;

De saldi van de rekening per 31 december van ieder jaar.

Een specificatie van de ontvangen rente per jaar.

Ik verzoek u mij deze gegevens schriftelijk te verstrekken van de periode 31 december 1989 tot en met heden.”

Bij brief van 25 maart 2013 heeft de zoon de KB Lux een (gelegaliseerde) kopie van zijn paspoort toegezonden. Hierop heeft de zoon de volgende brief van de KB Lux ontvangen.

“Wij hebben uw brief van 25 maart 2013 in goede orde ontvangen.

Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken.

Om die reden voeren wij geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen reglement der verrichtingen.”

33. Met de brieven die eiser naar de KB Lux heeft gezonden en zijn stelling dat hij daarop geen antwoord heeft ontvangen, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat hij niet als gerechtigde tot de rekening kan worden aangemerkt. Eiser heeft geen gebruik willen maken van het formulier dat de Belastingdienst hem heeft toegezonden ter verkrijging van inlichtingen van de KB Lux, terwijl op deze zogenoemde modelbrieven naar de ervaring van verweerder doorgaans wel door de KB Lux wordt gereageerd. Hij heeft in zijn brieven aan de KB Lux vooropgesteld dat hij geen rekening aanhield bij de KB Lux. Gelet hierop is het niet verwonderlijk dat eiser geen reactie van de KB Lux op zijn brieven heeft ontvangen. De omstandigheid dat eiser niet de voorbeeldbrieven van de Belastingdienst heeft willen gebruiken dient voor zijn rekening te komen. De onder 32 vermelde brief van de zoon van eiser alsmede het antwoord daarop van de KB Lux doen aan de identificatie van eiser alsmede zijn gerechtigdheid tot het saldo op de bankrekening evenmin af aangezien deze brieven daarin geen enkel nader inzicht verschaffen. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft gesteld voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser rekeninghouder is (geweest). Gelet op de tenaamstelling van de rekening, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen eiser aan te schrijven.

Rechtmatigheid van het bewijs

34. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld door gebruik te maken van de in het renseignement opgenomen gegevens.

35. Deze stelling van eiser faalt. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de gegevens afkomstig van de gestolen microfiches als bewijsmiddel gebruiken. De rechtbank acht daarbij van belang dat de Nederlandse fiscus in het bezit van fotokopieën van de afgedrukte microfiches is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, dan zijn de gegevens door de Nederlandse fiscus naar het oordeel van de rechtbank niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van de KB Lux en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (zie Hoge Raad 21 maart 2008, nr 43 050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179).

Verdeling van de bewijslast

36. In artikel 27e van de AWR is bepaald dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan of sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.

37. Vast staat dat voor alle in geding zijnde jaren geen informatiebeschikkingen zijn afgegeven. Dit brengt mee dat voor toepassing van omkering van de bewijslast verweerder aannemelijk dient te maken dat eiser niet de vereiste aangiftes heeft gedaan.

38. Daartoe heeft verweerder aangevoerd dat eiser gedurende de gehele in geschil zijnde periode heeft beschikt over de hiervoor onder 2. vermelde rekening. Verweerder heeft ter onderbouwing van deze stelling aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat zogenoemde zwartspaarders met een bankrekening in een land met een bankgeheim gedurende een lange periode deze rekening hebben aangehouden met als doel aanzienlijke vermogens buiten het zicht van de fiscus te houden en dat deze ervaringsregel ook steun vindt in de door de meewerkers verstrekte gegevens over de jaren tot en met 2000. Gelet op de bekende gegevens van de meewerkers tot en met 2000 en de algemene ervaringsregel dat doorgaans gedurende een aantal opvolgende jaren een (deposito)rekening aanwezig is, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ook in de jaren 2004 tot en met 2008 houder was van de op de afdruk van het microfiche vermelde rekening (dan wel de tegoeden in 2004 en 2008 elders heeft aangehouden) en gerechtigd was tot deze tegoeden . De enkele verklaring van de zoon dat hij het geld in 1994 heeft opgenomen en nadien heeft besteed alsmede de in het geding gebrachte brief van de KB Lux dat de bank geen onderzoek uitvoert naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, is onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. De veronderstelde opname van het saldo op de KB Lux rekening is met geen enkel bewijs onderbouwd. Er zijn geen rekeningafschriften overgelegd en er is geen bewijs dat de rekening in 1994 is opgeheven. Evenmin zijn er stukken overgelegd waaruit blijkt dat het geld is besteed, terwijl verwacht mag worden dat van de besteding van een tegoed als hier aan de orde iets zichtbaar zou zijn. Niet in geschil is dat het tegoed op de rekeningen niet is aangegeven als box 3 inkomen. Gelet op het totale saldo van de beide rekeningen acht de rechtbank aannemelijk dat het bedrag dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiser dat wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiser voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangiftes gedaan. Hieruit volgt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit houdt in dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard, tenzij eiser overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

39. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd en overgelegd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De stelling van eiser dat hij slechts buiten zijn medeweten om gevolmachtigde was van de rekening en geen rekeninghouder is (geweest), is gelet op de tenaamstelling van de rekening, zonder nadere onderbouwing van zijn stelling, onvoldoende. Dit geldt eveneens voor de verklaring van de zoon dat hij het geld in 1994 heeft opgenomen, nu de zoon zijn stelling niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd.

Redelijke schatting

40. Eiser dient dus naar het oordeel van de rechtbank als rekeninghouder te worden aangemerkt, waarbij tevens aannemelijk is dat zowel eiser als de zoon volledig gerechtigd zijn tot de tegoeden van de rekening (Vgl. Hoge Raad 8 maart 2013, nr. 12/00448, ECLI:NL:HR:2013:BZ3490). Nu eiser geen gegevens heeft verstrekt over de rekening en verweerder evenmin kon beschikken over gegevens van de KB Lux vanwege het bankgeheim, is verweerder ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting aangewezen op een schatting.

41. Verweerder heeft de hoogte van de correcties gebaseerd op een modelmatige berekening die is gemaakt voor de jaren tot en met 2000, waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens op de microfiches en gegevens verkregen van de rekeninghouders die wel hebben meegewerkt aan het onderzoek van de belastingdienst (de meewerkers). Aan de hand van dit model heeft hij het saldo per einde van het jaar 2000 berekend. Vervolgens is verweerder uitgegaan van een veronderstelde aangroei van dat saldo van ongeveer 5% per jaar. Als uitgangspunt heeft te gelden dat deze berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig mag zijn. Deze mag echter, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324).

42. In bezwaar heeft verweerder erkend dat de door hem gehanteerde modelmatige berekening niet redelijk is voor zover het de verhoging met de factor 1,5 betreft. Bij de uitspraken op bezwaar heeft verweerder daarom de correcties herberekend, waarbij de factor 1,5 is geëlimineerd. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat aldus na bezwaar sprake is van een redelijke schatting.

Aanslagtermijn

43. Eiser betoogt dat sprake is van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn die leidt tot onbevoegdheid van verweerder ten aanzien van de aanslagregeling. Voor zover eiser hiermee heeft bedoeld te stellen dat de bevoegdheid om de aanslagen op te leggen is verjaard, faalt het betoog. Elk van de onderhavige aanslagen is opgelegd binnen de in artikel 11, derde lid, van de AWR opgenomen termijn van drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Mitsdien zijn de aanslagen binnen de wettelijke aanslagtermijn opgelegd.

Artikel 6 en artikel 8 EVRM

44. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de aanslagen in strijd zijn met het bepaalde in artikel 6 en artikel 8 van het EVRM. Het beroep op artikel 6 van het EVRM faalt reeds omdat er geen boetes zijn opgelegd en dus van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM geen sprake is. Evenmin is sprake van een ontoelaatbare inmenging in het privéleven van eiser. Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder werd aangewezen, was er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser kennelijk meent, voldoende aanleiding om aan eiser nadere inlichtingen omtrent die rekeningen te vragen als door verweerder is gedaan. Ingevolge het bepaalde in artikel 47 van de AWR was eiser ook verplicht de gevraagde informatie te verstrekken.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
45. Eisers beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt eveneens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en omstandigheden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur of de hem toegekende bevoegdheden op een daartoe niet bedoelde wijze heeft aangewend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd.

Heffingsrenten

46. Eiser heeft de in rekening gebrachte heffingsrenten bestreden. Nu eiser geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de beschikkingen heffingsrente en ook overigens is niet gebleken dat de heffingsrenten in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de AWR zijn berekend, faalt ook dat betoog.

Kosten van bezwaar

47. Eiser heeft in zijn bezwaarschriften verzocht om een vergoeding van de kosten van het bezwaar. Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft verweerder heeft deze verzoeken afgewezen. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat aan eiser alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase moet worden toegekend. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De rechtbank zal daarom, doende wat verweerder had behoren te doen, aan eiser een vergoeding toekennen voor de kosten die hij in verband met de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs heeft moeten maken.

Schadevergoeding

48. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij, ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Awb, bij een gegrond beroep indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan kan veroordelen tot vergoeding van de schade die deze partij lijdt.

49. Nu eiser zijn verzoek niet heeft onderbouwd, hij heeft niet gesteld wat voor schade hij heeft geleden en evenmin welk bedrag daar mee gemoeid zou zijn, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Slotsom

50. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 47 heeft overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

51. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken.

52. De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als met elkaar samenhangende zaken.

De ingediende bezwaarschriften hebben namelijk betrekking op hetzelfde feitencomplex, te weten dezelfde buitenlandse bankrekening. De procedures daarover zijn als één geheel gevoerd en hebben geresulteerd in bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, één beroep- en één verweerschrift en één uitspraak van de rechtbank voor alle zaken samen. Gelet hierop zijn de te vergoeden kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.121 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1,5 voor 4 of meer samenhangende zaken). Voor het toekennen van een hogere kostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Daarbij overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken."

Beoordeling van het hoger beroep

Prealabel

7.1.

Belanghebbende heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het geval één van de raadsheren al eerder bij zaken van belanghebbende betrokken is geweest deze raadsheer zich zou moeten verschonen. Het Hof heeft na afloop van de mondelinge behandeling na onderzoek vastgesteld dat één van de raadsheren betrokken is geweest bij de behandeling van eerder opgelegde aanslagen. Op 20 juni 2012 heeft het Hof in de samenstelling van mrs. Van Walderveen, Vonk en Van den Steenhoven het hoger beroep behandeld van het geschil over de aanslagen IB/PVV over de jaren 2001 en 2003 van belanghebbende, kenmerknummers BK-09/00600 en BK-09/00601. Het Hof heeft op 25 juli 2012 in het openbaar uitspraak gedaan.

7.1.1.

Het Hof komt tot het oordeel dat er geen gronden zijn om tot verschoning over te gaan. Er zijn geen objectieve noch subjectieve gronden om in redelijkheid tot het oordeel te kunnen komen dat de rechterlijke onpartijdigheid in geschil is. Daarbij wijst het Hof op de gewijzigde samenstelling van het Hof. Het enkele gegeven dat één van de raadsheren reeds eerder bij het geschil inzake de buitenlandse bankrekening van belanghebbende betrokken is geweest, is op zichzelf daartoe onvoldoende grond. Andere feiten en/of omstandigheden zijn zijdens belanghebbende niet gesteld. Alles afwegend is het Hof van oordeel dat geen aanleiding bestaat de behandeling van het hoger beroep te heropenen in een andere personele samenstelling van het Hof.

Identificatie

7.2.

Belanghebbende heeft gemotiveerd betwist dat hij als rekeninghouder is geïdentificeerd. De Inspecteur heeft op de betwisting gemotiveerd gereageerd. Het Hof komt alles afwegend tot het oordeel dat de rechtbank op goede gronden belanghebbende als rekeninghouder heeft geïdentificeerd. Daartoe neemt het Hof de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne onder aanvulling met het navolgende.

7.3.

Het Hof gaat uit van de betrouwbaarheid van de gegevens zoals deze zijn vermeld op de microfiche. Dat in 42 gevallen van de ruim 4.000 geïdentificeerde rekeninghouders de Inspecteur tot een andersluidend oordeel is gekomen maakt dit voor het onderhavige geval niet anders. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld acht het Hof van onvoldoende gewicht. In de eerste plaats is het microfiche een voor de Nederlandse belastingheffing wettig bewijsmiddel. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd omtrent de rechtmatigheid van het verkrijgen daarvan door de Belastingdienst is al bij herhaling door de Hoge Raad beoordeeld en in het nadeel van belanghebbenden beslecht. Ook thans vindt het Hof geen aanleiding daarover anders te oordelen

7.4.

De aanduiding ‘OU’ in de tenaamstelling van de bankrekening brengt het Hof, met inachtneming van hetgeen belanghebbende daaromtrent heeft gesteld, tot het oordeel dat belanghebbende (mede)gerechtigd is tot de onderhavige bankrekening. Daartoe overweegt het Hof het volgende. De Inspecteur heeft niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld dat de zoon van belanghebbende zich heeft moeten legitimeren bij het openen en afsluiten de rekening. Dat slechts de zoon van belanghebbende als gerechtigde tot de bankrekening dient te worden aangemerkt en niet tevens belanghebbende, omdat deze geen andere betrekking tot de bankrekening zou hebben dan die van zaakwaarnemer ingeval de zoon van belanghebbende iets zou overkomen, heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt.

7.4.1.

De Inspecteur heeft gesteld en naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat indien brieven die door de Belastingdienst in gevallen als het onderhavige aan de betrokken belanghebbende worden verstrekt door deze aan de KB Lux worden verzonden, daarop steeds schriftelijk door de KB Lux wordt geantwoord. Hieraan kan belanghebbendes andersluidende standpunt, nu dit niet is onderbouwd, naar ’s Hofs oordeel niet afdoen. In dit verband acht het Hof van groot gewicht dat, zoals de gemachtigde in onderdeel 14 van zijn hogerberoepschrift uitdrukkelijk erkent, belanghebbende “niet bereid [was] de modelbrieven van verweerder te ondertekenen, nu daarin een expliciete erkenning van buitenlands rekeningen is vervat, terwijl appellant die buitenlandse rekeningen niet heeft.”

7.4.2.

Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over de hem verleende ‘eenzijdige machtiging’ brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de zoon van belanghebbende, die, naar niet in geschil is, (eveneens) houder van de onderhavige KB Lux-rekening is, heeft verklaard: “Ik heb dus zijn [belanghebbendes] naam en geb.datum doorgegeven. Dat bleek voldoende te zijn.” De enkele, niet met bewijs gestaafde stelling dat dit op aanraden van de KB Lux is gebeurd en dat belanghebbende hiervan onwetend zou zijn geweest, acht het Hof niet geloofwaardig.

7.5.

Anders dan belanghebbende stelt acht het Hof geen schending van het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht aanwezig. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de Inspecteur, geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien aannemelijk bevonden, de conclusie kunnen dragen dat de Inspecteur bij de voorbereiding van de onder 1. genoemde besluiten heeft nagelaten de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.

Voortvarendheid

7.6.

In alle fasen van het geding – vanaf het ontvangen van de microfiche door de Nederlandse fiscale autoriteiten tot het vaststellen van de onderhavige aanslagen – heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof voortvarend gehandeld. Het procesverloop laat geen onverklaarbare overschrijding van een termijn van onverklaarbaar niet-handelen aan de zijde van de Inspecteur van zes maanden of langer zien. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

Redelijke schatting van de inkomsten

7.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft belanghebbende in de aangiften IB/PVV voor de onderhavige jaren substantiële bedragen aan inkomsten uit vermogen onvermeld gelaten. Derhalve heeft hij voor die jaren niet de vereiste aangiften gedaan en dient het Hof met toepassing van artikel 27h lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gelezen in samenhang met artikel 27e lid 1 van die wet, van belanghebbende te verlangen dat hij overtuigend aantoont dat de onder 1. genoemde aanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd (omkering en verzwaring van de bewijslast). Nu belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die, indien juist bevonden, het Hof in staat stellen de door de Inspecteur vastgestelde belastbare inkomens uit sparen en beleggen te beoordelen, heeft hij niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

7.7.1.

De omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de Inspecteur niet van de plicht om de redelijkheid van de door hem geschatte vermogens en inkomsten aannemelijk te maken. De Inspecteur heeft de vermogens van belanghebbende en daarop voortbordurend de belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor elk van de onderhavige jaren bepaald met behulp van de door hem overlegde standaardberekening. Het Hof neemt deze berekeningswijze niet over en heeft daartoe het volgende overwogen. Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld en de Inspecteur heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken dat in 1994 het aanwezige tegoed door belanghebbendes zoon is opgenomen in directe samenhang met diens vertrek naar Suriname en dat dit tegoed is aangewend voor de aankoop van een stuk grond en een benzinestation dat tot op heden als zodanig bestaat en een redelijk inkomen voor de zoon genereert. Derhalve gaat het Hof ervan uit dat het bedrag van de bankrekening ad ƒ 100.000 in zijn geheel is opgenomen en er geen aanleiding bestaat om bij de berekening van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor de onderhavige jaren van een ander dan dit nominale bedrag uit te gaan.

7.7.2.

Nu, naar hiervoor is overwogen, belanghebbende (mede) als gerechtigde tot de bankrekening dient te worden aangemerkt en voorts de zoon van belanghebbende het saldo van de rekening in 1994 heeft opgenomen en voor eigen doeleinden heeft aangewend, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende bij de opname een vordering op zijn zoon heeft gekregen ter grootte van het saldo van de rekening. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat uit de stukken niet, althans volstrekt onvoldoende, naar voren komt of er een verdeling van de gerechtigdheid tot het saldo van de rekening was en zo ja, welke. Het Hof merkt daarom, in het kader van een redelijke schatting van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen in elk van de onderhavige jaren, het volledige bedrag van het saldo van de rekening aan als het bedrag van de vordering van belanghebbende op zijn zoon (vgl. HR 13 juli 2012, nr. 11/01171, ECLI:NL:HR:2012:BX0891 en HR 22 februari 2013, nr. 11/05690, ECLI:NL:HR:2013:BY2681).

7.7.3.

Nu omtrent de hoogte van een eventuele – al dan schuldig gebleven – rentevergoeding door de zoon niets is komen vast te staan gaat het Hof uit van het nominale bedrag van de vordering voor alle in geschil zijnde jaren, te weten ƒ 100.000 ofwel € 45.378. Bijgevolg moeten de aanslagen over de jaren 2004 tot en met 2008 naar een lager belastbaar inkomen uit sparen en beleggen worden vastgesteld. Daarbij dient het bedrag zoals vermeld op de microfiche voor alle jaren te worden gehanteerd.

7.7.4.

Belanghebbende heeft in de aangiften voor de jaren 2004 tot en met 2008 geen inkomsten uit sparen en beleggen vermeld. De Inspecteur heeft de rendementsgrondslagen op grond waarvan hij de belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor die jaren heeft berekend, vastgesteld op achtereenvolgens € 261.976, € 270.946, € 279.345, € 289.654 en € 301.725. Zoals hiervoor is geoordeeld dient de correctie van de rendementsgrondslag in elk van de jaren te worden beperkt tot € 45.378. Dat brengt mee dat het heffingsvrije vermogen als bedoeld in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 voor deze jaren respectievelijk € 38.504, € 39.044, € 39.396, € 40.028 en € 40.630 bedraagt.

Bijgevolg bedraagt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor de meervermelde jaren respectievelijk € 274, € 253, € 239, € 214 en € 189. De aanslagen alsmede de beschikkingen heffingsrente dienen dienovereenkomstig te worden verminderd.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur; niet tijdig opleggen van de aanslagen

7.8.

Anders dan belanghebbende stelt is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen en het nadien handhaven van zijn standpunt niet in strijd heeft gehandeld met een of meer in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende heeft daartoe geen dan wel volstrekt onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangedragen welke dat standpunt kunnen schragen.

7.8.1.

Waar hij stelt dat de Inspecteur het vaststellen van de aanslagen en het in rekening brengen van heffingsrente heeft gedaan om belanghebbende schade te bezorgen en op een onbehoorlijke wijze onder druk te zetten – van het geven van boetebeschikkingen is in casu geen sprake – miskent belanghebbende dat de Inspecteur de wettelijke taak heeft aanslagen vast te stellen zulks met inachtneming van feitelijke gegevens welke – ook naar het oordeel van het Hof – deugdelijk zijn.

7.8.2.

Zijn stellingen dat de Inspecteur het bepaalde in artikel 8 EVRM (family life) dan wel artikel 6 EVRM (onschuldpresumptie) heeft geschonden, heeft belanghebbende op geen enkele wijze met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.

7.8.3.

Nu voorts de aanslagen binnen de wettelijke termijn van artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn vastgesteld mist het standpunt van belanghebbende dat de aanslagen te laat zijn opgelegd steun in de feiten.

(Immateriële) schadevergoeding

8. De rechtbank heeft op 1 oktober 2013 uitspraak gedaan in de onderhavige zaken. De uitspraak van het Hof is op 31 december 2014 uitgesproken derhalve ruim binnen de termijn van twee jaar welke volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad als redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep heeft te gelden. Het Hof acht derhalve geen termen aanwezig voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade. Gesteld noch gebleken is dat van andere voor vergoeding in aanmerking komende schade – anders dan de hierna vermelde proceskosten – sprake is. Hetgeen de rechtbank dienaangaande met juistheid heeft overwogen maakt het Hof tot zijn oordeel.

Proceskosten en griffierecht

9.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.461 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor van 1,5 voor 4 of meer samenhangende zaken).

9.2.

Voor het toekennen van een hogere kostenvergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Daarbij overweegt het Hof – op gelijke wijze als de rechtbank – dat naar zijn oordeel geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit op grond waarvan van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken.

9.3.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 118 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing over de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslagen tot aanslagen, berekend naar een belast inkomen uit sparen en beleggen van achtereenvolgens € 274, € 253, € 239, € 214 en € 189, met handhaving van de overige elementen;

  • -

    wijzigt de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten voor het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.461;

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 118 aan griffierechten te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, G.J. van Leijenhorst en

J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits en is door de voorzitter ondertekend. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De beslissing is op 31 december 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.