Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4140

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
200.138.355-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil over verhuisvergoeding ivm herinrichting woonwagenkamp

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.138.355/01

Rolnummer rechtbank : 1197922 / 12-5717; 1197924/12-5718

Arrest van 30 december 2014

in de zaak van

[naam]

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,
verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [B],

advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij te Katwijk (ZH),

tegen

GEMEENTE LEIDEN,

zetelend te Leiden,

geïntimeerde in het principaal appel,
appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. R. Lever te Leiden.

Het geding

Voor de gang van zaken tot 4 februari 2014 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum waarbij een comparitie van partijen is gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft [B] bij memorie van grieven (met productie) vier grieven aangevoerd. De Gemeente heeft deze grieven bestreden bij memorie van antwoord (met producties) en heeft tevens van haar kant incidenteel appel ingesteld onder aanvoering van drie grieven. [B] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Vervolgens is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

In het principaal en incidenteel appel

De feiten

  1. De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 a. tot en met 2.1.i.) van het bestreden tussenvonnis van 16 januari 2013 vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

  2. Zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil om het volgende.

    (2.1) [B] heeft sinds 10 juli 1995 een woonwagen bewoond op de woonwagenlocatie aan het [adres] te [plaats]. Het betrof hier een niet legale standplaats. De bewoning door [B] werd door de Gemeente gedoogd.

    (2.2) In verband met de herinrichting van de woonwagenlocatie [adres] [plaats] heeft de Gemeente het voornemen geuit om een deel van de bewoners te herplaatsen op het [adres] en een ander deel van hen te herhuisvesten op een nieuw in te richten woonwagenlocatie in de wijk […] (hierna: […]) te Leiden. De Gemeente heeft daartoe de ‘Beleidsregels Vergoedingen in verband met herinrichting [adres]’ (hierna: ‘de beleidsregels’), opgesteld. [B] kwam niet in aanmerking voor herplaatsing op het [adres].

    (2.3)[B] heeft op 28 juni 2010 een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Gemeente (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In deze vaststellingsovereenkomst, die is gebaseerd op de beleidsregels, is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

    “(…)

4. De verhuizing en oplevering van de oude standplaats

(…)

4.2

Bewoner zal er op zijn/haar kosten voor zorgdragen dat zijn/haar woonwagen uiterlijk vier weken na de datum waarop de nieuwe standplaats met woning gereed is, van de oude standplaats verwijderd dan wel gesloopt is. De gemeente is niet aansprakelijk voor eventuele beschadiging van de woonwagen ten gevolge van het afvoeren van de woonwagen.

(…)

4.4

Bewoner zal na de afvoer dan wel sloop van de woonwagen van de oude standplaats op zijn/haar kosten zorgdragen voor verwijdering van alle materialen en/of overige roerende zaken op de oude standplaats dan wel alle materialen en/of overige (on)roerende zaken die door bewoner zijn geplaatst op het [adres], zodat de oude standplaats – eveneens uiterlijk vier weken na de datum waarop de nieuwe standplaats met woning gereed is – leeg en ontruimd door bewoner aan de gemeente wordt opgeleverd.(…)

5. Financiële tegemoetkoming

5.1

De gemeente zal aan bewoner een vergoeding betalen van € 5.265,00 als tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.

(…)

5.3

Bewoner kan de oude woonwagen te koop aanbieden aan de gemeente. In dat geval biedt de gemeente daarvoor een bedrag aan ter hoogte van de getaxeerde waarde van deze woonwagen doch maximaal het bedrag ter hoogte van 95% van het door de gemeente geraamde bedrag van de verplaatsingskosten van de woonwagen, uitgaande van verplaatsing binnen het [adres], onder aftrek van sloop- en afvoerkosten voor de woonwagen en onder aftrek van de bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten ad
€ 5.265,00.
(…)

5.5

Het recht van bewoner op enige vergoeding vervalt indien de bewoner de oude standplaats op de datum, waarop deze leeg en ontruimd dient te worden opgeleverd, niet met al het zijne en de zijnen heeft verlaten. Eventueel reeds betaalde vergoedingen dienen alsdan aan de gemeente te worden gerestitueerd.

(…)”.

(2.4) [B] heeft zich in de vaststellingsovereenkomsten tevens bereid verklaard een huurovereenkomst te sluiten met woningbouwvereniging Portaal ter zake van een standplaats met woning op de nieuwe woonwagenlocatie […]. De bedoelde huurovereenkomst is op 21 februari 2011 daadwerkelijk tot stand gekomen.

(2.5) [B] heeft ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst mondeling aan de Gemeente te kennen gegeven dat zij haar woonwagen aan de Gemeente wil verkopen. De vergoeding, genoemd in 5.3 van de vaststellingsovereenkomst, komt voor de woonwagen van [B] uit op € 23.034,70. Aan [B] is door de Gemeente (op grond van artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst) een deel van dat bedrag uitgekeerd namelijk 30% van € 23.034,70; dus een bedrag van € 6.910,41.

(2.6) [B] is door de Gemeente benaderd voor het sluiten van een bij de hiervoor bedoelde vaststellingsovereenkomst behorende nadere overeenkomst wegens de verkoop en de levering van de woonwagen aan de Gemeente, de oplevering van de standplaats, de sloop van de oude woonwagen en de financiële tegemoetkoming. [B] heeft deze (verkoop)overeenkomst niet getekend.

(2.7) [B] is bij (inmiddels onherroepelijk) vonnis van de voorzieningenrechter van 26 april 2011 op vordering van de Gemeente veroordeeld tot ontruiming van de door haar bewoonde standplaats aan het [adres]. Kort hierna heeft [B] deze standplaats verlaten en de woonwagen laten verwijderen door de firma […].

De vorderingen van partijen, de grondslag ervan en de beslissing van de rechtbank

3. Inzet van dit geschil in hoger beroep is de financiële tegemoetkoming, die de Gemeente moet betalen wegens de ontruiming door [B] van haar standplaats op het [adres].
[B] vordert (in reconventie) in hoofdsom primair veroordeling van de Gemeente tot betaling van een schadevergoeding van € 25.000,-- wegens dwaling of onrechtmatige daad, kort gezegd bestaande uit het verstrekken van onjuiste informatie door de Gemeente, inhoudende dat de woonwagen van [B] niet mee kon naar […].

Subsidiair vordert [B] een vergoeding van (afgerond) € 16.124,30 overeenkomstig artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst, te weten € 23.034,70, verminderd met het reeds uitgekeerde bedrag van € 6.910,41.

Meer subsidiair vordert [B] de vergoeding overeenkomstig artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst van € 5.265,--.

4. De Gemeente stelt dat [B] geen recht heeft op enige tegemoetkoming, omdat zij zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden van artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst (te weten de ontruiming van haar oude standplaats uiterlijk vier weken na 21 februari 2011) en vordert (in conventie) het reeds aan [B] betaalde bedrag van
€ 6.910,41 (met rente) terug. In ieder geval heeft [B], aldus de Gemeente, geen aanspraak op een vergoeding overeenkomstig artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst, aangezien [B] de woonwagen niet aan de Gemeente heeft verkocht. De Gemeente bestrijdt dat zij onrechtmatig jegens [B] heeft gehandeld en/of dat er sprake is van dwaling bij [B].

5. De rechtbank heeft omtrent de conventionele vordering van de Gemeente als volgt geoordeeld, zakelijk weergegeven:
(i) De Gemeente kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het betaalde bedrag van € 6.910,41 niet uitsluitend in de context van artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst terugvorderen van [B].

6. Omtrent de reconventionele vordering van [B] heeft de rechtbank als volgt geoordeeld, zakelijk weergegeven:
(ii) De primaire vordering, die is gebaseerd op het verstrekken van onjuiste informatie door de Gemeente, wordt afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd. De vernietigbaarheid wegens dwaling is bovendien niet ingeroepen. Voor een onrechtmatige daad is onvoldoende gesteld
(iii) [B] heeft geen recht op vergoeding op grond van artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst, nu zij haar woonwagen niet heeft verkocht aan de Gemeente. (iv) Niet is het bewijs geleverd dat de Gemeente (in afwijking van de vaststellingsovereenkomst) tegen [B] heeft gezegd dat, als zij de afvoer en vernietiging van de woonwagen voor een lager bedrag dan € 3000,-- door een derde kon realiseren, zij een vergoeding ex artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst zou ontvangen, verminderd met het lagere bedrag aan afvoerkosten, zonder dat de Gemeente daaraan de voorwaarde heeft verbonden dat de opdracht aan de derde via de Gemeente diende te geschieden.
(v) Aangezien [B] reeds een bedrag van € 6.910,41 heeft ontvangen van de Gemeente, heeft zij € 1.645,41 teveel ontvangen [hof: € 6.910,41 min € 5.265,-- ex artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst]. [B] moet deze € 1.645,41 als onverschuldigd betaald terug betalen aan de Gemeente, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2011. De conventionele vordering van de Gemeente wordt tot dit bedrag toegewezen.


De grieven van partijen

7. [B] klaagt in het principaal appel met haar grieven over de in rechtsoverweging 6 weergegeven beslissingen van de rechtbank, terwijl de Gemeente met haar grieven 1 en 2 klaagt over de in rechtsoverweging 5 weergegeven beslissing. Daarnaast klaagt de Gemeente met grief 3 over de compensatie van de proceskosten.
De grieven in het principaal en incidenteel appel hangen zodanig samen dat zij zich lenen voor gezamenlijke behandeling.


Beoordeling van de primaire vordering van [B]

8. De primaire vordering van [B] is onder meer gebaseerd op de stelling dat [B] heeft gedwaald over de mogelijkheid van verplaatsing van haar woonwagen naar […]. Verplaatsing was volgens [B] mogelijk geweest als zij de aanbouw van haar (voor […] te brede) woonwagen had verwijderd. De Gemeente heeft haar hierover onjuist voorgelicht. [B] verwijst hiervoor naar het bewonersverslag van 30 september 2010 (productie bij memorie van grieven) waaruit volgens [B] blijkt dat zij een deel van haar woonwagen eraf had willen halen. Hierdoor had zij haar woonwagen kunnen behouden. Daarnaast beroept zij zich op wederzijdse dwaling. Voor zover nodig wenst [B] alsnog de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens dwaling in te roepen. Zij verzoekt de overeenkomst met de Gemeente gedeeltelijk te vernietigen. Het verstrekken van onjuiste informatie door de Gemeente levert een onrechtmatige daad op, aldus nog steeds [B]. Als schadevergoeding vordert zij € 25.000,--, dan wel overeenkomstig artikel 6:230 BW de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel te wijzigen.

9. Voor zover [B] thans in hoger beroep primair een beroep doet op dwaling en/of onrechtmatige daad, heeft zij dit beroep in de gegeven omstandigheden onvoldoende onderbouwd. [B] is hiertoe te vaag gebleven, zeker in het licht van de vaststaande contacten tussen partijen. In ieder geval heeft zij niet gesteld welke onjuiste inlichtingen van de Gemeente haar op welk moment hebben bewogen de vaststellingsovereenkomst te tekenen en de woonwagen te (laten) verwijderen. De verwijzing van [B] naar een gespreksverslag van 30 september 2010 – ruim drie maanden na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst – is op zich niet redengevend. Dit geldt des te sterker, aangezien van de zijde van de Gemeente in ditzelfde gespreksverslag is vermeld dat [B] niet eerder heeft aangegeven dat zij de woonwagen ook zonder aanbouw mee wilde nemen. Tenminste had van [B] gevergd mogen worden dat zij had gesteld op welk moment vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en huurovereenkomst met Portaal zij aan de gemeente duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij de woonwagen zonder aanbouw mee wilde nemen, en voorts dat de Gemeente dit heeft geweigerd. Reeds hierom faalt het beroep op dwaling en/of onrechtmatige daad. Overigens heeft [B] evenmin toegelicht welk deel van de vaststellingsovereenkomst zij buitengerechtelijk vernietigde, terwijl een vordering van die strekking ontbreekt. Het beroep op wederzijdse dwaling is in het geheel niet toegelicht. De primaire vordering wordt daarom afgewezen. Grief I wordt verworpen.


Beoordeling van de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [B] en het verweer van de Gemeente

10. De subsidiaire vordering is, zoals gezegd, gebaseerd op de stelling van [B] dat zij in ieder geval aanspraak heeft op een vergoeding ex artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst, terwijl de meer subsidiaire vordering is gegrond op artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst.
Nu vaststaat dat [B] weliswaar mondeling tegen de Gemeente heeft gezegd dat zij de woonwagen aan de Gemeente wilde willen verkopen, maar vervolgens geweigerd heeft deze verkoop te effectueren (zie rechtsoverweging 2.6), komt haar reeds hierom geen vergoeding toe op grond van artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst. De koopovereenkomst is immers uiteindelijk niet tot stand gekomen. De stelling van [B] (memorie van grieven, grief III), dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij haar woonwagen had verkocht aan de Gemeente omdat de Gemeente 30% van
€ 23.034,70 (namelijk € 6.910,41) heeft uitgekeerd, is ontoereikend. De betreffende uitkering heeft immers plaatsgehad na voormelde mondelinge mededeling door [B], welke zij echter niet is nagekomen. Hetgeen [B] verder nog heeft aangevoerd bij deze grief ter toelichting van het, aldus [B] gerechtvaardigde, vertrouwen dat zij de woonwagen had verkocht aan de Gemeente, is ontoereikend. [B] heeft immers geen deugdelijke verklaring gegeven voor het feit dat zij de verkoop niet heeft willen effectueren door bij herhaling te weigeren de daarop betrekking hebbende papieren te tekenen. Aan de omstandigheid dat [B] slechts op haar eigen voorwaarden (en niet die krachtens de vaststellingsovereenkomst) wilde tekenen, kan [B] geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen.
De stelling van [B] dat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, wordt verworpen. [B], die steeds voorzien is geweest van professionele bijstand, heeft - ook na herhaalde uitleg – de lijn van artikel 5.3 van de vaststellingsovereenkomst niet gevolgd. Niet valt in te zien waarom de Gemeente haar dan desondanks een vergoeding krachtens dit artikel zou moeten betalen. De subsidiaire vordering van [B] is terecht afgewezen. De hierop betrekking hebbende grieven worden verworpen.

11. Grief II, die betrekking heeft op de gestelde afwijkende afspraak (zie 6.iv van dit arrest), bevat een klacht over de bewijswaardering. Deze grief faalt op de gronden zoals genoemd in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis van 14 augustus 2013. Voor zover de getuige […] in deze constellatie niet zou moeten worden gezien als partijgetuige op wie (in de zaak [B]) de bewijslast rust, is haar positie dusdanig verweven met die van [B], dat haar getuigenverklaring met de nodige voorzichtigheid moet worden beoordeeld, hetgeen ertoe leidt dat nog steeds het bewijs niet is geleverd. Het aanbod van [B] om de heer Edeling van de gemeente als getuige te horen voldoet niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, nog daargelaten dat de betreffende vordering van [B] strandt wegens toepassing van het bepaalde in artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst, zoals hierna zal worden toegelicht. De door [B] gestelde nadere afspraak met de Gemeente is dus niet komen vast te staan en kan geen grondslag vormen voor een vergoeding door de Gemeente aan [B]. Grief II wordt eveneens verworpen.

12. [B] komt dus in beginsel slechts in aanmerking voor een verhuisvergoeding ingevolge artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst van € 5.265,--, zoals meer subsidiair gevorderd.

13. Toch dient ook deze meer subsidiaire vordering te worden afgewezen, gelet op het verweer van de Gemeente, zoals herhaald bij memorie van grieven in incidenteel appel.
Naar het oordeel van het hof heeft de Gemeente zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst het recht van [B] op enige vergoeding is komen te vervallen. [B] heeft haar oude standplaats immers niet tijdig (op uiterlijk 21 maart 2011) ontruimd, terwijl zij vervolgens door een kort geding tot ontruiming moest worden gedwongen. Het hof acht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de Gemeente [B] in de gegeven omstandigheden houdt aan hetgeen tussen partijen in de vaststellingsovereenkomst overeen is gekomen. Hierbij weegt mee dat [B] ten tijde van het gebeuren was voorzien van juridische bijstand, terwijl verder keer op keer tijdig en uitvoerig door de (advocaat van de) Gemeente is toegelicht (zie onder meer de niet, dan wel onvoldoende, weersproken producties bij de conclusie na enquête in eerste aanleg aan de zijde van de Gemeente) hoe de vaststellingsovereenkomst moest worden uitgelegd. Mocht er aanvankelijk wellicht enig misverstand zijn geweest bij de uitleg van de beleidsregels, dan moet dit misverstand met deze nadere uitleg geacht worden ruimschoots te zijn weggenomen. De omstandigheid dat [B] hier anders tegenaan kijkt en, ondanks dat zij was voorzien van juridische bijstand, waarschuwingen van de zijde van de Gemeente in de wind heeft geslagen, komt voor haar risico. Hier komt bij dat de Gemeente, ook nadat [B] niet had voldaan aan haar verplichting tot tijdige ontruiming, nog diverse malen coulance heeft betracht door voorstellen te doen tot oplossing van het geschil. Zie bijvoorbeeld producties 10 en 11 bij conclusie na enquête aan de zijde van de Gemeente, terwijl ook nog in hoger beroep bij de comparitie na aanbrengen bereidheid is getoond het geschil in der minne te regelen. Onder deze omstandigheden heeft de Gemeente vast mogen houden aan het bepaalde in artikel 5.5 in de vaststellingsovereenkomst. De grieven 2 en 3 van de Gemeente in het incidenteel appel slagen.

Slotsom

14. Het hof komt tot de slotsom dat [B], gelet op het bepaalde in artikel 5.5 van de vaststellingsovereenkomst, geen aanspraak meer heeft op enige vergoeding door de Gemeente. Zij zal het reeds ontvangen bedrag van € 6.910,41 aan de Gemeente terug moeten betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2011. Bij deze beslissing past dat [B] als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten (waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft – ECLI:NL:HR 2010: BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De derde grief van de Gemeente in het incidenteel appel, die was gericht tegen de compensatie van de proceskosten, is dus eveneens gegrond. Beslist zal worden als na te melden. Om de leesbaarheid van het dictum te bevorderen, zullen de vonnissen worden vernietigd en zal het hof opnieuw beslissen.

Beslissing

Het hof:

In het principaal en incidenteel appel

  • -

    vernietigt de bestreden vonnissen, voor zover tussen [B] en de Gemeente gewezen, en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [B] om aan de Gemeente te voldoen een bedrag van € 6.910,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2011 tot de dag der algehele voldoening;

  • -

    wijst de vorderingen van [B] af;

  • -

    veroordeelt [B] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de Gemeente tot op 14 augustus 2013 begroot op € 437,-- aan griffierecht, € 90,64 aan de kosten uitbrengen exploit van dagvaarding en € 1.000,-- aan salaris van de gemachtigde;

  • -

    veroordeelt [B] in de kosten van het hoger beroep, in het principaal appel aan de zijde van de Gemeente begroot op € 683,-- aan griffierecht en € 2.316,-- aan salaris advocaat en in het incidenteel appel begroot op € 447,-- aan salaris advocaat,
    en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het door de Gemeente meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.J. van der Helm en
M.E. Honée en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 december 2014 in aanwezigheid van de griffier.