Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4123

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
22-005914-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:472, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brute verkrachtingen van twee vrouwen die hij meer of minder kende en aan verkrachting op een station van een willekeurige vrouw waarbij jegens dit slachtoffer een mes is gebruikt en waarbij zij voor de verkrachting door de verdachte gewelddadig was beroofd. Het hof veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof legt voorts de maatregel van TBS op met bevel tot verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005914-12

Parketnummers: 10-741084-12

Datum uitspraak: 10 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 26 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. parketnummer 741084-12):

hij op of omstreeks 11 mei 2003 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten slachtoffer 1, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (telkens)

- duwen en/of brengen en/of houden van zijn, verdachte's, vinger(s) in de vagina van die Slachtoffer 1 en/of

- duwen en/of brengen en/of houden van zijn, verdachte's, penis in de vagina van die Slachtoffer 1;

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- tonen en/of voorhouden van een mes aan die Slachtoffer 1 en/of

- zetten / plaatsen van een / dat mes tegen de keel van die Slachtoffer 1 en/of

- met geweld afnemen van de tas van die Slachtoffer 1

- al dan niet met een / dat mes slaan en/of stompen op / tegen het hoofd van die Slachtoffer 1 en/of

- zeggen tegen die Slachtoffer 1 dat ze haar broek los moest maken.


parketnummer 741084-12):

hij op of omstreeks 11 mei 2003 te Rotterdam op de openbare weg, het station Hofplein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas en/of een mobiele telefoon en/of geld en/of een bankpas en/of een of meer (andere) passen en/of een ov jaarkaart en/of een identiteitskaart en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Slachtoffer 1, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die Slachtoffer 1, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een mes aan die Slachtoffer 1 en/of

- zetten / plaatsen van een / dat mes tegen de keel van die Slachtoffer 1 en/of

- al dan niet met een / dat mes slaan en/of stompen op / tegen het hoofd van die Slachtoffer 1 en/of

- zeggen tegen die Slachtoffer 1 dat ze haar tas moest geven.

3 ( parketnummer 740254-11):

hij meermalen, althans eenmaal, (telkens) op of omstreeks 09 juli 2011 te Rotterdam door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten Slachtoffer 2, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (telkens)

- brengen en/of houden van zijn, verdachte's, penis in de anus en/of de mond en/of de vagina van die Slachtoffer 2 en/of

- brengen en/of houden van een kaars in de anus en/of de vagina van die Slachtoffer 2 en/of

- brengen en/of houden van een of meer van zijn, verdachte's, vinger(s) in de vagina van die Slachtoffer 2 en/of - brengen en/of houden van het handvat van een borstel in de vagina van die Slachtoffer 2 en/of het duwen van dat handvat tegen de anus van die Slachtoffer 2 en/of

- urineren en/of zich ontlasten in de mond van die Slachtoffer 2;

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- gooien op een matras van die Slachtoffer 2 en/of

- ( met zijn, verdachte's, knieën) bovenop de rug van die Slachtoffer 2 gaan zitten en/of

- naar beneden trekken van de joggingbroek en de onderbroek van die Slachtoffer 2 en/of

- toevoegen aan die Slachtoffer 2 van de woorden "Dat gejammer en gejank, dan sta ik niet voor mijzelf in, dan weet ik niet wat ik met je zou doen" en/of "Ik ben de meester" en/of "Wil je liever een mes dan rijt ik je open" en/of "Ik ben de meester en vrouwen zijn slaven" en/of "Je verbijt de pijn maar. Je slikt het maar door. Je maakt het jezelf alleen maar moeilijker. Ik zorg er wel voor dat je het zegt. Jij bent niks, jij moet respect hebben voor mij" en/of "ik wil je rug brandmerken", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( telkens) op die matras drukken en/of slaan op de rug van die Slachtoffer 2 en/of (met kracht) drukken op / tegen de nek en/of het hoofd van die Slachtoffer 2 en/of de armen van die Slachtoffer 2 vast houden op haar rug en/of

- in een arm van die Slachtoffer 2 bijten en/of

- aan de haren trekken van die Slachtoffer 2.

4 parketnummer 10/702564-11):

hij, in of omstreeks de periode van 19 november 2010 tot en met 20 november 2010 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten Slachtoffer 3, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (meermalen):

- strelen van het lichaam van die Slachtoffer 3 en/of

- duwen van en/of houden van zijn, verdachtes, penis in en/of nabij/tegen de vagina en/of anus van die Slachtoffer 3, het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het:

- meenemen van die Slachtoffer 3 naar zijn, verdachtes, woning en/of

- laten uitkleden van die Slachtoffer 3 en/of

- dichtdoen van de kamerdeur van zijn, verdachtes, woning en/of

- beetpakken van de kaak van die Slachtoffer 3 en/of

- die Slachtoffer 3 de woorden toevoegen

=dat zij, Slachtoffer 3, niet zo raar moet doen en/of =dat zij, Slachtoffer 3, op bed moet gaan liggen en/of =dat zij, Slachtoffer 3, dat witte poeder moet nemen en/of

=dat hij, verdachte, haar, Slachtoffer 3 gaat neuken en/of doggy-style wil en/of

=dat zij, Slachtoffer 3 hem, verdachte, moet likken en/of moet zorgen dat hij, verdachte, een stijve krijgt en/of

=dat zij, Slachtoffer 3 niet mag weggaan, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- op bed duwen van die Slachtoffer 3 en/of

- die Slachtoffer 3 cocaïne, althans verdovende middelen, laten snuiven en/of alcohol laten drinken en/of - strelen van het lichaam van die Slachtoffer 3 en/of

- slaan en/of stompen in het gezicht van die Slachtoffer 3 en/of

- tonen van een vuist aan die Slachtoffer 3 en/of

- vastpakken van de keel van die Slachtoffer 3 en/of

- schelden tegen die Slachtoffer 3.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1(parketnummer 741084-12):
hij op 11 mei 2003 te Rotterdam door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld Slachtoffer 1, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- duwen en brengen en houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die Slachtoffer 1 en

- duwen en brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die Slachtoffer 1;

het geweld en andere feitelijkheden en de bedreiging met geweld hebben bestaan uit het

- tonen en voorhouden van een mes aan die Slachtoffer 1 en/of

- zetten van dat mes tegen de keel van die Slachtoffer 1 en/of

- met geweld afnemen van de tas van die Slachtoffer 1 en/of

- stompen op/tegen het hoofd van die Slachtoffer 1 en/of

- zeggen tegen die Slachtoffer 1 dat ze haar broek los moest maken.


parketnummer 741084-12):
hij op 11 mei 2003 te Rotterdam op de openbare weg, het station Hofplein, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas en een mobiele telefoon en geld en

een bankpas en een of meer (andere) passen en een ov jaarkaart en een identiteitskaart en een portemonnee, toebehorende aan Slachtoffer 1, welke diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die Slachtoffer 1, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- tonen en/of voorhouden van een mes aan die Slachtoffer 1 en/of

- zetten van dat mes tegen de keel van die Slachtoffer 1 en/of

- zeggen tegen die Slachtoffer 1 dat ze haar tas moest geven.


parketnummer 740254-11):
hij meermalen, telkens op 09 juli 2011 te Rotterdam door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld en bedreiging met andere feitelijkheden Slachtoffer 2 heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het telkens

- brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de anus en de mond en de vagina van die Slachtoffer 2 en

- brengen en houden van een kaars in de anus en de vagina van die Slachtoffer 2 en

- brengen en houden van een of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die Slachtoffer 2 en

- brengen en houden van het handvat van een borstel in de vagina van die Slachtoffer 2 en het duwen van dat handvat tegen de anus van die Slachtoffer 2 en

- urineren en zich ontlasten in de mond van die Slachtoffer 2;

het geweld en andere feitelijkheden en de bedreiging met geweld en de bedreiging met andere feitelijkheden hebben bestaan uit het

- gooien op een matras van die Slachtoffer 2 en/of

- ( met zijn, verdachtes, knieën) bovenop de rug van die Slachtoffer 2 gaan zitten en/of

- naar beneden trekken van de joggingbroek en de onderbroek van die Slachtoffer 2 en/of

- toevoegen aan die Slachtoffer 2 van de woorden "Dat gejammer en gejank, dan sta ik niet voor mijzelf in, dan weet ik niet wat ik met je zou doen" en "Ik ben de meester" en "Wil je liever een mes dan rijt ik je open" en/of "Ik ben de meester en vrouwen zijn slaven" en "Je verbijt de pijn maar. Je slikt het maar door. Je maakt het jezelf alleen maar moeilijker. Ik zorg er wel voor dat je het zegt. Jij bent niks, jij moet respect hebben voor mij" en "ik wil je rug brandmerken", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( telkens) op die matras drukken en/of slaan op de rug van die Slachtoffer 2 en/of (met kracht) drukken op de nek en het hoofd van die Slachtoffer 2 en de armen van die Slachtoffer 2 vast houden op haar rug en/of

- aan de haren trekken van die Slachtoffer 2.

4 parketnummer 10/702564-11):
hij, in de periode van 19 november 2010 tot en met 20 november 2010 te Rotterdam, meermalen door geweld en andere feitelijkheden en door bedreiging met geweld Slachtoffer 3 heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het (meermalen):

- strelen van het lichaam van die Slachtoffer 3 en

- duwen van en houden van zijn, verdachtes, penis in en/of tegen de vagina en/of anus van die Slachtoffer 3,

het geweld en andere feitelijkheden en de bedreiging met geweld hebben bestaan uit het:

- laten uitkleden van die Slachtoffer 3 en/of

- dichtdoen van de kamerdeur van zijn, verdachtes, woning en/of

- beetpakken van de kaak van die Slachtoffer 3 en/of

- die Slachtoffer 3 de woorden toevoegen

= dat zij, Slachtoffer 3, niet zo raar moet doen en

= dat zij, Slachtoffer 3, op bed moet gaan liggen en

= dat zij, Slachtoffer 3, dat witte poeder moet nemen en

= dat hij, verdachte, haar, Slachtoffer 3 gaat neuken en/of doggy-style wil en

= dat zij, Slachtoffer 3 hem, verdachte, moet likken en/of moet zorgen dat hij, verdachte, een stijve krijgt en

= dat zij, Slachtoffer 3 niet mag weggaan en

- op bed duwen van die Slachtoffer 3 en/of

- die Slachtoffer 3 cocaïne, althans verdovende middelen, laten snuiven

- stompen in het gezicht van die Slachtoffer 3 en/of

- tonen van een vuist aan die Slachtoffer 3 en/of

- vastpakken van de keel van die Slachtoffer 3 en/of

- schelden tegen die Slachtoffer 3.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsmotiveringen

De verdediging heeft ten aanzien van het aan de verdachte onder 3 en 4 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte wel seks heeft gehad met Slachtoffer 2 en Slachtoffer 3, maar dat dit gebeurde met wederzijdse instemming, zodat er geen sprake is van verkrachting. Meer in het bijzonder heeft de verdediging aangevoerd dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor de verklaringen van Slachtoffer 2 en Slachtoffer 3, dan wel dat het steunbewijs ook past bij de vrijwillige seksuele handelingen die volgens de verklaring van de verdachte hebben plaatsgevonden tussen hem en Slachtoffer 2 en tussen hem en Slachtoffer 3. Betreffende Slachtoffer 2 merkt de verdediging nog op dat haar verklaring bij de politie is afgelegd onder invloed van drugs, dat de woning van Slachtoffer 2 naar eigen zeggen zeer gehorig was, maar dat geen van de omwonenden die nacht iets van de vermeende verkrachting heeft gehoord, alsmede dat Slachtoffer 2 pas de volgende avond aangifte heeft gedaan.

Met betrekking tot feit 4 stelt de verdediging nog dat uit de FARR verklaring niet van enig letsel blijkt als gevolg van het door haar gestelde geweld van de verdachte. Kort na het gebeuren is Slachtoffer 3 naar een vriend gegaan die zij – blijkens zijn verklaring - niet heeft verteld over de geweldshandelingen en de verklaringen van Slachtoffer 3 zijn, in tegenstelling tot de verklaringen van de verdachte, niet consistent. Bovendien heeft zij niet naar waarheid verklaard over de ontmoeting met de verdachte, over het aantal jongens door wie zij zou zijn verkracht en over de seksueel overdraagbare aandoening die zij zou hebben opgelopen door seksueel contact met de verdachte, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt deze verweren op de volgende gronden.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Het hof overweegt overeenkomstig de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft verklaard dat zij de verdachte

‘s-ochtends vroeg op 9 juli 2011 tegenkwam op straat.

Hij gaf aan dat hij even in haar woning wilde wachten op een klant en aangeefster ging hiermee akkoord. Eenmaal binnen, zo verklaart zij, vroeg de verdachte aan haar of ze hem wilde pijpen. Zij deed dit, weliswaar niet van harte, maar wel vrijwillig. Vervolgens heeft aangeefster verklaard dat de verdachte anale seks met haar wilde hetgeen aangeefster heeft geweigerd. Hierop heeft de verdachte haar in de periode tussen 00:50 uur en 11:30 uur herhaaldelijk zowel anaal, vaginaal als oraal

verkracht. Hierbij maakte hij ook gebruik van een kaars en een kledingborstel. Voorts heeft hij haar gedwongen om zijn urine te drinken en zijn ontlasting te eten, aldus aangeefster Slachtoffer 2. De ontlasting heeft aangeefster Slachtoffer 2 in een onbewaakt ogenblik uitgespuugd en achter de wasmachine gegooid.

Het staat vast dat de verdachte, gelet op zijn erkenning in deze, in de ochtend van 9 juli 2011 seksuele contacten heeft gehad met aangeefster. De aangifte tegen de verdachte is door de politie op twee verschillende dagen opgenomen. Op de tweede dag was de aangeefster onder invloed van harddrugs. Toch doet dit geen afbreuk aan haar aangifte, nu deze aangifte in grote lijnen overeenkomt met hetgeen aangeefster eerder tegenover de politie heeft verklaard tijdens een eerste informatief gesprek op zondag 10 juli 2011. In dat gesprek, waarin zij niet onder invloed van drugs was, vertelt zij eveneens dat zij door de verdachte meerdere malen zowel anaal, vaginaal als oraal is verkracht, waarbij door hem gebruik is gemaakt van een kaars en een kledingborstel. Ook vertelt zij over het hebben moeten drinken van urine en het eten van ontlasting. Voorts sluit de verklaring van aangeefster naadloos aan op de bevindingen van het forensische opsporingsteam dat op 10 juli 2011 onderzoek heeft verricht in haar woning. Zij vonden daar onder meer een bebloed slipje, verschillende bloedsporen, een kledingborstel en een afgebroken kaars. Ook vonden ze achter de wasmachine kleine gedeelten op poep gelijkende substantie.

De verklaring van aangeefster wordt bovendien ondersteund door de verklaring van haar ex-vriend M. de Bruijn. Hij heeft verklaard dat hij op 9 juli 2011 door aangeefster is gebeld waarna hij naar haar toe is gegaan. Hij schrok van wat hij in haar woning aantrof. Het was een rommel en er lag bloed op de vloer waarin voetstappen stonden. Zij was overstuur toen ze hem vertelde dat ze was verkracht. Verder heeft hij verklaard dat aangeefster de hele tijd moest kokhalzen omdat ze zo’n vieze smaak in haar mond had vanwege de omstandigheid dat ze de ontlasting van de verdachte had moeten eten.

Daarnaast heeft de FARR-arts op de binnenzijde van de anus van aangeefster twee bloeduitstortingen geconstateerd van respectievelijk 1:1 cm en 0,5 cm groot en is volgens hem op het anaal gebied ontlasting aanwezig. Tevens heeft hij op beide bovenarmen meerdere bloeduitstortingen aangetroffen. Voorts liep dwars over de hele bovenarm een lijnvormige krasverwonding. Volgens de arts past het letsel bij de vorm en aard van de door het slachtoffer gestelde toedracht.

Daar staat tegenover het standpunt van de verdachte dat sprake was van vrijwillig, weliswaar ruig, seksueel contact met aangeefster Slachtoffer 2. Er zijn echter omstandigheden die in sterke mate afbreuk doen aan de juistheid van die stellingname.

Zo heeft de verdachte in eerste instantie verklaard dat hij nooit in een woning op de Adres is geweest. Vervolgens heeft hij verklaard dat hij regelmatig met aangeefster Slachtoffer 2 seks heeft gehad bij haar thuis op de Adres. In eerdere verklaringen zegt de verdachte niets over een kledingborstel, kaars of ontlasting, ondanks dat de politie aan hem heeft gevraagd op welke manieren hij seks met aangeefster heeft gehad. Pas in zijn laatste verklaring bij de politie op 29 november 2011 gaat hij daar uitgebreid op in en begint hij ook spontaan over “een natte scheet” die hij zou hebben gelaten in de woning. Gevraagd naar het waarom van deze spontane verklaring zegt de verdachte tegen de politie

dat de aangeefster hem er immers van heeft beschuldigd dat hij in haar mond heeft gepoept. Het heeft er derhalve alle schijn van dat de verdachte zijn verklaring heeft afgestemd op de zich in het dossier bevindende onderzoeksresultaten. Dit geldt temeer nu uit het onderzoek in eerste aanleg is gebleken dat de verdachte zelfs nog op de terechtzitting van de rechtbank zijn verklaring heeft bijgesteld en passend heeft gemaakt op de onderzoeksresultaten. Zo heeft hij, daar waar hij bij de politie daar niet over heeft verklaard, op de zitting in eerste aanleg nog verklaard dat hij na de ‘natte scheet’ ook nog onder de douche heeft gepoept en die poep in de wc heeft gegooid. Dit zou volgens de verdachte verklaren waarom er ontlasting achter de wasmachine is aangetroffen.

Ook in een eerder stadium, namelijk bij de rechter-commissaris, heeft de verdachte niet verklaard dat het om ruige seks ging.

Al het bovenstaande, mede in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof, overeenkomstig het oordeel van de rechtbank, tot het oordeel dat de aangifte van aangeefster voldoende betrouwbaar is. Nu deze verklaring bovendien steun vindt in de hiervoor genoemde andere bewijsmiddelen, is niet alleen wettig, maar ook overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster heeft verkracht.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 4

Het hof overweegt overeenkomstig de rechtbank als volgt.

Nu de verdachte heeft erkend dat hij in de nacht van

19 op 20 november 2010 seksuele contacten heeft gehad met aangeefster staat dit vast. Verkrachting kan echter alleen dan bewezen worden verklaard als vast komt te staan dat het slachtoffer tot het ondergaan daarvan, kort gezegd, is gedwongen. De verdachte heeft verklaard dat de seks vrijwillig geschiedde. Aangeefster heeft verklaard dat de verdachte tot vier keer toe tegen haar zin seks met haar heeft gehad, dat hij haar met een vuist in het gezicht heeft geslagen en dat hij zijn handen om haar keel heeft gelegd. Voorts stelt zij dat zij de verdachte duidelijk te kennen heeft gegeven dat zij geen seks wilde.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de verklaring die aangeefster heeft afgelegd voldoende betrouwbaar is om als bewijs te kunnen dienen. Weliswaar heeft zij bij de verschillende verhoren niet geheel consistent verklaard, maar in essentie is zij bij haar relaas gebleven dat de verdachte haar heeft vastgehouden in zijn woning, haar drugs heeft gegeven en haar meerdere malen heeft verkracht waarna hij haar naar het metrostation heeft gebracht. Juist is dat aangeefster in een latere verklaring op 20 december 2010 tegen de politie heeft gezegd dat zij in haar aangifte niet helemaal eerlijk is geweest. Dit ziet echter alleen op de wijze waarop de verdachte en aangeefster elkaar hebben ontmoet. Ten aanzien van het ten laste gelegde feit blijft aangeefster nadrukkelijk bij haar eerdere verklaring. Het wordt niet onaannemelijk geacht dat aangeefster zich ten tijde van de aangifte belemmerd heeft gevoeld om vrij te spreken omdat er iemand van de kerk bij was die tevens de vertrouwenspersoon van haar ouders is. Aannemelijk is dat zij gelet daarop niet heeft willen vertellen dat ze met de verdachte had afgesproken en daarom heeft verklaard dat ze met een vriendin had afgesproken.

De verklaring van aangeefster wordt bovendien ondersteund door de verklaringen van de getuigen A en B. A heeft verklaard dat zij aangeefster zaterdagochtend 20 november 2010 erg overstuur heeft aangetroffen op het metrostation Zuidplein en dat aangeefster tegen haar heeft verteld dat ze was verkracht. Ook B maakt melding van het feit dat aangeefster erg emotioneel was toen hij haar de bewuste ochtend ophaalde op het metrostation Zuidplein. Tegen hem heeft ze eveneens gezegd dat ze was verkracht. Weliswaar heeft aangeefster tegen beiden gezegd dat zij was verkracht door meerdere jongens, maar in het oriënterend gesprek dat zij met de politie heeft gehad, heeft zij direct aangegeven dat het om één Marokkaanse jongen ging die haar heeft verkracht. Zij is hier nadien in de op dit gesprek volgende aangifte bij gebleven.

De verklaring van aangeefster vindt verder ondersteuning in de FARR-verklaring, naar aanleiding van het door de huisarts bij aangeefster gedane onderzoek op 24 november 2010, dat aangeefster verschillende schaafverwondingen had bij de vagina verlopend in de lengte-richting. Voorts had zij op haar rug en schouders diverse schaaf-verwondingen.

Bovendien heeft de moeder van aangeefster verklaard dat zij op 20 november 2010 een bult heeft waargenomen op het voorhoofd van aangeefster. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster dat zij door de verdachte in het gezicht zou zijn geslagen. Het bovenstaande maakt dat de verklaring van de verdachte, dat sprake was van vrijwillig seksueel contact, ongeloofwaardig is.

Dat leidt overeenkomstig het oordeel van de rechtbank tot de slotsom, gelet op al het bovenstaande — mede in onderlinge samenhang bezien - dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte aangeefster heeft verkracht. De bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde is hiermee een gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede de ter beschikking stelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging te gelasten.

Verweer ten aanzien van de straf

De raadsman heeft een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat aan de verdachte een andere straf zal worden opgelegd dan de maatregel van terbeschikking-stelling met dwangverpleging.

Motivering van de op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De bewezen verklaarde feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brute verkrachtingen van twee vrouwen die hij meer of minder kende en, langer geleden, aan verkrachting op een station van een willekeurige vrouw waarbij jegens dit slachtoffer een mes is gebruikt en waarbij zij voor de verkrachting door de verdachte gewelddadig was beroofd. Dit zijn zeer ernstige feiten. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers hetgeen blijkens de slachtofferverklaringen nadelige psychische gevolgen van langere duur met zich heeft meegebracht. De vrouwen waren jong, een van hen (Slachtoffer 3) was zelfs nog minderjarig.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Het criminele verleden van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

12 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte, die in 2000 al voor een zedendelict is veroordeeld en in 1998 voor een diefstal met geweld, reeds vanaf zijn vroege jeugd met enige regelmaat is veroordeeld voor het plegen van deels gewelddadige misdrijven, tot onder meer deels onvoorwaardelijke zitstraffen van aanzienlijke duur. Ook is, in 2002, een PIJ-maatregel opgelegd. Kennelijk hebben deze veroordelingen en opgelegde straffen en maatregel, voor zover na de bewezen feiten opgelegd, de verdachte niet kunnen weerhouden die feiten te begaan.

Voorts slaat het hof acht op de politiemutaties zoals vermeld in het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL17D0 2003171785-18, d.d. 28 februari 2012 waaruit blijkt dat er meerdere malen een vrouw is geweest die aan de politie te kennen heeft gegeven dat zij door de verdachte seksueel is misbruikt.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van de volgende omtrent de verdachte

in deze zaak uitgebrachte rapporten:

Het hof heeft acht geslagen op het NIFP-rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 6 november 2012 (hierna: het PBC-rapport). Nu de verdachte zijn medewerking heeft geweigerd, zijn er geen test- en neuropsychologische onderzoeken verricht. De psychiater en de psycholoog hebben hun informatie geput uit de beschikbare stukken, waaronder eerdere rapporten omtrent de persoon van de verdachte, het milieuonderzoek en de groepsobservatie.

Uit het PBC-rapport komt naar voren dat de verdachte vanaf 12-jarige leeftijd gedragsproblemen is gaan vertonen met een antisociale en oppositionele kleuring en dat hij vanaf die leeftijd veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen en meermalen is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Meermalen is er onderzoek gedaan naar zijn persoon; in de latere jaren heeft hij daaraan zijn medewerking geweigerd. Hij vertoont volgens het PBC-rapport een wisselend beeld, enerzijds geïnteresseerd, hulpvaardig en beleefd, anderzijds gaat hij confrontaties aan die als onprettig, hautain en denigrerend ervaren worden. De diskwalifi-cerende houding van de verdachte komt meer tot uiting in het contact met de vrouwelijke groepsleiding dan met de mannen. Hij wordt gezien als iemand met twee gezichten, enerzijds vriendelijk en zorgzaam, anderzijds manipulatief en agressief. Een relevante arbeidscarrière is niet van de grond gekomen ondanks vermoedelijk goede intellectuele capaciteiten.

In het rapport is te lezen dat de verdachte meer dan eens zeer snel na vrijlating recidiveerde. Voorts dat hij in diverse inrichtingen waar hij was geplaatst vaak disciplinaire straffen kreeg in verband met het zeer bedreigend overkomen bij leiding c.q. het niet opvolgen van hun instructies.

Uit het PBC-rapport komt over de persoonlijkheids-kenmerken van de verdachte en de ontwikkeling van zijn geestvermogens het volgende naar voren. Tijdens de groepsobservatie vertoonde hij gedragingen die duidden op antisociale en narcistische gedragskenmerken. Er kan van een (antisociaal) gedragspatroon gesproken worden. Er is bij hem sprake van zodanige persoonlijkheidspathologie dat deze gekwalificeerd kan worden als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Of deze problematiek volledig voldoet aan de DSM-criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, kan vanwege de zeer beperkte eigen onderzoekscontacten niet onderbouwd worden. Het is wel evident dat er sprake is van persoonlijkheids-problematiek in het zogenaamde B-cluster (waartoe onder andere de antisociale, de narcistische en de borderline persoonlijkheidsstoornis behoren). Niet kan vastgesteld worden wat de specifieke aard en forensische relevantie van de vermoedelijke persoonlijkheidsstoornis is omdat verdachte niet heeft willen meewerken aan het onderzoek. Het gaat dan onder andere om de vraag of en zo ja welke aspecten van de persoonlijkheidsproblematiek aanmerkelijke beperkingen met zich meebrengen ten aanzien van zijn vrijheid van handelen. In dit verband kan opgemerkt worden dat hij in het onderzoek overwegend als berekenend en gecontroleerd naar voren komt, maar dat dit niet uitsluit dat onderliggend meer pathologische drijfveren werkzaam zijn. Voorts zou hij jarenlang grote hoeveelheden drugs (cannabis en cocaïne) hebben gebruikt. Op basis van de klinische indrukken zijn er geen aanwijzingen voor een ernstige cognitieve beperking. Een separate impulsregulatiestoornis of een inadequate agressiehuishouding is tijdens het beperkte onderzoek niet geobserveerd of waargenomen, maar kan vanwege de beperktheid van het onderzoek door de rapporteurs ook niet volledig worden uitgesloten. Ook ten aanzien van een eventuele stoornis op het gebied van de seksualiteit (waarbij bedoeld wordt een specifieke afwijkende seksuele voorkeur) heeft het onderzoek geen uitsluitsel kunnen geven. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is - afgezien van de conclusie dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens - op grond van het voorgaande geen verdere conclusie te trekken over de persoonlijkheid van de verdachte en de eventuele beperkingen die er thans in besloten liggen. Aangezien er op grond van het voorliggende onderzoek te weinig gegevens voorhanden zijn, kan geen antwoord worden gegeven op de vraag of, in welke mate en in welke zin bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een beperkende invloed van deze gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens op zijn vrijheid van handelen. Evenmin is een inschatting te geven van het recidivegevaar, voortkomend uit de stoornis.

Het PBC-rapport (p. 15) maakt onder meer melding van een Pro Justitia rapport uit 1997 opgemaakt door kinder- en jeugdpsychiater. De verdachte werd destijds verdacht van het medeplegen van een diefstal met geweld. De psychiater heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake was van een gedragsstoornis. Deze kwam tot uiting in het zeer oppervlakkig aangaan van relaties en een gebrekkige gewetensfunctie. De verdachte vertoonde zowel thuis als op school “grenzentestend” gedrag en bagatelliseerde zijn eigen gedragsproblemen. Geadviseerd werd de feiten aan de verdachte in licht verminderde mate toe te rekenen. De kans op recidive was zeker aanwezig. Geadviseerd werd onder meer om de verdachte onder toezicht te stellen. Voorts wordt in het PBC-rapport melding gemaakt van het rapport van FORA uit 2002. In dat rapport werden geen conclusies getrokken omdat de verdachte niet mee wilde werken. Ook bij Pro Justitia in 2011, het NFI in 2012 en de Reclassering in 2014 weigerde de verdachte zijn medewerking.

De vordering tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling

Het hof heeft de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de opstelling van de verdachte mede in zijn beschouwingen betrokken en overweegt daarover als volgt.

Verdachte heeft toen hij pas 19 jaar oud was een willekeurige vrouw, aangeefster Slachtoffer 1, op een nachtelijk station verkracht en samen met een ander van haar tas beroofd. Bij beide feiten was een mes in het spel. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de verkrachting aangeefster heeft gedwongen hem twee keer te zoenen en dat hij de gemeenschap met haar afdwong terwijl zij, naar hij wist, menstrueerde. Het menstruatiebloed dat op de handen van de verdachte zat heeft hij in haar nek afgeveegd.

Over dit feit noch over de omstandigheden of over de eventuele aanleiding of reden om tot deze gruwelijke handelingen over te gaan, heeft de verdachte iets willen verklaren.

Over de seksuele handelingen die de verdachte, toen inmiddels 26 jaar oud, met de andere twee aangeefsters, Slachtoffer 2 en Slachtoffer 3, verrichtte, heeft de verdachte meer dan eens verklaard (ter terechtzitting van het hof, de rechtbank en bij de rechter-commissaris (RC)) dat het vrijwillig was en door aangeefsters werd gewaardeerd, terwijl uit de verklaringen van aangeefsters blijkt dat zij met geweld zijn gedwongen en aan de verdachte hebben laten blijken dat zij niet genoten van wat er gebeurde en zich tot het uiterste hebben verzet. Zo heeft slachtoffer 3 bij de politie verklaard dat zij tegenover de verdachte meer dan eens heeft aangegeven dat ze weg wilde, meer dan eens heeft gehuild, heeft gezegd dat ze geen drugs wilde gebruiken, dat zij met alleen haar BH en string aan geprobeerd heeft de trap af naar buiten te vluchten, heeft gevochten tot haar onderbroek uit was, haar handen op haar kruis heeft gelegd en uiteindelijk heeft gehoorzaamd als een puppy. Slachtoffer 2 heeft tegenover de politie verklaard dat ze hem pijpte om ervan af te zijn, de hele tijd moest huilen, tegen hem gezegd heeft dat zij dit niet wilde, geen twee seconden alleen werd gelaten zodat ze niet kon vluchten, het heeft uitgegild van de pijn en daarna een elleboogstoot heeft gegeven op de lip van de verdachte.

Uit de verklaringen van de aangeefsters blijkt voorts dat de verdachte zich tegenover hen als volgt heeft uitgelaten of gedragen:

Tegen Slachtoffer 2 heeft de verdachte ten tijde van de bewezen feiten gezegd dat hij nooit zou kunnen verkrachten, dat hij het anaal ging doen, dat Slachtoffer 2 het moest ontgelden en er respect moest komen dat hij verdiende en in Nederland niet kreeg, dat hij Slachtoffer 2 zou verkopen voor een bordeel, dat zij niks is en zij respect moet hebben voor hem, dat iedereen bang is voor hem en hem ziet als een dreiger. Voorts heeft Slachtoffer 2 verklaard dat de verdachte bezeten leek en haar rug wilde brandmerken met een aansteker, of met hete druppels van een kaars op haar arm (wat hij niet heeft gedaan). Dit was toen hij het had over het aanbidden van de duivel.

Tegenover slachtoffer 3 heeft de verdachte zich ten tijde van de bewezen feiten blijkens haar verklaringen afwisselend lief en dreigend, dwingend en agressief opgesteld. Ook schreeuwde hij tussendoor. Een ontglipping van zijn masker, het toneelspel ging hem dan even voorbij. Zijn manier was dramatisch, aldus aangeefster (RC). Tegen haar heeft hij gezegd dat zij niet moest doen alsof hij vreemd was, dat als ze deed alsof hij crimineel of slecht was, zij pas zou merken waar hij toe in staat was. Na afloop heeft de verdachte haar gezegd dat haar familie zou denken dat ze gek was en naar een gesticht moest.

De verdachte heeft deze beide aangeefsters geld aangeboden, waar ze beiden niet van gediend waren. In beide gevallen was de verdachte (zwaar) onder invloed van drugs en/of drank.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte telkenmale heeft laten zien, in het verdere en meer recente verleden, dat hij de gevoelens van een ander niet waarneemt of begrijpt, laat staan zich er in kan inleven en zijn gedrag daar op kan aanpassen. Het hof leidt uit het voorgaande tevens af dat de uitlatingen van de verdachte niet overeenkomen met zijn handelen en dat het hem geheel ontbreekt aan zelfinzicht.

Op grond al het vorenstaande, waaronder de inhoud van het PBC-rapport, stelt het hof vast dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, waarbij sprake is van persoonlijkheidsproblematiek in het zogenaamde B-cluster. Mede gelet op de bevindingen van eerdere rapporten, zoals daarvan blijkt uit het PBC-rapport, stelt het hof vast dat deze persoonlijkheidsstoornis duurzaam is. Hieruit volgt dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ook ten tijde van alle vier de bewezen verklaarde feiten aanwezig was. Gelet op de delict-geschiedenis van de verdachte is er een patroon van gewelddadig gedrag, in het bijzonder tegenover vrouwen. Door de weigerachtige houding van de verdachte kon door het PBC niet vastgesteld worden in welke mate en in welke zin bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een beperkende invloed van de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens op zijn vrijheid van handelen in het gewelddadig gedrag.

Het hof acht desondanks een direct verband aanwezig tussen de stoornis en de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op de aard, ernst en frequentie van de bewezen feiten en de verklaringen van de slachtoffers. Uit die verklaringen is naar het oordeel van het hof gebleken dat het gedrag van verdachte ten opzichte van zijn slachtoffers zeer vernederend, vaak onvoorspelbaar, grof, gewelddadig en (vergaand) grensoverschrijdend is geweest. Het hof acht de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar.

Gelet op al het voorgaande kan er naar het oordeel van het hof geen twijfel over bestaan dat de veiligheid van anderen niet alleen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, doch ook dat hij van overheidswege wordt verpleegd. De terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Naast een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege acht het hof, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden strafrechtelijke reactie.

Vordering tot schadevergoeding partij Slachtoffer 1

In het onderhavige strafproces heeft Slachtoffer 1 zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van in totaal

€ 7.935,10.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit bedrag, welke vordering in eerste aanleg is toegewezen tot een bedrag van € 7.882,10.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 7.882,10, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijkverklaring van de vordering voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 382,10 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1, 2 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 7.500,00.

De benadeelde partij zal in de vordering betreffende materiële schade gevorderd voor een slot van een balkondeur niet-ontvankelijk worden verklaard nu deze schadepost onvoldoende verband houdt met de onder 1 en

2 bewezen verklaarde feiten. De vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het Slachtoffer 1

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.882,10 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het Slachtoffer 1.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding partij slachtoffer 2

In het onderhavige strafproces heeft slachtoffer 2 zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.000,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit bedrag, welke vordering in eerste aanleg is toegewezen tot een bedrag van € 8.500,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.500,--, met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 8.500,--.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer 2

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 8.500,-- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer 2.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vaststelt op een bedrag van € 376,70 en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding Slachtoffer 3

In het onderhavige strafproces heeft Slachtoffer 3 zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 3.514,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade ad € 14,25 is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag ad € 3.500,--, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het Slachtoffer 3

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 3.514,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het Slachtoffer 3.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 242 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij Slachtoffer 1

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Slachtoffer 1 ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.882,10 (zevenduizend achthonderdtweeëntachtig euro en tien cent) bestaande uit € 382,10 (driehonderdtweeëntachtig euro en tien cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Slachtoffer 1, een bedrag te betalen van € 7.882,10 (zevenduizend achthonderdtweeëntachtig euro en tien cent) bestaande uit € 382,10 (driehonderdtweeëntachtig euro en tien cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 74 (vierenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij slachtoffer 2

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij slachtoffer 2 ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.500,00 (achtduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 376,70 (driehonderdzesenzeventig euro en zeventig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd slachtoffer 2, een bedrag te betalen van € 8.876,70 (achtduizend achthonderdzesenzeventig euro en zeventig cent) bestaande uit € 376,70 (driehonderdzesenzeventig euro en zeventig cent) materiële schade en € 8.500,00 (achtduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 79 (negenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij Slachtoffer 3

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Slachtoffer 3 ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.514,25 (drieduizend vijfhonderdveertien euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 14,25 (veertien euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Slachtoffer 3, een bedrag te betalen van € 3.514,25 (drieduizend vijfhonderdveertien euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 14,25 (veertien euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. H.P.CH. van Dijk en mr. J.M. van de Poll, in bijzijn van de griffier mr. F.P. van Straelen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 december 2014.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.