Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4107

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
200.160.445/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlevering naar Turkije; onrechtmatige daad. De Staat handelt naar het voorlopig oordeel van het hof onrechtmatig jegens appellant door hem, in weerwil van ondubbelzinnige toezeggingen door de Minister te dien aanzien, uit te leveren aan Turkije zonder dat van de Turkse autoriteiten informatie is ontvangen over de specifieke medische zorg die appellant geboden zal worden in de penitentiaire inrichting aldaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.160.445/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/474208 / KG 14-1142

arrest van 9 december 2014

inzake

[appellant],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Scheveningen,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C. Maat te Amsterdam,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Het geding

Bij faxbericht van 1 december 2014 heeft mr. Maat het hof verzocht om een behandeling van het in te stellen hoger beroep met bijzondere spoed als bedoeld in artikel 9.1.14 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Het hof heeft dat verzoek toegewezen. Bij afzonderlijk faxbericht van 1 december 2014 heeft mr. Maat het hof verzocht op grond van artikel 223 Rv voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen dat niet tot de feitelijke uitlevering van [appellant] zal worden overgegaan. Bij faxbericht van 1 december 2014 heeft de Staat daarop gereageerd. Bij exploot van 1 december 2014 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 28 november 2014 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag. In het appelexploot heeft [appellant] één grief opgeworpen tegen dat vonnis en, bij wijze van incident, op de voet van artikel 223 Rv gevorderd voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen dat niet tot de feitelijke uitlevering van [appellant] zal worden overgegaan. Bij memorie van antwoord in incident van 2 december 2014 heeft de Staat geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering ex artikel 223 Rv. Bij mondelinge uitspraak in het incident ex artikel 223 Rv van 2 december 2014 heeft de enkelvoudige kamer van het hof de Staat verboden gedurende de appelprocedure tot feitelijke uitlevering van [appellant] over te gaan. Deze uitspraak is op 2 december 2014 telefonisch door de griffier aan de advocaten meegedeeld. Bij memorie van antwoord heeft de Staat in de hoofdzaak de door [appellant] opgeworpen grief bestreden. Vervolgens is op 9 december 2014 een verkort arrest gewezen waarvan het dictum die dag door de griffier telefonisch aan de advocaten is meegedeeld. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de feiten die door de voorzieningenrechter onder 1.1 tot en met 1.23 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2. [appellant] vordert in dit kort geding, na vermeerdering van eis in hoger beroep, de feitelijke uitlevering van [appellant] te verbieden, althans de Minister van Veiligheid en Justitie op te dragen de feitelijke uitlevering van [appellant] aan Turkije te weigeren en bij toewijzing daarvan [appellant] onmiddellijk in vrijheid te stellen, een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding in beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten van de eerste aanleg.

2.1 Aan zijn vorderingen heeft [appellant], kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Alhoewel de rechtbank Amsterdam in de uitleveringsprocedure bij uitspraak van 7 januari 2011 de uitlevering van [appellant] aan Turkije heeft toegestaan, zijn de omstandigheden inmiddels zodanig veranderd dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [appellant] indien hij de feitelijke uitlevering thans door laat gaan.

2.1.1 In de eerste plaats is de medische toestand van [appellant] in de afgelopen jaren ernstig verslechterd. [appellant] is door een neurologische aandoening inmiddels geheel geïnvalideerd geraakt, waardoor hij hooguit tien minuten in een rolstoel kan zitten en voor het overige in een ziekenhuisbed ligt. Bij vrijwel alle dagelijkse verrichtingen is [appellant] hulpbehoevend. Uit diverse openbare bronnen, waaronder Nederlandse ambtsberichten over Turkije en mensenrechtenrapporten van de U.S. Department of State en Amnesty International, blijkt volgens [appellant] van misstanden in Turkse gevangenissen, onder meer wat betreft het verlenen van medische zorg aan gedetineerden. Dit maakt dat uitlevering van [appellant] aan Turkije in zijn huidige toestand in strijd zou zijn met de artikelen 2 en 3 EVRM. Daarnaast zijn de gevolgen van de uitlevering voor [appellant], gelet op zijn slechte gezondheidstoestand, van bijzondere hardheid als bedoeld in artikel 10 lid 2 Uitleveringswet, hetgeen volgens [appellant] eveneens in de weg staat aan zijn feitelijke uitlevering. Tot slot heeft de Staat meerdere malen, laatstelijk bij brief van de Minister van Veiligheid en Justitie (verder: de Minister) van 11 augustus 2014, aan [appellant] toegezegd dat pas nadat van de Turkse autoriteiten een reactie is ontvangen aangaande de specifieke zorg die [appellant] geboden zal worden in Turkije zal worden bezien of de feitelijke uitlevering doorgang kan vinden. [appellant] stelt dat een dergelijke reactie nog niet van de Turkse autoriteiten is ontvangen, zodat de Staat in strijd met zijn eigen toezeggingen zou handelen door thans tot feitelijke uitlevering van [appellant] over te gaan.

2.1.2 Ten tweede zijn er volgens [appellant], sinds de uitspraak waarbij de uitlevering door de uitleveringsrechter is toegestaan en sinds de rechterlijke uitspraken in de asielprocedure, nieuwe concrete aanwijzingen gekomen dat [appellant] in een Turkse gevangenis zal hebben te vrezen voor een aanslag op zijn leven. [appellant] stelt dat uit een recente brief, door een in Turkije gedetineerde persoon geschreven aan een medegedetineerde van [appellant], blijkt dat hij in iedere Turkse gevangenis zal hebben te vrezen voor zijn leven. Aangezien ook zijn broer in een Turkse gevangenis is vermoord, kan [appellant] er niet vanuit gaan dat hij voldoende bescherming zal krijgen van de Turkse autoriteiten tegen een dergelijke moordaanslag. Ook om die reden is uitlevering aan Turkije volgens [appellant] in strijd met de artikelen 2 en 3 EVRM.

2.2 De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Bij het bestreden vonnis in kort geding heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van het geding.

3. Ter toelichting van zijn grief heeft [appellant] onder meer betoogd dat de voorzieningenrechter bij zijn oordeel ten onrechte is voorbijgegaan aan het feit dat aan [appellant] in augustus 2014 door de Minister is toegezegd dat pas nadat de Minister van de Turkse autoriteiten een reactie zal hebben ontvangen aangaande de specifieke zorg die [appellant] geboden zal worden in Turkije, hij zal bezien of de feitelijke uitlevering van [appellant] doorgang kan vinden. Naar het voorlopig oordeel van het hof slaagt de grief in zoverre, waartoe het volgende wordt overwogen.

3.1 Tussen partijen is niet in geschil dat de Staat aan [appellant] heeft toegezegd dat hij, gelet op zijn slechte gezondheidstoestand, niet aan Turkije zal worden uitgeleverd voordat van de Turkse autoriteiten een garantie is gekregen ten aanzien van de medische verzorging van [appellant] (onder meer bij brief aan de advocaat van [appellant] van 23 april 2013). De Minister heeft immers bij brief van 11 augustus 2014 aan de advocaat van [appellant] onder meer het volgende bericht:

“Pas nadat ik van de Turkse autoriteiten een reactie ontvang aangaande de specifieke zorg die uw cliënt geboden zal worden in Turkije, zal ik bezien of de feitelijke uitlevering van uw cliënt doorgang kan vinden.”

3.2 In reactie op een brief van de Staat aan de Turkse autoriteiten met het verzoek om nadere informatie over de beschikbare medische zorg voor [appellant], is uit Turkije een verklaring van 5 september 2014 van rechter [betrokkene] gekomen, waarin deze verklaart, samengevat:

- dat door het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen en Huizen van bewaring is meegedeeld dat het bij uitlevering van [appellant] aan Turkije mogelijk is om ten behoeve van de behandeling van zijn aandoeningen te handelen op basis van de bepalingen uit de wetgeving inzake de tenuitvoerlegging in Turkije van straffen van personen met ernstige gezondheidsproblemen;

- dat personen die veroordeeld zijn en personen die in voorlopige hechtenis verkeren in Turkije voor wat betreft de toegang tot zorg over dezelfde rechten beschikken als personen die niet van hun vrijheid zijn beroofd.

- dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken wordt verzocht om contact op te nemen met de Nederlandse instanties en overeenstemming te bereiken ten aanzien van een reisprogramma ten behoeve van de overdracht van [appellant] en om een rapport te verkrijgen dat [appellant] per vliegtuig kan reizen;

- dat het Ministerie van Volksgezondheid wordt verzocht om, ter begeleiding van de politiebeambten die [appellant] zullen ophalen, medewerkers van het Ministerie van Volksgezondheid voorbereidingen te laten treffen inzake de medische zorg waaraan behoefte zal zijn.

3.3 Naar het voorlopig oordeel van het hof bevat de verklaring van rechter [betrokkene] geen informatie over de specifieke zorg die [appellant] geboden zal worden, als bedoeld in de brief van de Minister aan de advocaat van [appellant] van 11 augustus 2014. Voor zover de verklaring wel in enige mate is toegespitst op de specifieke situatie van [appellant] (rov. 3.2, derde en vierde liggende streepje), ziet deze slechts op de reis van [appellant] naar Turkije en niet op zijn verblijf in een penitentiaire inrichting aldaar. Op zich stelt de Staat terecht dat van de Turkse autoriteiten of Turkse artsen niet verwacht mag worden dat zij zich committeren aan een specifieke behandeling of medicatie zonder hem eerst zelf onderzocht te hebben. Maar op grond van de door de Minister gedane toezegging in de brief van 11 augustus 2014 mag [appellant] op zijn minst verwachten dat de Turkse autoriteiten kennis nemen van het medische overdrachtsdossier en duidelijk maken welke specifieke zorg [appellant] geboden zal worden. Uit de verklaring van rechter [betrokkene] en uit eerdere verklaringen die door de Turkse autoriteiten zijn gegeven blijkt echter niet dat de Turkse autoriteiten van het medische overdrachtsdossier kennis hebben genomen en evenmin welke specifieke zorg aan [appellant] zal worden geboden.

3.4 Door [appellant], in weerwil van de voornoemde ondubbelzinnige toezegging, uit te leveren aan Turkije zonder dat informatie is ontvangen over de specifieke medische zorg die [appellant] geboden zal worden, handelt de Staat naar het voorlopig oordeel van het hof onrechtmatig jegens [appellant]. Dit brengt mee dat het bestreden vonnis in kort geding niet in stand kan blijven en dat de vordering strekkende tot het opleggen van een verbod aan de Staat om [appellant] aan Turkije uit te leveren zal worden toegewezen. Voor het overige behoeft de grief geen bespreking meer.

3.5 De vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [appellant] door hem in uitleveringsdetentie te houden in het JMC, en het overigens niet aan de civiele rechter is om over de uitleveringsdetentie te beslissen.

3.6 De Staat zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 28 november 2014;

en, opnieuw rechtdoende:

- verbiedt de Staat om [appellant] uit te leveren aan Turkije;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 28 november 2014 begroot op € 93,80 aan kosten van het exploot, € 282,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 77,52 aan kosten van het exploot, € 308,-- aan griffierecht en € 894,-- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, J.E.H.M. Pinckaers en J.J. van der Helm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2014 in aanwezigheid van de griffier.