Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4101

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
BK-14-00171
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:808, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:583, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfbelasting. In geschil is of bij de vaststelling van de erfbelasting terecht toepassing is gegeven aan het bepaalde in art. 10, derde lid, SW 1956.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0012
V-N Vandaag 2014/2698
RN 2015/14
V-N 2015/12.2.4
Belastingadvies 2015/5.10
FutD 2015-0008
NTFR 2016/605 met annotatie van mr. W. Verstijnen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-14/00171

Uitspraak van 12 december 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2014, nr. SGR 13/2732.

Aanslag, bezwaar en beroep

1.1.

Aan belanghebbende is vanwege een verkrijging in 2011 een aanslag in de erfbelasting opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. Een griffierecht van € 44 is geheven.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot € 3.463, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten ten bedrage van € 974 en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 122 is geheven.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 oktober 2014 in Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

3.1.

De rechtbank heeft vastgesteld:

"1. Op [dag en maand] 2011 is [A] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster was weduwe en heeft vier kinderen achtergelaten.

2. Bij testament van 10 december 1990 heeft erflaatster haar vier kinderen, onder wie [belanghebbende], tot haar erfgenamen benoemd. Bij codicil van 6 november 1991 heeft erflaatster [belanghebbende] als uitvoerder van haar uiterste wilsbeschikking aangewezen.

3. Tot het vermogen van erflaatster behoorde het door haar bewoonde pand [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). Op 2 juni 2010 is door een beëdigd taxateur de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van de woning bepaald op € 117.500 en is de huurwaarde van de woning bepaald op € 7.800 per jaar.

4. Bij akte van 19 juli 2010 heeft erflaatster de woning voor een bedrag van € 117.500 verkocht aan [belanghebbende] en diens echtgenote. Voorts is met dagtekening 19 juli 2010 tussen verkoper en kopers een huurovereenkomst gesloten waarin de woning aan erflaatster met ingang van 1 augustus 2010 is verhuurd tegen een huursom van € 650 per maand. Bij akte van 5 augustus 2010 heeft erflaatster de woning aan [belanghebbende] en diens echtgenote geleverd.

5. [ Belanghebbende] heeft met dagtekening 27 oktober 2010 mede namens de overige erfgenamen aangifte erfbelasting gedaan naar een verkrijging van € 97.808. In de aangifte heeft [belanghebbende] gegevens over de woning opgenomen en voorts onder meer vermeld dat hij van erflaatster binnen 180 dagen vóór haar overlijden een schenking van € 5.000 heeft ontvangen.

6. Bij de aanslagregeling heeft [de Inspecteur] onder toepassing van artikel 10 van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) de door [belanghebbende] verkregen woning als fictief legaat bestempeld. Aan [belanghebbende] is daarop met dagtekening 31 mei 2012 onderhavige aanslag erfbelasting ten bedrage van € 9.890 opgelegd, berekend naar een verkrijging van € 118.022, te weten een civiele verkrijging van € 24.452, een verkrijging uit schenking van € 5.000 en een verkrijging fictief legaat van € 88.570.

7. In de beroepsprocedure heeft [de Inspecteur] zich nader op het standpunt gesteld dat het fictief legaat onjuist is berekend en dat de door [belanghebbende] verschuldigde erfbelasting nader dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 3.463. [De Inspecteur] heeft daarop onderhavige aanslag ambtshalve verminderd met een bedrag van € 6.427."

3.2.

Het Hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, ook nu partijen daartegen niet zijn opgekomen.

De rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

15. Niet is in geschil dat de WOZ-waarde van de woning voor het kalenderjaar 2011 € 216.000 bedraagt. Nu de door erflaatster aan [belanghebbende] betaalde huursom minder bedraagt dan 6% van die WOZ-waarde, heeft [de Inspecteur] zich terecht op het standpunt gesteld dat erflaatster wordt geacht een genot van vruchtgebruik van de woning te hebben gehad en is de woning terecht als fictief legaat in [belanghebbendes] verkrijging betrokken. Daarbij is in aanmerking genomen dat gezien artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ de WOZ-waarde van de woning de waarde van de woning in onbezwaarde staat vertegenwoordigt als bedoeld in artikel 10, derde lid, van de Wet.

16. Hetgeen [belanghebbende] in dit verband heeft aangevoerd maakt het voorgaande niet anders. Het andersluidend standpunt van [belanghebbende] met betrekking tot het vruchtgebruik berust op een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan [belanghebbendes] beroep op het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 april 2012, nr. BLKB2012/103M, hem niet baten, aangezien dit besluit slechts ziet op situaties van vóór het jaar 2010.

17. In hetgeen [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd is evenmin grond gelegen voor een ander oordeel. De rechtbank ziet geen grond voor een ander oordeel dan is uitgesproken in haar uitspraak van 20 november 2011 (LJN: BY8704). De rechtbank volgt [belanghebbende] niet in zijn opvatting dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel. Uit de uitspraak op bezwaar en de daaraan ten grondslag liggende stukken komt voldoende duidelijk naar voren op welke gronden [de Inspecteur] zijn standpunten heeft gebaseerd. Ter voorlichting aan [belanghebbende] merkt de rechtbank nog op dat - anders dan [belanghebbende] mogelijk meent - een motiveringsgebrek in de uitspraak op bezwaar niet tot vernietiging van de aanslag kan leiden.

18. Gelet op hetgeen onder punt 7 is vermeld, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

(…)"

Geschil en standpunten

5.1.

In hoger beroep is, net als voor de rechtbank, in geschil of bij de vaststelling van de erfbelasting terecht toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 10, derde lid, SW (Successiewet 1956, tekst van 2010), welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5.2.

Belanghebbende stelt dat artikel 10, derde lid, SW toepassing mist, omdat hij een marktconforme koopprijs (naar de waarde van de woning in verhuurde staat, getaxeerd op € 117.500) heeft betaald voor de verwerving van de woning en erflaatster een marktconforme huur heeft betaald (hoger dan zes percent van waarde in verhuurde staat), zodat geen sprake is van een verkrijging krachtens erfrecht door overlijden.

5.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij stelt dat belanghebbende, door een lagere waarde dan de volle waarde van de woning toe te passen, een eigendomsrecht heeft omgezet in een niet vererfbaar fiscaal vruchtgebruik. Ook voert de Inspecteur aan dat bij het overlijden van erflaatster, tevens huurster van de woning, de lagere waarde onbelast aangroeit naar de volle waarde en dat artikel 10 SW ook op die situatie ziet.

5.4.

Ter zitting heeft de Inspecteur het incidentele hoger beroep (dat ziet op de proceskostenveroordeling) laten varen.

5.5.

Voor de gronden verwijst het Hof voor het overige naar de gedingstukken.

Beoordeling

6.1.

Het Hof komt in hoger beroep niet tot andere overwegingen en oordelen dan de rechtbank. De overwegingen en de oordelen en ook de beslissing van de rechtbank maakt het Hof tot de zijne.

6.2.

Ter aanvulling op wat de rechtbank heeft overwogen en ook als reactie op wat belanghebbende in (hoger) beroep heeft aangevoerd, wijst het Hof op de door de wetgever gekozen (heffings-)systematiek. Die houdt in vertaald naar deze situatie dat de woning, waarop erflaatster ten laste van haar vermogen een vruchtgebruik heeft verworven, wordt geacht krachtens erfrecht door overlijden te zijn verkregen door belanghebbende (en diens echtgenote). Het geheel van voorhanden zijnde gegevens, in het bijzonder het gegeven dat erflaatster voor het genot van de woning (ingevolge de huurovereenkomst) aan belanghebbende als eigenaar, dat wil zeggen degene ten laste van wie dat huurgenot komt, niet jaarlijks een huurvergoeding betaalt die ten minste gelijk is aan het percentage van de waarde van de woning in (de alsdan) onbezwaarde staat, dat wil zeggen de waarde van de woning vrij van het bij wijze van fictie aanwezige vruchtgebruik, laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende (voor zijn deel) krachtens erfrecht door overlijden van erflaatster een pand heeft verkregen. Die verkrijging is voor dat deel door de Inspecteur terecht belast met erfbelasting.

6.3.

Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Brits. De beslissing is op 12 december 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.