Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4062

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
2200235412
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/36

Uitspraak

Rolnummer: 22-002354-12

Parketnummer: 10-602018-05

Datum uitspraak: 15 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 april 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman mr. J.Y. Taekema, Prins Mauritslaan 94 te 2582 LW Den Haag.

1 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 28 februari 2013 en 14 maart 2013, 28 augustus 2013 en 24 oktober 2013, 10 november 2014 en 13 november 2014 en
1 december 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 Procesgang

In eerste aanleg is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Daarnaast is de vordering tot gevangenneming van de verdachte ter terechtzitting afgewezen.


De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ter terechtzitting van 14 maart 2013 heeft het hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep.

3 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte en dat de zaak op grond van artikel 423 lid 2 Wetboek van Strafvordering zal worden teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam teneinde inhoudelijk te worden berecht.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte [naam verdachte A],
mr. Taekema, heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht het vonnis van de rechtbank te bevestigen, eventueel onder aanvulling van gronden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte op grond van de artikelen
6 EVRM en/of 348 en/of 359a Wetboek van Strafvordering en/of de beginselen van een goede procesorde.
Voor het geval het hof het ontvankelijkheidsverweer zou verwerpen, heeft mr. Taekema verzocht getuigen te doen horen, alsmede verzocht processtukken te voegen in het dossier, en de zaak op grond van artikel 423 lid 2 Wetboek van Strafvordering terug te wijzen naar de rechtbank teneinde een inhoudelijke behandeling in eerste aanleg te bewerkstelligen, een en ander als nader vermeld in zijn pleitnota.

Alle raadslieden in de zaken van de vier medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten.

4 Het oordeel van het hof

Inleiding

De onderhavige zaak heeft betrekking op een heroïnetransport vanuit Turkije naar Nederland dat in Duitsland is onderschept; dit betreft de zogenoemde zaak Benoit, ook wel aangeduid als de ‘300 kg-zaak’. Dit transport vond plaats omstreeks de periode van
18 februari 2005 tot en met 28 februari 2005.
Voorafgaand aan dit transport, omstreeks de periode van 31 januari 2005 tot en met 4 februari 2005, heeft een ander heroïnetransport vanuit Turkije plaatsgevonden, waarbij de heroïne wel in Nederland is aangekomen. Dit
is de zogenoemde zaak Döner, ook wel aangeduid als de ‘100 kg-zaak’.

Met betrekking tot beide heroïnetransporten is opsporingsonderzoek verricht door zowel de Nederlandse als de Turkse politie. In Nederland was de Nationale Recherche, Unit Randstad Noord, met het opsporingsonderzoek belast en in Turkije de antismokkel- en narcoticabrigade te Ankara, aangeduid als KOM (Kaçakçilik ve Organize Suçlarla Mücadele Daire Başkanliği, hierna: KOM).

Het hierna volgende geldt in alle vijf strafzaken die onder de naam Benoit in hoger beroep aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.

5 Vaststelling van de feiten rondom de start van het onderzoek Benoit

5.1

De functie van een liaison-officer 1

Een Nederlandse politie verbindingsofficier (hierna: liaison officer of LO) heeft onder meer tot taak het onderhouden van functionele contacten in het land waar hij is gestationeerd en het uitwisselen van informatie. Afgezien van de Nederlandse regelgeving is het de gaststaat die bepaalt wat een liaison officer mag en wat niet. Een liaison officer heeft in beginsel geen executieve taken. Via de liaison officer kan de politie van het gastland inlichtingen en gegevens verstrekken die van belang zijn voor onderzoeken in Nederland. Het zogenoemde ‘runnen’ van een informant behoort niet tot zijn takenpakket.

[Getuige A] was in februari 2005 werkzaam als Nederlandse liaison officer in Turkije op de post Ankara. In die hoedanigheid moest hij zorg dragen voor de uitwisseling van informatie, verifiëren of die informatie rechtmatig was verkregen en of die informatie gebruikt kon worden in Nederland. [Getuige A] heeft daarover verklaard: “Ik ben de ‘schakel’ tussen de opsporingsautoriteiten in Nederland en die in het buitenland”.2

5.2

De start van een onderzoek, de gebruikelijke gang van zaken

Een onderzoek dat opstart in het buitenland, begint met informatie die wordt verkregen van buitenlandse autoriteiten. Vervolgens wordt bij die autoriteit(en) geverifieerd of die informatie rechtmatig is verkregen. Uitgangspunt bij die verificatie is het vertrouwensbeginsel. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden vertrouwd op hetgeen de buitenlandse autoriteiten waar mee wordt samengewerkt meedelen over de wijze van het verkrijgen van startinformatie en meer in het bijzonder over de rechtmatigheid daarvan.3

De liaison officer neemt in voorkomende gevallen contact op met Nederland (in 2005: met de Dienst Internationale Netwerken van het Korps Landelijke Politiediensten (hierna: DIN) of rechtstreeks met de Afdeling Informatie van de Nationale Recherche); er wordt overlegd of men de informatie wil hebben. De getuige [getuige 4] noemt dit het “exportabel maken” van de informatie. “Vervolgens wordt er gekeken of we capaciteit hebben om naar aanleiding van de informatie een onderzoek te starten. (…) In deze fase is er nog geen DIN-proces-verbaal. Pas nadat de beslissing is genomen dat we een onderzoek gaan starten, maakt de LO een proces-verbaal en dat gaat via mevrouw [9] van de DIN naar de Nationale Recherche”, aldus [getuige 4].4

Het hof zal in de strafzaak Benoit beoordelen of hetgeen tot aan het (doen) opmaken en verzenden van het DIN-proces-verbaal is gebeurd – de startinformatie - de toets der rechtmatigheid kan doorstaan.

5.3

De start van het onderzoek Benoit

Het onderzoek Benoit begon doordat [getuige 26] (het hoofd van de afdeling narcotica van de KOM) aan de toenmalig liaison officer [getuige 24] mondeling informatie verstrekte. Daarom kunnen over de start van het onderzoek alleen [getuige 24] en [getuige 26] uit eigen wetenschap verklaren.

Over de start van het onderzoek Benoit verklaart [getuige 24] tegenover de rechtbank op 16 oktober 2007, voor zover relevant, als volgt5:


“Ik kreeg als startinformatie van [getuige 26] dat er informatie was van een informant dat er een transport onderweg was naar Nederland en dat de ontvangers bepaalde telefoonnummers hadden. (…) Er werden bij aanvang van het onderzoek namen genoemd. [Getuige 26] had die informatie van een informant. (…) Hij belde dat hij een nieuwe zaak had en die gingen we bespreken. (…) We proberen altijd te verifiëren waar de informatie vandaan is gekomen. Als er sprake is van een informant vraag ik altijd welke rol die informant heeft in het onderzoek. Want als de informant in het onderzoek betrokken is, dan is het geen informant meer en dan doen we niet op deze wijze zaken. Er is dan nog wel samenwerking mogelijk, maar dan wordt het landelijk infiltratieteam ingeschakeld en gaat er een heel ander traject lopen. In dit geval was het een informant die één keer informatie had gegeven aan het begin van het onderzoek. Hij had de Turken om geld gevraagd om te investeren in het transport. De Turken hebben dat geweigerd, omdat ze op die manier geen zaken doen. De man is weggegaan en heeft zich niet meer gemeld. De informatie had hij inmiddels wel gegeven. Vervolgens is er door de KOM een tap aangesloten op deze informant en is hij eigenlijk verdachte geworden in deze zaak. [Getuige 26] vertelde dat deze informant vaker informatie had verstrekt. (…)

De informant in Benoit, over wie ik zonet sprak, was dezelfde als in Döner. In de zaak Döner had deze informant informatie gegeven en die zaak was succesvol verlopen. Ik heb de naam van deze man gevraagd omdat [getuige 26] had gevraagd of het mogelijk was deze man te belonen voor zijn informatie inzake Döner. Ik heb de naam doorgegeven aan de CIE, met de bedoeling hem te laten inschrijven in het register. Er zou een beloningsvoorstel opgemaakt worden. Dat is ook gedaan. Toen bleek in de tweede zaak, de Benoitzaak, dat de man verdachte was geworden en toen is het beloningsvoorstel van tafel gegaan. (…)

Als Nederland betrokken is in een zaak en er een Nederlands belang is in een zaak, dan kan er ook een beloning uitgekeerd worden aan een informant van Turkije. Er is in Nederland een regeling, die dan kan worden ingezet. Dat heb ik ook ingezet, maar toen hij in de tweede zaak verdachte was geworden, is dat gecanceld. Ik heb in de zaak Benoit geen beloning aangevraagd.

In het beloningsvoorstel in de zaak Döner heb ik de naam, die ik van [getuige 26] heb gekregen, opgenomen. Die naam heb ik ingestuurd naar de CIE. Die naam was anders dan de voornaam die in het Benoitonderzoek naar voren is gekomen. Ik vertrouw er achteraf niet helemaal op dat [getuige 26] mij de correcte naam heeft gegeven. De Turken willen hun informanten natuurlijk blijven afschermen. Ik wist wel dat het dezelfde informant was als in Döner. Die informant had, zoals gezegd, in de zaak Benoit om geld gevraagd om te kunnen investeren in een transport verdovende middelen om daarmee informatie te kunnen verstrekken. Dat was geen beloning, maar werkgeld. Daarvan hebben de Turken gezegd dat doen we niet. In Benoit is hij eigenlijk geen informant geweest. Hij heeft alleen in het begin informatie verstrekt, de rest kwam uit het onderzoek, uit de taps”.

“Het klopt dat op een gegeven moment de naam [bijnaam getuige 43] naar voren is gekomen. Ik wil niet zeggen of dat de informant was, omdat het gevaar oplevert voor die man. Het klopt dat [bijnaam getuige 43] in de zaak Benoit betrokken zou kunnen zijn met het inladen van de heroïne en dat hij contacten onderhield met de chauffeurs. Gaandeweg het onderzoek bleek uit de taps dat [bijnaam getuige 43] een sleutelrol vervulde in het verhaal. Als hij informant zou zijn geweest, dan werd hij gewoon verdachte”. 6

“De informant is onder de tap genomen, omdat hij strafbare feiten ging plegen, althans dat was de verwachting. Ze hebben getapt, omdat ze de zaak niet vertrouwden en toen bleek gaandeweg het onderzoek dat hij inderdaad verdachte was”. 7

“Ik heb van [getuige 26] vernomen dat de informant onder de tap is gezet, dat was heel kort voor de start van het onderzoek (het hof begrijpt: het onderzoek Benoit) in Nederland. Ik weet niet of hij daarvoor al onder een tap was gezet, zoals uit het Turkse dossier zou blijken. Ik ben er vanuit gegaan dat hij kort voor de aanvang van het onderzoek onder de tap is gegaan”.8

Bij de raadsheer-commissaris heeft [getuige 24] nog opgemerkt:

“U vraagt mij of ik iets kan vertellen over de aanloopfase naar de zaak Benoit. Ik heb over de zaak gehoord op het moment van de eerste verstrekking aan Nederland. Er is niet eerder over gesproken. (…) Ik heb de telefoon gepakt en Nederland ingelicht. De informatie wordt dan met een fax bevestigd en er wordt een proces-verbaal gemaakt in Nederland en aan het onderzoeksteam verstrekt. Dat was de start van het onderzoek”.9
“Er waren in het team geluiden dat er een infiltratietraject in Benoit zou zijn geweest. Dat was absoluut niet waar. De informant was verdachte geworden (…)”.10

Het hof leidt uit de verklaring van [getuige 24] een aantal zaken af ten aanzien van de start van het (Nederlandse) onderzoek in de zaak Benoit.

Ten eerste is er voorafgaand aan de hiervoor genoemde telefonische mededeling van [getuige 26] aan [getuige 24] een Turks traject geweest, waarin een ‘informant’ – iemand die in de zaak Benoit niet als informant is gerund, maar die kennelijk een deal wilde sluiten met de Turkse politie en die daartoe informatie heeft losgelaten, en waarmee overigens geen contacten meer zijn geweest – door de Turkse politie “onder de tap is gezet”, waarmee wordt bedoeld dat door hem gevoerde telefoongesprekken door de politie zijn afgeluisterd. Daarover heeft [getuige 24] geen verdere informatie; hij heeft geen betrokkenheid gehad bij het voortraject.

[Getuige 26] heeft aan [getuige 24] meegedeeld dat de man is weggegaan en zich niet verder heeft gemeld. De informatie die met [getuige 24] is gedeeld, geeft geen aanleiding om te denken dat er sprake was van een infiltrant of een infiltratietraject. [Getuige 24] heeft ernaar gevraagd, maar er waren, behalve dat de ‘informant’ onder de tap stond, geen contacten meer met deze persoon. Dat verklaart dat [getuige 24] zegt: “in Benoit was hij eigenlijk geen informant”.11 Er was wel een tap, gelegd omdat de verwachting was dat hij strafbare feiten zou gaan plegen, en toen bleek gaandeweg het onderzoek dat hij ‘inderdaad’ verdachte was. [Getuige 24] was er van overtuigd dat er geen infiltratietraject liep. Hij heeft overlegd met Nederland en een en ander heeft op de gebruikelijke wijze geleid tot het doen opmaken van een DIN-proces-verbaal, op basis waarvan formeel het Nederlandse opsporingsonderzoek kon plaatsvinden.

Het hof acht, uitgaande van de juistheid van de verklaringen van [getuige 24], de hier beschreven wijze van verkrijging en inzet van de startinformatie rechtmatig. Uit de door [getuige 24] beschreven gang van zaken blijkt immers dat hij informatie van de Turkse politie heeft gekregen, geïnformeerd heeft naar de herkomst van die Turkse informatie teneinde te verifiëren of de informatie rechtmatig was verkregen, die informatie bruikbaar heeft geacht en op verzoek van de Turkse politie op de gebruikelijke wijze heeft doorgeleid naar Nederland. Hij heeft niet vermoed, laat staan geweten dat er sprake was van een mogelijk ‘infiltratietraject’ in de zaak Benoit (waarvan het bestaan overigens allerminst vaststaat). Deze gang van zaken is gebruikelijk en rechtmatig.

Dat er, lopende het Nederlands onderzoek, een concrete verdenking is ontstaan tegen bovengenoemde informant in de zaak Benoit raakt op zichzelf niet aan de rechtmatigheid van de wijze van verkrijging van de startinformatie. Irrelevant is daarvoor of er naderhand, op basis van feiten en omstandigheden die zich na (de start van) het onderzoek hebben voorgedaan, aan Nederlandse zijde is vermoed of geweten dat er daadwerkelijk een Turks ‘infiltratietraject’ is geweest in de zaken Döner en/of Benoit. Van het bestaan van een Turks infiltratietraject is het hof overigens, als gezegd, allerminst overtuigd.

Dit zou alleen anders kunnen zijn, als op de door
[getuige 24] gegeven omschrijving van de start van het onderzoek niet zou kunnen worden vertrouwd. Het hof is echter van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de verklaringen van [getuige 24] over de start van het onderzoek onjuist zouden zijn, en baseert dit op een aantal feiten en omstandigheden waarop het hof nog nader zal ingaan (zie onder 5.5).

5.4

De verklaring van [getuige 26]

[Getuige 26] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard over de start van het onderzoek Benoit.12 Allereerst valt op dat ook hij de identiteit van de Turkse informant niet prijs wil geven en ook nauwelijks inzicht wil of mag geven in de methoden van de Turkse politie. Wel staat vast dat hij degene is geweest die met [getuige 24] heeft gesproken over de informatie die zou leiden tot het onderzoek Benoit. Voorts verklaart hij: “Bij het tweede onderzoek (hof: bedoeld is kennelijk het onderzoek dat leidde tot de startinformatie Benoit) hebben wij geen gebruik gemaakt van een informant. Het zou kunnen dat [getuige 24] hier wel in die veronderstelling verkeerde, dat hij dacht dat het zo was”.13 Tevens verklaart [getuige 26] dat in het tweede onderzoek (het hof begrijpt: in de zaak Benoit) geen gebruik is gemaakt van een informant.14 Verder is hij stellig over contact tussen [getuige 24] en een informant: “dat heeft niet plaatsgehad”.15 [Getuige 26] verklaart voorts dat er in de tweede zaak (het hof begrijpt: in de zaak Benoit) misschien fouten zijn gemaakt, maar geen criminele fouten. Bij doorvragen blijkt [getuige 26] met die ‘fouten’ te doelen op het feit dat de partij heroïne waar het in de zaak Benoit om ging niet, zoals de bedoeling was, in Nederland, maar in Duitsland in beslag is genomen.16 Wat daarvan zij, aan de rechtmatigheid van de startinformatie raakt dat niet. Ten tijde van de verkrijging en verstrekking van die informatie was de werkrelatie tussen [getuige 26] en [getugie 24] goed, aldus [getuige 26].17

5.5

Zijn er aanwijzingen om de verklaringen van [getuige 24] omtrent de startinformatie in twijfel te trekken?

Een eerste belangrijk gegeven is, dat [getuige 24] over de start van het onderzoek Benoit op hoofdpunten telkens heeft herhaald dat er een informant was en dat die lopende het onderzoek Benoit verdachte werd. Gedurende dit onderzoek heeft de DIN op 25 en 26 februari 2005 via liaison officer [getuige 24] van de Turkse autoriteiten aanvullende informatie verkregen met betrekking tot het heroïnetransport en vervolgens zijn de in deze DIN-processen-verbaal genoemde telefoonnummers in Nederland afgeluisterd.18

Voor zover [getuige 24] niet (geheel) open is geweest, betrof dat de identiteit van de informant. Hij heeft aanvankelijk in elk geval niet willen prijsgeven wie het was vanwege bronbescherming en omdat hij niet kon overzien wat de consequenties van zijn antwoord voor de veiligheid van personen waren.19


Hieronder volgen (deels zakelijk weergegeven) zijn verklaringen over de start van het onderzoek.

a. Op 16 maart 2006 heeft [getuige 24] bij de rechter-commissaris verklaard: “In dit geval was de eerste informatie verkregen door een informant. Ik heb gevraagd of hij een rol speelde in deze zaak. [Getuige 26] zei dat dit niet het geval was. Voordat [getuige 26] mij de eerste keer informatie verstrekte, had ik nog geen informatie over deze zaak. (…) [Getuige 26] heeft mij verteld dat de informant die de eerste informatie heeft verstrekt geen nadere informatie heeft verstrekt”.20 “Er heeft geen infiltratietraject plaatsgevonden”.21

Op 6 juni 2006 bij de rechter-commissaris heeft
[getuige 24] verklaard dat hij de voornaam weet van de informant die de informatie van 300 kilo had (hof: dit is de zaak Benoit). Hij wilde niet antwoorden op de vraag of die persoon naderhand als verdachte is aangemerkt omdat hij anders de informant in gevaar zou kunnen brengen.22 Verder heeft [getuige 24] verklaard dat hij tegen
[getuige 4] gezegd dat er geen sprake was van een infiltratie-actie. Voorts heeft hij verklaard dat hij niet weet of [bijnaam getuige 43] al in beeld was bij de Turken. Hij herinnerde zich dat [bijnaam getuige 43] in Nederland over de lijn kwam en dat daaruit bleek dat hij één van de organisatoren was. Die informatie heeft hij aan de Turken gegeven, die zijn toen gaan tappen. “Ik had met het hoofd Narcotica contact over [bijnaam getuige 43]. Hij vertelde mij dat ze waren gaan tappen”. “Volgens hem heeft hij geen informatie over de identiteit van [bijnaam getuige 43] teruggekoppeld gekregen van de Turken”.23

Het verhoor bij de rechtbank van 16 oktober 2007 (zie hierboven onder 5.3).

Bij de raadsheer-commissaris op 5 februari 2014:
“In de Benoit-zaak is meer verteld over de informatie. U vraagt mij of ik iets kan vertellen over de aanloopfase van de zaak Benoit. Ik heb over de zaak gehoord op het moment van de eerste verstrekking (het hof begrijpt: van informatie) aan Nederland. Er is niet eerder over gesproken. (…) Ik begreep dat er geld nodig was om te investeren in het transport. [Getuige 26] zei dat dat is geweigerd, om duidelijke reden denk ik. De informatie die ik kreeg, was de eerste informatie van de informant, of althans een deel daarvan. Daarna is de informant getapt. (…) Wat er verder in het onderzoek gebeurde, maakte dat de informant verdachte werd. (…) Ik kreeg bepaalde informatie van [getuige 26] en lopende het onderzoek bleek dat de informant toch doorging met bepaalde zaken en daarom werd hij verdachte. [Getuige 26] en ik hebben daarover gesproken. Ik heb dit niet gedeeld met Nederland, omdat het voor het tactisch team niet van belang was om te weten dat een informant verdachte was geworden. Ik heb dat later wel verteld aan [getuige 55]. (…) Naar mijn weten ben ik niet in de tapkamer geweest. (…) Ik had vertrouwen in [getuige 26]. (…) Er waren in het team geluiden dat er een infiltratietraject in Benoit zou zijn geweest. Dat was absoluut niet waar. De informant was verdachte geworden en dat heb ik in dat gesprek (hof: het zogenoemde Schipholgesprek) uitgelegd. (…) [Getuige 4] heeft mij drie keer gevraagd of er sprake was van een infiltrant in Benoit. Ik heb hem drie keer gezegd dat daar geen sprake van was”.24


“U vraagt mij wat ik precies wist over waar de Turken mee bezig waren. Heel weinig. De KOM wilde niet investeren. Kennelijk wilde de informant geld om als investeerder in dat transport deel te nemen. (…) Wat ik van [getuige 26] heb begrepen, is dat de informant informatie gaf over het transport en geld heeft gevraagd voor de investering. Dat wilde de KOM niet en daarna is de informant onder de tap gezet”.25

“U vraagt mij of ik gesprekken heb uitgeluisterd op de tapkamer. (…) Ik dacht mee in het onderzoek en wilde de bestemming van de legale lading achterhalen. (…) Het was een stukje advisering. (…) De raadsheer-commissaris vraagt of ik tevreden was over [getuige 26]. We waren een vertrouwensrelatie aan het opbouwen en dat ging goed. (…) De raadsheer-commissaris vraagt of ik kan toelichten wat [getuige 26] bedoelt met ’fouten van Nederlandse kant’. Ik heb de douane gebeld en [getuige 26] vond dat dit niet had gemogen”.26

Op 9 juli 2014 bij de raadsheer-commissaris:
“Als ik het mij goed herinner, was de informant in de tweede zaak gaandeweg het onderzoek verdachte. (…) Hij vroeg geld om daarin te investeren. Dat was voor het transport. (…) [Getuige 26] heeft tegen mij gezegd dat (…) ze dat niet zouden doen. (…) U houdt mij voor dat ik bij een eerder verhoor heb verklaard dat ik van het Nederlands team heb vernomen dat er een [bijnaam getuige 43] over de tap kwam en dat ik dat nummer aan de Turkse autoriteiten heb verschaft en dat de Turken vervolgens [bijnaam getuige 43] zijn gaan tappen en volgen. Dat kan ik mij niet herinneren”.27

Op 23 mei 2007 verklaart [getuige 24] bij het Bureau Veiligheid & Integriteit (hierna: BV&I):
“In mijn verklaring(en) praat ik over een burgerinformant. De onderzoeken Döner en Benoit zijn twee aparte onderzoeken. Dit is in het begin van het onderzoek besproken. (…) U vraagt mij wie aan mij heeft verteld dat er sprake zou zijn van een informant? Dit is door [getuige 26] aan mij verteld”.28 (…)
“De OVJ [getuige 4[ heeft drie keer heel nadrukkelijk aan mij gevraagd of hier sprake is geweest van een infiltratietraject. Ik heb [getuige 4] verteld dat de informant slechts een keer informatie had verstrekt in dit onderzoek en later verdachte is geworden. Van een infiltratietraject is in het geheel geen sprake geweest”.29(…)
“U confronteert mij met een brief over een tipgeldbeloning in de zaak Benoit. Ik had wel een verzoek gedaan maar gelet op het feit dat de informant mogelijk als verdachte in het onderzoek naar voren kwam, is dit gestopt. [Getuige 55] van de CIE/kernteam DNR is hierbij betrokken geweest”.30

Het hof merkt op dat er in deze (deels samengevatte) verklaringen van [getuige 24] een kwestie naar voren komt die vragen zou kunnen oproepen, namelijk het feit dat
[getuige 24] op 6 juni 2006 bij de rechter-commissaris meldt dat een ‘[bijnaam getuige 43]’ door de Turken onder de tap is gezet op zijn ([getuige 24]) aangeven. Dit herinnert hij zich later niet meer.31 De inhoud van zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris past wel goed bij het hier weergegeven onderdeel van [getuige 24] verklaring bij de rechtbank van 16 oktober 2007: “In het beloningsvoorstel in de zaak Döner heb ik de naam, die ik van [getuige 26] heb gekregen, opgenomen. Die naam heb ik ingestuurd naar de CIE. Die naam was anders dan de voornaam die in het Benoit-onderzoek naar voren is gekomen. Ik vertrouw er achteraf niet helemaal op dat [getuige 26] mij de correcte naam heeft gegeven. De Turken willen hun informanten natuurlijk blijven afschermen. Ik wist wel dat het dezelfde informant was als in Döner”.32

Het hof gaat ervan uit, dat [getuige 24] bij het verkrijgen van de startinformatie niet (juist) over de naam van de informant is geïnformeerd en aanvankelijk de ‘[bijnaam getuige 43]’ die naar voren kwam over de tap niet direct heeft ‘herkend’ als de informant. In dit verband overweegt het hof dat [getuige 24] bij het horen van de taps (in het Nederlandse onderzoek) kennelijk aanleiding heeft gezien om de Turken te vragen [bijnaam getuige 43] te tappen, en niet direct de link heeft gelegd met de informant (die immers al getapt wérd). Zo bezien ondersteunt deze verklaring bij de rechter-commissaris juist de door [getuige 24] geschetste situatie, namelijk dat ‘gaandeweg’ het onderzoek Benoit pas bekend werd dat de informant verdachte was. Aan de aannemelijkheid van dit scenario draagt nog bij de omstandigheid dat de informant in de zaak Döner officieel niet [bijnaam getuige 43] heette, al werd hij wel zo genoemd.33

Een tweede belangrijk gegeven is, dat de verklaringen van [getuige 24] en [getuige 26], voor zover het betreft de relevante gang van zaken bij het verstrekken van de startinformatie inzake Benoit, en voor zover [getuige 26] open is geweest, bij elkaar passen. Het hof merkt hier terzijde op dat de terughoudendheid van [getuige 26] omtrent het prijsgeven van informatie (over Turkse opsporingsmethoden en over de identiteit van de Turkse informant) past bij de opstelling van [getuige 24] daaromtrent.

Ten derde is goed voorstelbaar, dat de getuige [getuige 26], net als [getuige 24] (die kort samengevat stelt dat de informant door de Turkse politie is weggestuurd zonder dat een deal werd gesloten en met wie verder geen contacten zijn onderhouden) vindt dat de informatie ‘eigenlijk’ niet van een informant afkomstig is. Deze omstandigheid kan maar al te goed tot een zekere spraakverwarring hebben geleid. Aan die spraakverwarring kan voorts nog hebben bijgedragen de omstandigheid, dat in het Turkse rechtssysteem de normering en de invulling van de rol van ‘informant’ en ‘infiltrant’ sterk verschillen van die in Nederland, althans dat leidt het hof af uit de verklaringen van de getuige[getuige 29].34 In elk geval is er naar het oordeel van het hof, dit alles in aanmerking genomen, anders dan in eerste aanleg is gesteld, geenszins sprake van een dwingende conclusie dat de verklaring van [getuige 26] in tegenspraak is met die van [getuige 24] op het punt van de startinformatie in het onderzoek Benoit.35

Overigens ondersteunt de verklaring van [getuige 26] die van [getuige 24]; er is niets crimineels gebeurd en [getuige 24] heeft geen contacten gehad met een informant.

5.6

Het waarheidsgehalte van [getuige 24] verklaringen in het licht van het vervolg van de zaak.

Zoals gezegd, is de rechtmatigheid van het verkrijgen van startinformatie logischerwijs gekoppeld aan de start van de zaak en eindigt die fase, als die informatie ‘exportabel’ is gemaakt en is omgezet in een (Nederlands) start-proces-verbaal. Daarover kunnen alleen [getuige 26] en [getuige 24] uit eigen wetenschap verklaren.

De volgende vraag is, of uit feiten en omstandigheden die bekend zijn geraakt in het vervolg van deze fase kan worden afgeleid dat door een van beiden niet de waarheid is gesproken over de start van het onderzoek. Daarbij gaat het in het bijzonder om [getuige 24].

Een aantal zaken is daarover door de verdediging naar voren gebracht:

5.6.1

Er is tipgeld betaald, dan wel men wilde tipgeld betalen aan de informant in het eerdere onderzoek Döner, die ook optrad in Benoit.

Een zeker wantrouwen jegens de goede, dan wel kwade trouw van de liaison officer [getuige 24] (en dus omtrent het waarheidsgehalte van diens verklaringen) zou gepast zijn als juist is wat is gesteld van de zijde van de verdediging, namelijk dat [getuige 24] de informant in de zaak Benoit heeft doen betalen, of in elk geval de bedoeling zou hebben gehad de informant in de zaak Benoit voor zijn diensten te laten betalen. Immers, dan zou er mogelijk aanleiding bestaan om aan te nemen dat hij,
[getuige 24], willens en wetens gebruik heeft gemaakt van diensten van een informant die meer zou hebben gedaan dan ‘informeren’.

5.6.1.1 Is er tipgeld betaald in de zaak Döner?

Dat er betaald zou zijn aan de informant in de zaak Döner (dezelfde informant die in de zaak Benoit startinformatie heeft verstrekt) is een gerucht dat is opgetekend uit de mond van de tolk [getuige 46].36 Er is naarstig gezocht naar bewijs hiervoor, maar er is geen enkele bevestiging voor gevonden.37
Wel heeft ter zitting in hoger beroep de getuige [getuige 10] – voor het eerst - verklaard dat het hem bijstaat dat [getuige 23] (hof: de toenmalige collega liaison officer van [getuige 24] op de post Istanbul) hem heeft verteld dat er feitelijk betaald is. Zelf was [getuige 10] niet betrokken bij de zaak Döner, maar, verklaart hij bij het hof: “[Getuige 23] heeft mij verteld dat er tipgelden betaald zijn, ik denk in Benoit”.38 Daarop heeft het hof [getuige 23] over deze kwestie als getuige gehoord. [Getuige 23] heeft hierover gedetailleerd verklaard, namelijk dat [getuige 55] van de CIE tegen hem had gezegd dat er tipgeld betaald zou worden aan een informant, dat een concept-verzoek tot betaling in een kluis lag, dat in een tweede onderzoek (hof: Benoit) is gebleken dat de informant als verdachte zou kunnen worden aangemerkt en dat er dus niet betaald zou worden. [Getuige 23] heeft dit ‘slecht nieuws-gesprek’ met [getuige 29] gevoerd. Als hem de verklaring van [getuige 10] wordt voorgehouden, zegt [getuige 23] ter terechtzitting in hoger beroep: “Ik heb zo’n gesprek niet met [getuige 10] gevoerd”.39

Gelet op de ongespecificeerde en deels op vermoedens gebaseerde verklaring van [getuige 10]en op de concrete verklaring van [getuige 23] hierover, zal het hof de verklaring van [getuige 10] ter terechtzitting in hoger beroep hierover buiten beschouwing laten.

Het hof stelt vast dat er geen tipgeld is betaald aan de informant in de zaak Benoit; ook niet in het kader van de eerdere zaak Döner. Dat ondersteunt de verklaring van
[getuige 24], namelijk dat er aan deze informant niet betaald is en ook niet kon worden betaald, vanwege een verdenking die rees tegen de informant tijdens het onderzoek Benoit.

5.6.1.2 Was het de bedoeling van [getuige 24] dat er wél tipgeld betaald zou worden aan de informant voor diensten, bewezen in de zaak Benoit?

[Getuige 24] zelf heeft verklaard, dat het aanvankelijk de bedoeling was om de informant in de zaak Döner te betalen, maar dat die betaling met het aan het licht komen van de verdenking tegen de informant (in de loop van het onderzoek van Benoit) niet meer aan de orde was.

Het is allereerst van belang vast te stellen, dat tussen de afronding van het politieonderzoek in de zaak Döner en de start van het onderzoek Benoit slechts ruim twee weken zaten. Tipgeld wordt pas betaald als de tip tot succes heeft geleid.

In de zaak Döner was door [getuige 24] voorgesteld om bij succesvolle afronding tipgeld aan de informant te betalen.[Getuige 24] had daartoe informatie waarover hij beschikte omtrent de informant in die zaak ingestuurd naar de CIE (in de persoon van [getuige 55]). Kort daarop kwam hem ter ore dat dezelfde informant betrokken was bij de tweede zaak (hof: Benoit). Daarop heeft hij het proces-verbaal van de DIN doen faxen naar dezelfde [getuie 55]. Dergelijke informatie kán immers relevant zijn voor de betaling(en) die eventueel gedaan zullen worden. Het hof ziet hierin niets ongebruikelijks mede gelet op de hieronder weergegeven verklaring van [getuige 55].

[Getuige 55] heeft als getuige verklaard: “Mij wordt voorgehouden (…) een faxbericht d.d. 22 februari 2005 van [getuige 24] aan [getuige 10], waarin staat dat de startinformatie in de 300-kilozaak (hof: de zaak Benoit) zo snel mogelijk moet worden doorgegeven aan mij. Mij wordt gevraagd of deze handelwijze gebruikelijk is en of het gebruikelijk is dat de startinformatie ook naar de CIE wordt gestuurd. Dat is voor dit soort situaties een gebruikelijke route (…) Ik kon het startproces-verbaal dus plaatsen vanwege mijn contact met [getuige 24]. (…) Hij deed mij heel concreet het verzoek zoals ik dat al omschreven heb. Mocht het een succesvolle zaak worden, zou er dan sprake kunnen zijn van een beloning? (…) Mij staat bij dat ik twee informatierapporten heb ontvangen. (…) Ik weet dat het een normaal verzoek betrof en dat hij de informatie aanleverde. Vervolgens heb ik een aanvang gemaakt met het beloningsvoorstel. (…) Het verzoek en de informatie kwamen binnen en dat heb ik sec weggezet in een formatje van een beloningsvoorstel, zoals gebruikelijk is. Daarmee is er mijns inziens nog geen sprake van een beloningsvoorstel, dat moest zijn beslag nog krijgen. Het betrof dus een concept beloningsvoorstel”.40

Als [getuige 55] wordt voorgehouden dat zich in het dossier twee versies van het concept beloningsvoorstel bevinden (waarvan één met ‘krabbels’, die naar hij verklaart van hem afkomstig zijn), kan hij die krabbels niet helemaal duiden, maar legt hij wel een relatie tussen de Benoitzaak en de Dönerzaak (zonder die relatie nog nader toe te kunnen lichten).41

Het hof heeft in het dossier aangetroffen een rapport van [getuige 24] ten behoeve van een beloningsvoorstel gedateerd 7 februari 2005, waarin informatie is opgenomen over de Dönerzaak. Er bevinden zich voorts twee niet gedateerde beloningsvoorstellen van [getuige 55] in het dossier. Het hof heeft de twee concepten naast elkaar gelegd. De getypte tekst is hetzelfde en relateert expliciet dat het gaat om de zaak Döner.

Bij één concept-exemplaar is niet ingevuld om wat voor zaak het gaat en is bovenaan genoteerd: “opzetje! Vervallen”. Bij het andere concept is doorgestreept dat het om een zaak van vuurwapenbezit of plegen van overvallen zou gaan, zodat de resterende mogelijkheid van in-/uitvoer van verdovende middelen is blijven staan.

Verder is in dit concept genoteerd onder kopje 3:
‘De betrouwbaarheid van de informant en de informatie’ “vervolg onderzoek” en onder kopje 4 onder de getypte tekst ‘Langer lopende verd lijn??’: “Samenwerking? Gestart via doorloop in andere zaak”.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep interpreteert het hof de gebeurtenissen omtrent de totstandkoming van het beloningsvoorstel als volgt.

[getuige 55] heeft op aangeven van [getuige 24] een concept beloningsvoorstel in de zaak Döner gemaakt. Toen het startproces-verbaal van de DIN naar hem werd doorgezonden – een doorzending die hij vanwege zijn contact met [getuige 24] kon ‘plaatsen’- heeft hij op het format enkele aanvullingen genoteerd die op zichzelf passen bij de startinformatie die [getuige 24] op 22 februari 2005 had, namelijk dat dezelfde informant die in Döner een rol speelde, in Benoit weer naar voren kwam. Bedacht moet worden dat het beloningsverzoek in de zaak Döner nog liep. Dat [getuige 10]42 het vreemd vond dat hij de startinformatie moest aanleveren bij de CIE, is verklaarbaar, gelet op het feit dat [getuige 10] niet betrokken was bij de zaak Döner en dat niet is gebleken dat hij wist dat er in die zaak een beloningsvoorstel liep. Er is niets te lezen wat wijst op een vermoeden van [getuige 55] dat er toen – op 22 of 23 februari 2005 - (al) een verdenking bestond jegens de informant, ook niet in diens eigen verklaringen.43 Het geheel sluit goed aan bij de gang van zaken bij betaling van tipgeld aan een niet-verdachte informant, die ruim twee weken na de succesvolle afsluiting van een onderzoek gebaseerd op zijn informatie (een vanuit administratief oogpunt bezien korte tijd, waarin niet aannemelijk is dat de afhandeling van een eventuele tipgeldbetaling is afgerond), opduikt in een volgende zaak, een gegeven dat dan relevant zou kúnnen zijn voor – bijvoorbeeld – de hoogte van de beloning, het tijdstip van het uitbetalen van een beloning of zelfs voor een mogelijke ophoging van de beloning bij een succesvolle afronding in de tweede zaak. Dat alles zou de bedoeling kunnen zijn geweest, áls er niet een verdenking was gerezen lopende het tweede onderzoek (Benoit).

De verklaring van [getuige 55], en ook de aangetroffen concepten, wijzen niet per se in een andere richting, integendeel: dit alles past naadloos in hetgeen door [getuige 24] is geschetst. Er is ook nooit een concept beloningsvoorstel in de zaak Benoit aangetroffen.

Het hof komt – anders dan de rechtbank – tot de vaststelling dat op basis van de hier beschreven gang van zaken er buiten de verklaringen van [getuige 46] geen aanwijzing is dat er een betalingsvoorstel in de zaak Benoit is gedaan door [getuige 24]. [Getuige 24] rapport is geschreven ten behoeve van betaling in de zaak Döner, evenals de twee concepten, en van een betalingsvoorstel in de zaak Benoit is helemaal niets gebleken. Dat er ooit – mogelijk – een betaling had kunnen volgen in de zaak Benoit is slechts een hypothese. Tot een concreet voorstel is het niet gekomen.

5.6.1.3 Het ‘cancelen’ van het betalingsvoorstel

Daarmee komt het hof toe aan het afblazen, het ‘cancelen’ van het betalingsvoorstel in de zaak Döner.

Daarvoor is het volgende van belang. Er is een moment gekomen dat [getuige 55] op de hoogte raakte van het feit dat de informant in de zaak Benoit verdacht werd van strafbare feiten. Bij het BV&I verklaart [getuige 55] dat hij na de aanhouding in de zaak Benoit begrijpt dat de informant mede-organisator was van het transport.44 Dat moet zijn geweest ná 28 februari 2005, want dat is de datum waarop de zaak Benoit is ‘geklapt’. Dat is ook de datum waarop [getuige 55] naar eigen zeggen heeft gesproken met [getuige 24]. Bij de rechtbank verklaart [getuige 55] dat hij [getuige 24] toen te verstaan heeft gegeven dat het “feestje van de beloning niet door zou gaan”.45 [Getuige 24] kan bij de rechtbank niet precies aangeven op welk moment hij met [getuige 55] heeft overlegd, maar wel dát hij met [getuige 55] overleg heeft gehad en dat de inhoud van het overleg was dat er niet betaald ging worden, nu de informant verdachte was geworden. Wie dat aan wie heeft uitgelegd kan hier in het midden blijven.

5.6.1.4 Wijst het latere ‘stalken’ van [getuige 55] door [getuige 24] erop dat hij toch wilde dat de informant zou worden betaald?

[Getuige 55] heeft beweerd dat [getuige 24] hem ‘bleef stalken’ door hem twee of drie keer te benaderen met de vraag of niet toch een beloning mogelijk was.46 [Getuige 24] heeft dit weersproken; hij heeft [getuige 55] naar eigen zeggen tweemaal benaderd om nog eens helder te maken dat er níet betaald moest worden. Vast staat derhalve dat er naderhand nog contact tussen hen is geweest over ‘de beloning’, waarbij het hof ook nog betrekt, dat er mogelijk inderdaad van Turkse zijde ook nog is aangedrongen op een beloning voor ‘de informant’. Wat hier ook van zij, het hof is van oordeel dat met ‘de beloning’ in elk geval niet ‘de beloning’ in de zaak Benoit kan zijn bedoeld, nu er verder (zie ook hierboven onder 5.6.1.1 en 5.6.1.2) geen aanleiding is om te veronderstellen dat in de zaak Benoit een beloningsvoorstel is gemaakt en [getuige 55] én [getuige 24] het erover eens zijn dat er zonder voorstel niet betaald kan worden. Voor de onderhavige strafzaak is het niet relevant nog nader vast te stellen wat er in de telefoongesprekken precies is gewisseld.

5.7

Conclusie

Bovenstaande feiten, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof ertoe bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het startonderzoek de verklaringen van [getuige 24] als waarheidsgetrouw aan te merken. Van bijzondere omstandigheden, die met zich mee zouden brengen dat niet vertrouwd mocht worden op mededelingen van de Turkse politie is niet gebleken. Het vertrouwensbeginsel is derhalve van toepassing.

De conclusie is dat het onderzoek Benoit rechtmatig is gestart. Naar het oordeel van het hof is
niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte op grond van het vorenstaande daarom niet aan de orde.

6 Beoordeling van het vonnis van de rechtbank

Het hof zal hierna ingegaan op enkele relevante onderdelen van het vonnis van de rechtbank, waarop de verdediging zich heeft verlaten ter onderbouwing van het ontvankelijkheidsverweer.

6.1

Transparantie van het onderzoek Benoit

Blijkens het vonnis van de rechtbank heeft de verdediging zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat door het Openbaar Ministerie niet transparant is geopereerd en dat geen adequate verslaglegging heeft plaatsgevonden in de zaak Benoit.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Gebleken is dat het Openbaar Ministerie getracht heeft veel informatie over het onderzoek in de zaak Benoit boven water te krijgen. Het hof stelt voorts vast dat de betreffende stukken - voor zover boven water gekomen - ter beschikking van zowel de verdediging, de rechtbank, als het hof zijn gesteld.

Niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie op enigerlei wijze informatie buiten het dossier heeft gehouden en aldus niet aan de eisen van transparantie heeft voldaan.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de verdediging - tegen die achtergrond - onvoldoende concreet is onderbouwd.

6.2

Samenwerking Nederlandse en Turkse onderzoeksteams

De rechtbank heeft de conclusie getrokken dat de Nederlandse en Turkse onderzoeksteams de facto hebben gewerkt als één locatie-overstijgend gemeenschappelijk opsporingsteam en dat gelet daarop vanuit Nederland onvoldoende sturing en controle is uitgeoefend op die internationale samenwerking tijdens de opsporingsactiviteiten.

Naar het oordeel van het hof is uit de processtukken gebleken dat in de Benoitzaak twee parallelle onderzoeken in Nederland en Turkije liepen. In dat kader is tussen de Nederlandse en Turkse onderzoeksteam na de startinformatie en lopende het onderzoek zeer veel informatie uitgewisseld.

Een en ander brengt op zichzelf niet met zich mee dat er sprake is geweest van één locatie-overstijgend gemeenschappelijk opsporingsteam.

Het hof stelt voorts vast dat in de zaak Benoit niet een Joint Investigation Team (een zogenoemd JIT) was ingesteld, hoewel dit op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Verdrag van Wenen) wel mogelijk was geweest. Nu geen sprake was van een JIT, hoeft mitsdien niet te zijn voldaan aan het bepaalde in de artikelen 552qa tot en met 552qe van het Wetboek van Strafvordering.

Nu er geen sprake was van ‘de facto één locatieoverstijgend gemeenschappelijk opsporingsteam’ noch van een JIT is naar het oordeel van het hof de grond ontvallen aan de hierboven omschreven conclusie van de rechtbank. Ook overigens is het hof op dit punt niet van onrechtmatigheden gebleken. De conclusie van de rechtbank wordt niet gedeeld en het verweer - voor zover dat hierop ziet - wordt verworpen.

6.3

Nauwe en directe samenhang Döner- en Benoitzaak

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er tussen de Dönerzaak en de Benoitzaak een nauwe en directe samenhang bestaat.

Het hof stelt op grond van de volgende feiten en omstandigheden vast dat sprake is van zekere overeenkomsten in de onderzoeken Döner en Benoit:

  • -

    in de zaken Döner en Benoit is sprake van een aanzienlijk transport van heroïne per vrachtauto dat vanuit Turkije per boot naar Triëst (Italië) is vervoerd en vervolgens per vrachtwagen naar Nederland moest worden vervoerd;

  • -

    het transport van heroïne in de zaak Benoit vond bovendien plaats korte tijd - ruim twee weken - na het transport in de zaak Döner;

  • -

    in de beide onderzoeken was in Nederland hetzelfde onderzoeksteam betrokken;

  • -

    de startinformatie in de zaken Döner en Benoit was bovendien afkomstig van dezelfde informant.

Het hof overweegt voorts dat er verschillen bestaan tussen de zaken Döner en Benoit:

  • -

    de zaken Döner en Benoit zien op verschillende groepen verdachten;

  • -

    het betreft twee verschillende transporten;

  • -

    de startinformatie is in de beide onderzoeken op een verschillende wijze binnengekomen.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een zodanig verband, dat een mogelijke onrechtmatigheid in de Dönerzaak heeft doorgewerkt in de Benoitzaak.

6.4

Infiltratietraject in Benoit en wetenschap hierover bij [getuige 24]

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat sprake is geweest van een infiltratietraject in de Benoitzaak en dat [getuige 24] hiervan op de hoogte moet zijn geweest.

Het hof acht deze conclusie onvoldoende concreet en onderbouwd. Anders dan de rechtbank, is naar het oordeel van het hof op grond van het hiervoor overwogene (met name onder 5.3) niet aannemelijk geworden dat in de Benoitzaak een infiltrant heeft opgetreden; als dat al het geval is geweest, dan is in het geheel niet gebleken dat [getuige 24] wetenschap hiervan heeft gehad of had moeten hebben.

7 Onjuiste informatie gegeven door de officier van justitie [geuige 2]

Ter terechtzitting van 7 september 2005 heeft de toenmalige officier van justitie [getuige 2] gesteld: “Ik heb van het begin af aan gezegd dat dit onderzoek in Nederland is opgestart (…) [Z] is aangehouden in een Turks onderzoek. Hij komt voor in het dossier (hof: Benoit) onder de naam [bijnaam z]. (…) Het Turkse onderzoek heeft niets van doen met dit onderzoek”.47 Eerder (namelijk op 15 augustus 2005) had zij al aan de rechter-commissaris bericht48 dat het Turks strafdossier “een zelfstandig onderzoek” betrof naar criminele activiteiten, dat het dus niet ging om “het Turkse deel van het onderzoek Benoit” en dat er dus ook geen “Turks dossier met betrekking tot het transport van de in Duitsland in beslag genomen partij verdovende middelen” zou zijn.

Het hof stelt vast, dat de officier van justitie in de brief aan de rechter-commissaris en op de zitting van
7 september 2005 onjuiste informatie heeft verschaft. Er liep – anders dat zij meedeelde - wel een (parallel) Turks onderzoek met betrekking tot de ‘aanvoerkant’ van de 90 kilo heroïne die in de zaak Benoit in Duitsland in beslag is genomen, zoals (mede) bleek uit de op diezelfde zitting door de verdediging overgelegde fax d.d. 30 maart 2005. Dát Turks onderzoek had derhalve wel ‘iets’ van doen met het Nederlands onderzoek Benoit.

Bij de rechtbank is [getuige 2] hierover ondervraagd49; toen heeft zij verklaard dat zij in juni 2005 niet wist waarvoor [Z] was aangehouden en dat zij daar ook geen navraag naar had gedaan, omdat zij dat niet interessant vond. Voorts heeft zij verklaard: “Ik ging er van uit – en dat had ik wellicht moeten controleren - dat de politie het mij gemeld zou hebben als er in Turkije een onderzoek liep naar de exportkant van die 90 kilo. Ik heb dat niet gecontroleerd”.

Haar gedachte is onjuist gebleken en haar opmerking was minst genomen onverstandig, nu zij feitelijk onvoldoende geïnformeerd was. Van belang is echter dat niet is gebleken dat [getuige 2] bewust heeft getracht de rechtbank dan wel de verdediging op het verkeerde been te zetten, door haar mededelingen aan de rechter-commissaris en door op 7 september 2005 voor de rechtbank aldus te verklaren. Ook is niet gebleken dat de verdediging of de rechtbank daadwerkelijk op het verkeerde been is gezet door de onjuiste mededelingen van [getuige 2].

Er is geen sprake van een vormverzuim, daarin bestaande dat de officier van justitie ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voorts is ook niet gebleken, dat de rechtbank en/of de verdediging door de verklaring van [getuige 2] zijn misleid. Artikel 359a
lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering is derhalve niet aan de orde.

Het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof evenmin leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

8 Beslissingen op verzoeken

8.1

Algemeen

In het hierna volgende wordt ingegaan op alle verzoeken gedaan door de verdediging van de verdachten en zijn medeverdachten bij brieven van 10 februari 2013 en
11 februari 2013, alsmede gedaan ter terechtzitting van 10 en 13 november 2014.

Tenzij anders is aangegeven, zijn de beslissingen telkens in alle zaken genomen. De nummering van de verzoeken, zoals gevolgd in deze zaak, wordt ten behoeve van de overzichtelijkheid in alle zaken gevolgd.

8.2

Getuigenverzoeken van de verdediging

8.2.1

Getuigenverzoeken gedaan bij brief

Indien het hof niet mocht komen tot een
niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie, heeft de raadsman van de verdachte [naam verdachte A], mr. Taekema, verzocht de hierna genoemde getuigen te doen horen.50 Alle raadslieden in de zaken van de medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten.

1. [getuige 1], voormalige Minister van Justitie;

2. [getuige 2], voormalig zaaksofficier van justitie;

3. [getuige 3], voormalig zaaksofficier van justitie;

4. [getuige 4], voormalig teamleider [getuige 2], later zaaksofficier van justitie;

5. [getuige 5], voormalig CIE-officier van justitie;

6. [getuige 6], plaatsvervangend korpschef KLPD;

7. [getuige 7], voormalig hoofdofficier van justitie;

8. [getuige 8], voormalig DIN en voormalig LO te Turkije;

9. [getuige 9], voormalig unithoofd DIN;

10. [getuige 10], voormalig DIN;

11. [getuige 11], voormalig teamleider DIN;

12. [getuige 12], (voormalig) DIN;

13. Echtgenoot [getuige 13], chef van [getuige 11] bij ABN Amro;

14. [getuige 14], (voormalig) DIN;

15. [getuige 15], (voormalig) DIN;

16. [getuige 16], waarnemend teamleider DIN;

17. [getuige 17], voormalig hoofd DIN, thans Rijksrecherche;

18. [getuige 18], (voormalig) KLPD;

19. [getuige 19], voormalig) KLPD;

20. [getuige 20], (voormalig) KLPD;

21. [getuige 21], (voormalig) politiechef;

22. [getuige 22], Unitleider Randstad Noord Nationale Recherche;

23. [getuige 23], voormalig LO te Istanbul;

24. [getuige 24], voormalig LO te Ankara;

25. [getuige 25], assistente van LO te Turkije;

26. [getuige 26], voormalig directeur KOM te Turkije;

27. [getuige 27] ([bijnaam getuige 27), voormalig hoofdinspecteur KOM te Turkije;

28. [getuige 28], Turkse Douane;

29. [getuige 29], politiechef te Turkije;

30. [getuige 30], politie Turkije, case officer en leider tactisch onderzoek in Turkije in Benoit zaak;

31. [getuige 31], politie Turkije;

32. [getuige 32], LO voor Turkije in Nederland;

33. [getuige 33], (voormalig) politiechef;

34. [getuige 34], AIVD en lid observatieteam;

35. [getuige 35], lid observatieteam;

36. [getuige 36], transportondernemer;

37. [getuige 37], neef [getuige 36] en eigenaar transportonderneming;

38. [getuige 38], neef [getuige 36] en eigenaar transportonderneming;

39. [getuige 39], zie zaaksjournaal 22 februari 2005;

40. [getuige 40], verantwoordelijk voor laden en volgen van voertuigdossier;

41. [getuige 41], naam wordt vaak genoemd in Turkse stukken;

42. [getuige 42], “bijnaam [getuige 42]”, vermeende infiltrant;

43. [getuige 43], beweerdelijk afzender van partij heroïne;

44. [getuige 44], chauffeur transport;

45. [getuige 45], chauffeur transport;

46. [getuige 46], tolk.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte [medeverdachte D], mr. De Bruin, verzocht de hierna genoemde getuigen te doen horen.51 Alle raadslieden in de zaken van de medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten.

47. [getuige 47], voormalig zaaksofficier van justitie;

48. [getuige 48], destijds werkzaam bij Dienst Directie Veiligheid te Istanbul.

8.2.2

Getuigenverzoeken gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 13 november 2014

Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 13 november 2014 heeft de raadsman van de verdachte [naam verdachte A], mr. Taekema, de getuigenverzoeken genoemd onder de nummers 1 tot en met 48 herhaald. Daarnaast heeft
mr. Taekema aanvullend verzocht de hierna genoemde getuigen te doen horen.

Alle raadslieden in de zaken van de medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten.

49. [getuige 49], lid observatieteam;

50. [getuige 50], lid observatieteam;

51. [getuige 51], LO te Ankara, chef Istanbul;

52. [getuige 52], assistent van de LO te Istanbul;

53. [getuige 53], Duitse Douane liaison in Turkije;

54. [getuige 54], Duitse liaison in Turkije;

55. [getuige 55], KLPD;

56. [getuige 56];

57. [getuige 57], landelijk parket;

58. [getuige 58], advocaat-generaal bij hof Den Haag en bevriend met [getuige 11];

59. [getuige 59], CIE-officier van justitie.

Voorts heeft de raadsman van de verdachte [medeverdachte B], mr. Rijser, het voorwaardelijke verzoek gedaan [getuige 24] als getuige te doen horen. De raadsman van de verdachte [medeverdachte C], mr. Van Gerven, heeft zich bij dit voorwaardelijke verzoek aangesloten.

8.3

Oordeel van het hof

Het hierna volgende geldt in alle zaken.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de volgende getuigen zijn gehoord.

Door de raadsheer-commissaris:

2. [getuige 2];

11. [getuige 11];

24. [getuige 24];

25. [getuige 25];

33. [getuige 33];

46. [getuige 46].

Ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2014, respectievelijk 13 november 2014:

10. [getuige 10];

18. [getuige 18];

23. [getuige 23].

Het hof stelt vast dat de raadslieden geen afstand hebben gedaan van de getuigen [getuige 18] en [getuige 23]. Voorts hebben de raadsman van de verdachte [medeverdachte B], mr. Rijser, en de advocaat-generaal geen afstand gedaan van de getuige [getuige 10].

Op 10 november 2014 en 13 november 2014 heeft het hof de beslissingen op de verzoeken van de verdediging en de advocaat-generaal - voor zover het betreft de getuige
[getuige 47] - aangehouden tot bij arrest.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Het hof stelt ten eerste vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep reeds een zeer groot aantal getuigen is gehoord, respectievelijk door de rechter-commissaris, ter terechtzitting van de rechtbank, door de raadsheer-commissaris, en ter terechtzitting van het hof. Voorts is het hof gebleken dat, wanneer deze getuigen worden geconfronteerd met gebeurtenissen die zich - thans in hoger beroep - ruim negen jaar geleden hebben voorgedaan, deze getuigen grote moeite hebben om zich te herinneren wat zij uit eigen waarneming weten en wat zij uit geruchten hebben vernomen. Het hof constateert bovendien dat in de zaak Benoit inmiddels is komen vast te staan dat een zeer grote hoeveelheid geruchten circuleert.

Ten aanzien van de getuigen genoemd onder de nrs. 1, 3,
6, 7, 8, 10, 12 tot en met 21, 28 tot en met 42, en 47 geldt het verdedigingsbelang, op grond van het bepaalde in de artikelen 414 juncto 263 en 264, eerste lid, aanhef en onder c, Wetboek van Strafvordering.

Het hof wijst deze getuigenverzoeken af. Naar het oordeel van het hof is de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad. Deze verzoeken zijn onvoldoende onderbouwd en het horen van deze getuigen acht het hof in redelijkheid niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken onder de
nrs. 2, 4, 5, 9, 11, 22 tot en met 27, 43 tot en met 46, en 48 tot en met 59 is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing, op grond van het bepaalde in artikel 418
lid 2 Wetboek van Strafvordering. Daarbij gaat het om de vraag of het verzochte noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing, dan wel of overigens de noodzaak van het verzochte aan het hof is gebleken.

Het hof wijst deze getuigenverzoeken af. Het hof acht de verzoeken onvoldoende concreet onderbouwd. Daarnaast acht het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk voor enige door het hof te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

Voorwaardelijk verzoek in de zaken [medeverdachte B] en [medeverdachte C]

Het hof stelt vast dat [getuige 24] op 5 februari 2014,
24 februari 2014 en op 9 juli 2014 door de raadsheer-commissaris in aanwezigheid van de verdediging als getuige is gehoord. Het noodzakelijkheidscriterium is van toepassing. In het licht van de onderbouwing van het voorwaardelijke verzoek, acht het hof het niet noodzakelijk deze persoon nogmaals als getuige te horen. Het voorwaardelijke verzoek wordt daarom afgewezen.

Ten aanzien van alle zaken

Het hof overweegt voorts dat de personen [getuige 18], [getuige 10] en [getuige 23] ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2014, respectievelijk 13 november 2014 als getuigen zijn gehoord in aanwezigheid van alle raadslieden. Gelet hierop en alles afwegend acht het hof het andermaal horen van deze personen als getuigen niet noodzakelijk voor enige te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

8.4

Verzoek om processtukken door de verdediging

Voorts heeft de raadsman van de verdachte [naam verdachte A], mr. Taekema, verzocht de voeging van de hierna genoemde processtukken in het dossier. Alle raadslieden in de zaken van de medeverdachten hebben zich hierbij aangesloten.


1. Een volledig zaaksjournaal (postjournaal) betrekking hebbende op de zaken Döner en Benoit, zoals dat waarschijnlijk beschikbaar is op de diplomatieke posten in Istanbul en Ankara, dan wel bij het KLPD;

2. het Turkse strafdossier met inhoudsopgave in de zaak Benoit;

3. het Turkse telefoontapdossier met datum, tijdstip en tegennummer.

8.5

Oordeel van het hof

Het hierna volgende geldt in alle zaken.

Het hof past het in artikel 315 Wetboek van Strafvordering vervatte noodzakelijkheidscriterium toe. Daarbij gaat het om de vraag of het hof de noodzakelijkheid van de overlegging van de gevraagde bescheiden is gebleken.

Het hof is van oordeel dat de verzoeken onvoldoende concreet onderbouwd zijn en dat niet is voldaan aan het hiervoor weergegeven criterium. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien, waarom overlegging van de gevraagde bescheiden noodzakelijk is voor enige door het hof te nemen beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.

Ten overvloede stelt het hof vast dat het Openbaar Ministerie, sinds het ten laste gelegde feit dat is gepleegd begin 2005, jarenlang moeite heeft gedaan om de gevraagde bescheiden te verkrijgen, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de ontvangst van de stukken waarover het hof thans beschikt. Er doet zich derhalve niet een situatie voor van onthouding van relevante informatie. Het hof acht voorts niet aannemelijk dat het hof binnen een aanvaardbare termijn zal kunnen beschikken over de gevraagde bescheiden.

Het hof is van oordeel dat de noodzaak van overlegging van de verzochte processtukken niet is gebleken, zodat de verzoeken worden afgewezen.

9 Conclusie

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Evenmin is sprake van een schending van de artikelen 348 en/of 359a Wetboek van Strafvordering.

Bij deze stand van zaken is er geen grond om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof verklaart het Openbaar Ministerie derhalve ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Het hof zal, aangezien zowel de advocaat-generaal als de verdediging terugwijzing van de zaak verlangt, op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de beslissing waarvan beroep vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank Rotterdam.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering, mr. S.K. Welbedacht en mr. H.C. Wiersinga, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 december 2014.

1 J. Koers, Nederland als verzoekende staat bij de wederzijdse rechtshulp in strafzaken; Achtergronden, grenzen en mogelijkheden, 2001, p. 231-233.

2 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 36.

3 Hoge Raad 31 januari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU3446; Hof Amsterdam 12 juni 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8380.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 9 juli 2007, p. 4.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 37-38.

6 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 39.

7 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 40.

8 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 45.

9 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 5 februari 2014, p. 3.

10 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 5 februari 2014, p. 4.

11 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 38.

12 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 (bedoeld zal zijn 18) januari 2008, p. 41 e.v.

13 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 (bedoeld zal zijn 18) januari 2008, p. 49.

14 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 (bedoeld zal zijn 18) januari 2008, p. 53.

15 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 (bedoeld zal zijn 18) januari 2008, p. 45.

16 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 (bedoeld zal zijn 18) januari 2008, p. 50.

17 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 (bedoeld zal zijn 18) januari 2008, p. 50.

18 DIN-proces-verbaal d.d. 1 maart 2005, p. 12001 en DIN-proces-verbaal d.d. 1 maart 2005, p. 25005.

19 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 24 februari 2014, p. 2.

20 Verklaring bij rechter-commissaris d.d. 16 maart 2006, p. 2.

21 Verklaring bij rechter-commissaris d.d. 16 maart 2006, p. 4.

22 Verklaring bij rechter-commissaris d.d. 6 juni 2006, p. 2.

23 Verklaring bij rechter-commissaris d.d. 6 juni 2006, p. 3.

24 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 5 februari 2014, p. 3.

25 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 5 februari 2014, p. 5.

26 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 5 februari 2014, p. 6.

27 Verklaring bij raadsheer-commissaris d.d. 9 juli 2014, p. 3.

28 Rapportage BV&I d.d. 27 juni 2007, p. 23.

29 Rapportage BV&I d.d. 27 juni 2007, p. 25.

30 Rapportage BV&I d.d. 27 juni 2007, p. 26.

31 Verhoor raadsheer-commissaris d.d. 9 juli 2014, p. 3.

32 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 oktober 2007, p. 38.

33 Verklaring [getuige 43], Republiek van Turkije, Parket van de Hoofdofficier van Justitie te Istanbul (bevoegd ex. Artikel 250 Sv), Ministerieel Corr. Nr: 2006/275, 24.12.2006, proces-verbaal van rogatoire commissie opgemaakt op 21 december 2006.

34 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 15 februari 2011, p. 3 t/m 15.

35 Anders dan de voorzitter van de rechtbank concludeert, vergelijk ondervraging [getuige 26] door de voorzitter, proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 januari 2008, p. 53; vonnis van de rechtbank onder punt 7, p. 9-10.

36 Zie verklaringen [getuige 46]: BV&I rapportage d.d. 27 juni 2007, p. 152; proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van
10 oktober 2007, p. 23; verklaring bij de raadsheer-commissaris van
11 juli 2014, p. 3.

37 Zie proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van
16 januari 2008, verklaring van [getuige 55] op p. 19 en de verklaring van [getuige 5] op p. 29; BV&I rapportage d.d. 27 juni 2007, verklaring [getuige 19], p. 145.

38 Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 10 november 2014.

39 Proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 13 november 2014.

40 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van
16 januari 2008, p. 17 e.v.

41 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van
16 januari 2008, p. 18.

42 BV&I-rapportage d.d. 5 december 2007, p. 12; proces-verbaal ter terechtzitting van het hof van 13 november 2014.

43 Zie verklaringen [getuige 55]: BV&I-rapportage d.d. 27 juni 2007,
p. 146 e.v.; proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 januari 2008, p. 17 e.v.

44 BV&I-rapportage d.d. 27 juni 2007, p. 147.

45 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 januari 2008, p. 18.

46 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 16 januari 2008, p. 19.

47 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 9 september 2005, p. 2.

48 Brief van officier van justitie [getuige 2] aan de rechter-commissaris [ZZ].

49 Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank van 26 maart 2007, p. 3-4.

50 Brief van mr. Taekema d.d. 10 februari 2013.

51 Brief van mr. De Bruin d.d. 11 februari 2013.