Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:4016

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
2200345113
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is onder meer ter zake van tweemaal gekwalificeerde doodslag, het medeplegen poging gekwalificeerde doodslag, het medeplegen van een straatroof en een poging daartoe en het bezit van kinderporno veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren en TBS met dwangverpleging. In het arrest wordt onder meer stil gestaan bij de betrouwbaarheid van de (nieuwe) verklaringen van de verdachte tegenover de verklaringen die zijn afgelegd door de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003451-13

Parketnummers: 10-710141-10, 10-710020-10, 10-710061-11 en 10-710275-11

Datum uitspraak: 11 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

thans gedetineerd in Den Haag PPC te Den Haag.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

19 februari 2014, 24 juni 2014, 27 oktober 2014 en 26 en 27 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken ten aanzien van het bij parketnummer 10-710275-11 onder 3 ten laste gelegde en ter zake van het bij parketnummer 10-710141-10 onder 1 primair impliciet primair, 2 en 3, het bij parketnummer 10-710061-11 primair impliciet primair, het bij parketnummer 10-710020-10 primair impliciet primair en het bij parketnummer 10-710275-11 onder 1 primair, 2 primair, 4 primair en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, telkens met de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het bij parketnummer 10-710275-11 onder 3 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een drietal inleidende dagvaardingen – waarvan de feiten door het hof zijn doorgenummerd, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd – na een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2014 en 6 november 2014 ten laste gelegd dat:

Zaak [slachtoffer 1] (10-710141-10)

1.

hij op of omstreeks 5 augustus 2010 te Spijkenisse opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] gewurgd en/of met een mes, althans

met een scherp/puntig voorwerp (meermalen) in de borst en/of de hals en/of de/een long(en), in elk geval in het

lichaam gestoken, welke vorenomschreven misdrijf (doodslag) werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de

uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

en/of (vervolgens)

hij op of omstreeks 5 augustus 2010 te Spijkenisse, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd

[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg,

voornoemde [slachtoffer 1] gewurgd en/of met een mes, althans met een scherp/puntig voorwerp (meermalen) in de

borst en/of de hals en/of de/een long(en), in elk geval in het lichaam gestoken;

subsidiair,

hij op of omstreeks 5 augustus 2010 te Spijkenisse met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee armbanden en/of een horloge en/of een tas met inhoud (waaronder een paspoort op naam van [slachtoffer 1] en/of een ov-chipkaart en/of een portemonnee en/of diverse (bank)pasjes en/of een edentifier), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het voornoemde [slachtoffer 1] wurgen en/of meermalen met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp in de botst en/of de hals en/of de/een long(en), in elk geval het lichaam steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 05 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Spijkenisse, opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer 1], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door het lijk van voornoemde [slachtoffer 1] te begraven in het Mallebos, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer 1], te weten dat voornoemde [slachtoffer 1] door verwurging en/of messteken, althans het steken met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam, om het leven is gebracht, te verhelen;

3.

hij in of omstreeks 05 augustus 2010 t/m 30 september 2010 te Spijkenisse opzettelijk en wederrechtelijk een lijk (van) [slachtoffer 1], geheel of ten dele toebehorende aan de erven en/of nabestaanden van voornoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd door een voet van voornoemd lijk af te zagen en/of een stuk van/uit de bil van voornoemd lijk af te snijden;

Zaak Apollo (10-710061-11)

4.

hij op of omstreeks 24 maart 2011 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een stok en/of ijzeren staaf, althans een hard voorwerp, op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geslagen, welke vorenomschreven misdrijf (poging doodslag) werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld in vereniging zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

en/of (vervolgens)

hij op of omstreeks 24 maart 2011 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal (met kracht) met een stok en/of ijzeren staat, althans een hard voorwerp, op/tegen

het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 24 maart 2011 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge en/of een ring en/of twee mobiele telefoons en/of een koffer met inhoud (waaronder geld (4000 euro of daaromtrent) en/of een laptop en/of kleding en/of een id-bewijs), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het voornoemde [slachtoffer 3] meermalen met een stok en/of een ijzeren staaf, althans een hard voorwerp op/tegen het hoofd en/of het lichaam slaan, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere hoofdwonden en/of een breuk van de schedel en/of een bloeding onder het hersenvlies en/of kneuzingshaarden in de hersenen en/of een gebroken pols), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Zaak Malledijk (10-710020-10)

5.

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2]

- van een fiets geduwd en/of getrokken (mede) ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde [slachtoffer 2] ten val gebracht, en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, in elk geval (heftig) uitwendig mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van) voornoemde [slachtoffer 2] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten (poging)diefstal met geweld/afpersing, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, in elke geval een goed, geheel of ten dele toebehorend aan die [slachtoffer 2], in elk geval aan (een)

ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het voornoemde

[slachtoffer 2]

- van een fiets duwen en/of trekken (mede) ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde [slachtoffer 2] ten val brengen, en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam stompen/slaan en/of schoppen/trappen, in elk geval (heftig) uitwendig mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van) voornoemde [slachtoffer 2] toepassen,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2010 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf/misdrijven om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan die [slachtoffer 2], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s), en deze diefstal te doen voorafgaan en/of vergezellen en/of volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], één en ander met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

heeft gehandeld als volgt:

hij, verdachte, en/of (een) mededader(s)

heeft/hebben voornoemde [slachtoffer 2]

- van een fiets geduwd en/afgetrokken (mede) ten gevolge waarvan voornoemde

[slachtoffer 2] op de grond en/of het ijs is gevallen, in elk geval voornoemde

[slachtoffer 2] ten val gebracht, en/of

- meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het

lichaam gestompt/geslagen en/of geschopt/getrapt, in elk geval(heftig)

uitwendig mechanisch botsend geweld op (het hoofd en/of het lichaam van)

voornoemde [slachtoffer 2] toegepast,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid;

Zaaksdossier Sterrenkwartier (10-710275-11)

6. (zaak Schopvoorde)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse op of aan de openbare weg, de Schopvoorde, althans op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- blokkeren van de doorgang van die [slachtoffer 4], terwijl die [slachtoffer 4] op de fiets zat, en/of

- richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 4], en/of doorladen van dat (op een) vuurwapen (gelijkende) voorwerp, en/of

- ( daarbij) aan die [slachtoffer 4] (dreigend) toevoegen van de woorden: “geef je mobiel, geef je mobiel”, althans woorden van dreigende aard en/of strekking, en/of

- vastpakken van de keel/hals van die [slachtoffer 4];

7. (zaak Duikerhoek)

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- de doorgang van die [slachtoffer 5] heeft geblokkeerd, terwijl die [slachtoffer 5] op een fiets zat, en/of

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 5] heeft gericht, en/of

- aan die [slachtoffer 5] de woorden heeft toegevoegd: “stop of ik schiet je dood”;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair,

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 5] gericht en/of (daarbij) die [slachtoffer 5] toegevoegd de woorden (van de strekking): “stop of ik schiet je dood”;

en/of

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 5], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair,

hij op of omstreeks 13 oktober 2011 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5]) (met kracht) met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans met een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer 5] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

9. (zaak [woning slachtoffer 6])

hij op of omstreeks 11 september 2011 te Spijkenisse tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de [woning slachtoffer 6] heeft weggenomen sieraden en/of een geldkist met daarin ongeveer 2000 euro en/of een dolby surround systeem en/of een laptop en/of een navigatiesysteem (TomTom) en/of een fototoestel en/of een enveloppe met daarin ongeveer 300 euro en /of drie Albert Heijn spaarboekjes met een waarde van 150 euro en/of twee jassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 11 september 201 t te Spijkenisse met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [woning slachtoffer 6] heeft weggenomen sieraden en/of een geldkist met daarin ongeveer 2000 euro en/of een dolby surround systeem en/of een laptop en/of een navigatiesysteem (TomTom) en/of een fototoestel en/of een enveloppe met daarin ongeveer 300 euro en /of drie Albert Heijn spaarboekjes met een waarde van 150 euro en/of twee jassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte, waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

10. (zaak Mars)

hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te Spijkenisse, in elk geval in Nederland, één of meermalen (een) afbeelding(en) en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten 420 foto’s en/of 2 films, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang tot die afbeelding(en) heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,

en/of

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(en),

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de penis,

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong,

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt is/zijn en/of in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) (eventueel aanvullen met soort voorwerp) en/of in (een) (erotisch getinte) houding(en) poseert/poseren die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

en/of

het het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of het spuiten/zichtbaar maken van sperma op het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben

bereikt, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling;

Nietigheid van de tenlastelegging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – bepleit dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het onder 4 primair ten laste gelegde, eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief/alternatief innerlijke tegenstrijdig is, nu het een nevenschikking behelst van hetzelfde feitencomplex met steeds een andere juridische kwalificatie. Voorts voldoet het onder 10 ten laste gelegde niet aan de eisen gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, nu in de tenlastelegging niet nader is gespecificeerd welke afbeeldingen/films seksuele gedragingen bevatten en ook geen vindplaats is vermeld.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde

Voor de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding moet de integrale tekst van het onder 4 ten laste gelegde in ogenschouw worden genomen. Naar het oordeel van het hof is deze tekst voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig. Ook is er geen aanwijzing dat de verdachte niet heeft begrepen wat hem wordt verweten en het verweer is in hoger beroep ook voor het eerst gevoerd. Dit alles maakt dat de dagvaarding in de onderhavige zaak naar het oordeel van het hof voldoet aan de in artikel 261 Wetboek van Strafvordering gestelde eisen.

Ten aanzien van het onder 10 ten laste gelegde

Voorop gesteld moet worden dat aan de term “afbeelding van een seksuele gedraging” in de zin van artikel 240b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) op zichzelf onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Zonder feitelijke omschrijving van die afbeelding in de tenlastelegging voldoet de dagvaarding niet aan de in artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eis van opgave van het feit (zie HR 20 december 2011, LJN BS1739). Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van het hof in deze niet voor. Aan de bedoelde eis is in de onderhavige zaak invulling gegeven door in de plaats van het opnemen van omschrijvingen van een aantal individuele afbeeldingen, een omschrijving te geven van de op de in de tenlastelegging genoemde 420 afbeeldingen en 2 films waargenomen feitelijkheden, die de seksuele gedragingen als bedoeld in voornoemd artikel 240b Sr zouden opleveren.

De vraag of de tenlastelegging hiermee voldoende feitelijk is zodat de verdachte kan weten waartegen hij zich dient te verdedigen en deze dus voldoet aan de in artikel 261 Sv gestelde eisen, moet worden beantwoord mede in het licht van het voorliggende dossier. Hoewel de tenlastelegging daar niet expliciet naar verwijst, is duidelijk dat de onderhavige tenlastelegging het oog heeft op het in proces-verbaal onderzoek in beslag genomen goed d.d. 11 januari 2012 (p. 17 - 31 van het 96 pagina’s tellende dossier Mars). In dit proces-verbaal wordt niet alleen gespecificeerd op welke gegevensdragers (laptop, SD-kaart, USB-stick) en in welke vorm (accessible, deleted, temporary internet) de bedoelde afbeeldingen zijn aangetroffen, maar ook hoe vaak de voormelde waargenomen feitelijkheden op deze afbeeldingen voorkomen. Naar het oordeel van het hof is hiermee voldoende informatief en in voldoende mate feitelijk omschreven wat aan de verdachte ten laste is gelegd. Er is geen aanwijzing dat de verdachte niet heeft begrepen wat hem wordt verweten en wat hij heeft bekend en het verweer is in hoger beroep ook voor het eerst gevoerd. Dit alles maakt dat de dagvaarding in de onderhavige zaak voldoet aan de in artikel 261 Sv. gestelde eisen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak onder 4 primair, tweede cumulatief/alternatief, en 9 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief, 2, 3, 4 primair, eerste cumulatief/alternatief, 5 primair, 6, 7 primair, 9 subsidiair en 10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak [slachtoffer 1] (10-710141-10)

1.

hij op 5 augustus 2010 te Spijkenisse opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] gewurgd en met een mes,

meermalen in de borst en de hals gestoken, welk vorenomschreven misdrijf (doodslag) werd gevolgd van

enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 05 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Spijkenisse, opzettelijk een lijk, te weten (van) [slachtoffer 1], heeft verborgen door het lijk van voornoemde [slachtoffer 1] te begraven in het Mallebos, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van voornoemde [slachtoffer 1], te weten dat voornoemde [slachtoffer 1] door verwurging en messteken in het lichaam, om het leven is gebracht, te verhelen;

3.

hij in of omstreeks 05 augustus 2010 t/m 30 september 2010 te Spijkenisse opzettelijk en wederrechtelijk een lijk van [slachtoffer 1], toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd door een voet van voornoemd lijk af te zagen;

Zaak Apollo (10-710061-11)

4.

hij op 24 maart 2011 te Spijkenisse, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met kracht met een ijzeren staaf tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geslagen, welk vorenomschreven misdrijf (poging doodslag) werd gevolgd en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal in vereniging en welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan de andere deelnemer straffeloosheid te verzekeren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak Malledijk (10-710020-10)

5.

hij op 28 januari 2010 te Spijkenisse opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2]

- met kracht tegen het hoofd geslagen, in elk geval heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] toegepast, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit;

Zaaksdossier Sterrenkwartier (10-710275-11)

6. (zaak Schopvoorde)

hij op of 13 oktober 2011 te Spijkenisse op de openbare weg, de Schopvoorde, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- blokkeren van de doorgang van die [slachtoffer 4], terwijl die [slachtoffer 4] op de fiets zat, en

- richten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 4], en doorladen van dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, en

- daarbij aan die [slachtoffer 4] dreigend toevoegen van de woorden: “geef je mobiel, geef je mobiel”, en

- vastpakken van de keel van die [slachtoffer 4];

7. (zaak Duikerhoek)

hij op 13 oktober 2011 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 5], en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan door bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 5], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, met een of meer van zijn mededader

- de doorgang van die [slachtoffer 5] heeft geblokkeerd, terwijl die [slachtoffer 5] op een fiets zat, en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 5] heeft gericht, en

- aan die [slachtoffer 5] de woorden heeft toegevoegd: “stop of ik schiet je dood”;

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9. (zaak [woning slachtoffer 6])

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 11 september 2011 te Spijkenisse met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [woning slachtoffer 6] heeft weggenomen sieraden en een geldkist en een dolby surround systeem en een laptop en een navigatiesysteem (TomTom) en een fototoestel en een enveloppe met daarin ongeveer 300 euro en drie Albert Heijn spaarboekjes met een waarde van 150 euro en twee jassen, toebehorende aan [slachtoffer 6], waarbij die [medeverdachte] zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door op de uitkijk te staan;

10. (zaak Mars)

hij omstreeks 14 oktober 2011 te Spijkenisse, gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten foto’s, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, telkens in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt,

en

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(en),

en

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de penis,

en

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong,

en

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed en/of opgemaakt is/zijn en/of in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een) (erotisch getinte) houding(en) poseert/poseren die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

en

het het houden van een (stijve) penis bij/naast het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt en/of het spuiten/zichtbaar maken van sperma op het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overwegingen

Ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde (zaak [slachtoffer 1])

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag en moord niet kunnen worden bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Daartoe heeft hij aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte weliswaar bezittingen van het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft weggenomen, maar dat hij dit pas heeft gedaan de dag nadat Zagar is overleden in het Mallebos, reden waarom de verdachte de doodslag derhalve niet heeft gepleegd met het oogmerk om de diefstal mogelijk te maken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte [de verdachte] (hierna: [de verdachte]) heeft op

15 april 2014 tegen de politie verklaard het slachtoffer [slachtoffer 1] om het leven te hebben gebracht, welke verklaring hij ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 heeft bevestigd.

Zijn verklaring houdt – kort en zakelijk weergegeven – het navolgende in.

[de verdachte] was op 5 augustus 2014 door het Mallebos in Spijkenisse aan het rennen met in zijn handen een stok en zijn uitgeklapte mes. Toen hij het bos uitrende, stond hij ineens voor [slachtoffer 1]. Zij schrokken van elkaar en [slachtoffer 1] riep: “Niet doen, niet doen.” Vervolgens kwam [slachtoffer 1] op hem afrennen, waardoor [de verdachte] achterover viel en [slachtoffer 1] bovenop hem viel. Er ontstond een worsteling, waarbij [de verdachte] [slachtoffer 1] met zijn mes kennelijk een aantal malen heeft gestoken terwijl hij uit haar greep probeerde los te komen. Zij had hem namelijk bij zijn linkerarm vastgepakt. Nadat [de verdachte] zag dat het T-shirt van [slachtoffer 1] rood was geworden en hij merkte dat zij niet meer ademde, heeft hij haar naar de bosrand gesleept en bedekt met bladeren. De volgende morgen is [de verdachte] teruggegaan naar het Mallebos, om zijn sporen te wissen.

Hij heeft [slachtoffer 1] toen ontdaan van wat kleding en sieraden, heeft haar begraven en haar kleding en fiets in een sloot gegooid. Haar tas met daarin onder meer een identifier en OV-chipkaart heeft hij mee naar huis genomen.

Enkele weken later is [de verdachte] teruggegaan naar waar [slachtoffer 1] begraven lag. Hij heeft toen met een boomtakkenzaak het lichaam ontdaan van een voet, om er nog ‘een slaatje’ uit te kunnen slaan. De voet heeft hij in een weckpot met chloor gestopt en begraven onder de schuur van de woning waar hij verbleef.

Het oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof is de verklaring van [de verdachte] afgelegd op 15 april 2014 en 27 oktober 2014 ter zake van de toedracht van het om het leven brengen van [slachtoffer 1] ongeloofwaardig.

Het hof heeft naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geconstateerd dat [de verdachte] tegenover de politie steeds wisselend heeft verklaard, waarbij hij elke keer de inhoud van zijn verklaring lijkt te hebben aangepast nadat hem nieuwe onderzoeksresultaten werden voorgehouden.

Zo heeft hij – na zich eerst op zijn zwijgrecht te hebben beroepen – toen hij geconfronteerd met het feit dat de tas van [slachtoffer 1] in zijn woning is aangetroffen, op 26 oktober 2011 verklaard dat hij de tas heeft gevonden in het Mallebos. [slachtoffer 1] zou hij toen niet gezien hebben. [de verdachte] heeft vervolgens op 3 november 2011 verklaard dat hij het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] in het bos heeft gevonden, nadat hem was voorgehouden dat onder de schuur bij zijn woning een weckpot met daarin een voet is aangetroffen. In zijn verklaring van 23 november 2011 tegen de politie heeft hij gezegd het volle, complete verhaal te willen vertellen en open kaart te willen spelen. Ter terechtzitting in eerste aanleg in 2013 heeft [de verdachte] aangegeven zich verantwoordelijk te voelen voor het wegmaken van het lichaam van [slachtoffer 1], maar verder heeft hij geen nadere verklaring afgelegd.

Het hof gaat voor wat betreft de toedracht van de dood van [slachtoffer 1] uit van de als bewijsmiddel gebezigde getuigenverklaring van [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), alsmede van hetgeen [de verdachte] op 20 december 2011 hieromtrent aan zijn zus [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) heeft verteld blijkens de opgenomen vertrouwelijke communicatie (hierna: het OVC-gesprek).

[medeverdachte] heeft op 15 november 2011 als getuige tegenover de politie verklaard dat [de verdachte] aan hem heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] heeft vermoord op de dag dat zij is verdwenen. [de verdachte] wilde [slachtoffer 1] beroven en heeft haar neergestoken toen zij begon te gillen. Vervolgens heeft hij haar lichaam het bos in gesleept. Ook heeft hij een voet van het lichaam afgezaagd.

Het hof acht deze getuigenverklaring geloofwaardig, nu bezittingen van [slachtoffer 1] in de woning van [de verdachte] zijn aangetroffen, één van haar voeten onder de vloer van de schuur achter de woning van [de verdachte] is aangetroffen en [de verdachte] ook zelf verklaart [slachtoffer 1] naar de bosrand te hebben gesleept nadat zij was overleden.

Uit de inhoud van het OVC-gesprek tussen [de verdachte] en [getuige 1] volgt verder dat hij ‘haar’ heeft gestoken en verwurgd en ook dat hij een ‘predator’ is en ergens als een roofdier is gaan zitten. Daar komt bij dat [de verdachte] tegenover [getuige 1] heeft aangegeven dat hij vanaf het begin een verhaal had waaraan hij zich constant heeft gehouden, en dat de bepaalde dingen die [medeverdachte] over de zaak weet hij, [medeverdachte], van hem, [de verdachte] weet. [getuige 1] heeft op 8 februari 2012 als getuige tegenover de politie verklaard dat [de verdachte] tijdens haar bezoek aan haar heeft verteld dat [slachtoffer 1] met messteken om het leven is gekomen en dat hij haar heeft gewurgd.

De verklaring van [de verdachte] in hoger beroep dat hetgeen hij aan [medeverdachte] en [getuige 1] heeft verteld over [slachtoffer 1] voor een groot deel grootspraak is, acht het hof gelet op het bovenstaande volstrekt niet aannemelijk.

Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen de onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief worden bewezen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ter zake van het onder 5 primair bewezen verklaarde (zaak Malledijk)

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde – pleitnota betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven- dat niet kan worden vastgesteld dat er iets van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) is weggenomen, terwijl evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte betrokken is geweest bij de geweldshandeling(en) die op [slachtoffer 2] zijn uitgeoefend en dus ook niet dat hij rechtstreeks betrokken is bij haar dood. De omstandigheid dat de verdachte op 28 januari 2010 in de vroege ochtend op de Malledijk aanwezig is geweest, is onvoldoende.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, gaat het hof van de navolgende feiten en omstandigheden uit.

Op 28 januari 2010 omstreeks 07:05 uur rijdt de getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) met zijn scooter over de Malledijk in de richting van het industrieterrein. Op een bevroren sloot aan de linkerkant van de Malledijk ziet hij een fiets liggen waarvan het achterlicht nog brandt. Ook vindt hij aan dezelfde kant van de weg ter hoogte van een fiets een grijze tas. Aansluitend belt de getuige [getuige 2] de politie samen met een andere passant, [getuige 3] (hierna: [getuige 3]), die kort na hem – [getuige 3] rijdt naar eigen zeggen gewoonlijk tussen 07:00 en 07:15 uur op de Malledijk - heeft stil gehouden.

Ter plaatse constateert de politie dat de gevonden tas van [slachtoffer 2] is. In het gras worden 2 wanten gevonden die [getuige 3] herkent als toebehorende aan een vrouw die hij regelmatig voorbijrijdt op de Malledijk.

Wanneer bij de politie bekend wordt dat [slachtoffer 2] die ochtend niet op haar werk is verschenen, wordt er een zoekactie naar haar gestart. Omstreeks 08:15 uur wordt zij op tientallen meters van de weg af gevonden in een sloot gelegen achter woningen aan de rechterzijde van de Malledijk ter hoogte van pand [huisnummer].

Zij wordt overgebracht naar het ziekenhuis waar zij op

2 februari 2010 overlijdt aan haar verwondingen.

Uit de op 1 februari 2010 opgestelde letselbeschrijving volgt dat [slachtoffer 2] verminderd aanspreekbaar is aangetroffen in de sloot en dat zij in de ambulance moest worden gereanimeerd. In verband met een blijvend niet functioneren van het hart moest zij verblijven op de IC. Een CT scan van de hersenen wees uit dat sprake was van meerdere schedeldakfracturen (rechts voor/boven met los fragment en meerdere breuken aan de rechter zijkant van de schedel) en meerdere kleine bloedingen/ kneuzings-haarden (met name rechts voor) en een bloeding onder het hersenvlies bovenaan de hersenen. Het letsel kan zijn ontstaan door behoorlijk uitwendig geweld, bijvoorbeeld door het slaan op de schedel.

Op 4 februari 2010 is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 2]. Hierbij is een schaafwond links op het voorhoofd en diverse oppervlakkige huidkneuzingen verspreid over de borst en ledenmaten aangetroffen. Inwendig was er aan het schedeldak rechtsboven een impressiefractuur met uitwaaierende fractuurlijnen naar de voorste en middelste schedelgroeve rechts. De kroonnaad week uiteen door traumatische verscheuring van de verbinding. Er was veel begeleidende bloeduitstorting. Er was bloed onder het harde hersenvlies en er waren bloederige zachte hersenvliezen. De hersenen waren gezwollen, zeer week en toonden tekenen van inklemming. De bloeding onder het harde hersenvlies was enkele dagen oud. In de borstkas waren er beiderzijds ribfracturen met begeleidende bloeduitstortingen. Er was geringe kneuzing van het oppervlak van de rechterboezem van de borst. De letsels zijn het gevolg geweest van heftig botsend geweld op het hoofd rechts en heftige compressie van de borstkas. De letsels zijn het gevolg geweest van heftig mechanisch botsend geweld op het lichaam.

Enkele getuigen hebben een verklaring afgelegd over wat zij hebben gezien die vroege ochtend op de Malledijk te Spijkenisse. De getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) heeft verklaard dat zij omstreeks 06:40 uur over de Malledijk reed op haar bromfiets in de richting van het industrieterrein en dat zij toen twee mannen achter elkaar aan heeft zien lopen aan de rechterzijde van de weg. De achterste man, een blanke man die de grootste was van de twee, bewoog toen zij passeerde zijn rechterhand naar haar hoofd toe terwijl hij links omdraaide en hij schampte haar capuchon. Zij is vervolgens hard doorgereden.Dit gebeurde ter hoogte van pand 4 op de Malledijk.

Vervolgens ziet de getuige [getuige 5] (hierna: De Vries-Claric), terwijl zij omstreeks 07:05-07:10 uur over de Malledijk fietst in de richting van het industrieterrein, twee mannen haar tegemoet lopen aan de linkerzijde van de weg. De afstand tussen de twee mannen was zo’n vijftien meter. De voorste man was ongeveer 1.70 meter, had een smal ovaal gelaat en kleine ogen en was ongeschoren en getint. De achterste man betrof een blanke man van ongeveer 1.80 meter met een geschoren gelaat en bruin kort strak haar.

Verder is bekend dat [slachtoffer 2] op 28 januari 2010 tussen 06:00 uur en 06:15 uur is vertrokken van haar woning aan de Bramengaard te Spijkenisse.

Verklaringen van [de verdachte]

Tijdens de verhoren door de politie in 2011 en 2012 en ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [de verdachte] zich op zijn zwijgrecht beroepen. [de verdachte] heeft pas op

15 april 2014 tegenover de politie een verklaring afgelegd over het onder 5 ten laste gelegde, welke verklaring hij ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 voor wat betreft de hoofdlijn van wat er op 28 januari 2010 op de Malledijk zou zijn gebeurd, heeft bevestigd.

Zijn verklaring houdt – kort samengevat – het navolgende in.

Op 28 januari 2014 tussen 06:00 en 07:00 uur is [de verdachte] samen met [medeverdachte] naar het Mallebos te Spijkenisse gegaan om eerder gestolen koper op te halen dat [de verdachte] in het bos had verstopt. Zij waren te voet en liepen over de Malledijk aan de rechterkant in de richting van het aldaar gelegen industrieterrein. [de verdachte] liep voorop met [medeverdachte] tien tot twintig meter achter zich. Terwijl zij daar liepen, werden zij gepasseerd.

Op een gegeven moment hoorde [de verdachte] achter zich het geluid van een botsing of een val. Hierop draaide hij zich om en liep hij naar [medeverdachte] toe. Hij zag toen een persoon, een vrouw, bij een fiets en een ijzeren staaf op de weg liggen. De ijzeren staaf bleek [medeverdachte] die ochtend zonder zijn medeweten uit zijn schuur te hebben meegenomen. Desgevraagd zei [medeverdachte] dat hij de vrouw van zijn fiets had geslagen.

[de verdachte] raakte in paniek. Hij zag het licht van een naderende scooter en was bang dat er mensen zouden passeren. Hij wilde de vrouw niet midden op de weg laten liggen. Hierop heeft hij haar fiets gepakt en deze in de sloot gegooid aan de linkerzijde van de Malledijk, de overzijde van waar hij en [medeverdachte] eerst liepen. De sloot bleek bevroren. Vervolgens heeft hij samen met [medeverdachte] de vrouw opgetild en deze twee tot drie meter in de berm aan de rechterkant van de Malledijk gelegd. Hierna zijn zowel hij en [medeverdachte] het Mallebos in gerend. [de verdachte] heeft geen bezittingen van de vrouw weggenomen. Of [medeverdachte] dat heeft gedaan weet hij niet.

Tegenover de verklaring van [de verdachte] die in 2014 tegenover de politie respectievelijk het hof heeft afgelegd, staat hetgeen hij op 20 december 2011 aan [getuige 1] en op 30 juli 2012 aan een politie informant in de penitentiaire inrichting te Vught heeft verteld. Uit een opgenomen OVC-gesprek tussen [de verdachte] en [getuige 1] van 20 december 2010 volgt dat [de verdachte] het tegen [getuige 1] heeft over een roof anderhalf jaar daarvoor, dat ze haar diezelfde ochtend nog hebben gevonden en dat de politie het onderzoek heeft gestaakt en heeft verteld dat zij is aangereden. Geconfronteerd met dit gesprek heeft [getuige 1] als getuige tegenover de politie verklaard dat [de verdachte] het in dat gesprek heeft over [slachtoffer 2].

Aan de politie informant heeft [de verdachte] gezegd dat hij drie berovingen heeft gedaan, waarvan één vrouw die hij met een pijp op haar hoofd heeft geslagen. Hij heeft twee- of driehonderd euro van haar gepakt en een kettinkje. Uit de verklaring van [de verdachte] afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat hij met de tweede keer [slachtoffer 2] heeft bedoeld.

Het oordeel van het hof

Het hof acht ook de de lezing van [de verdachte], dat het een ander, te weten [medeverdachte] is geweest die [slachtoffer 2] van haar fiets heeft geslagen met een ijzeren staaf waarna [de verdachte], opgeschrikt door een naderende scooter, de fiets van [slachtoffer 2] op een bevroren sloot heeft gegooid en [slachtoffer 2] zelf aan de andere zijde van de dijk enkele meters in de berm heeft gelegd niet aannemelijk.

Het hof komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Allereerst komt het tijdsbestek waarin het een en ander volgens [de verdachte] moet hebben plaatsgevonden niet overeen met de bevindingen uit het onderzoek. [de verdachte] heeft op 16 april 2014 tegenover de politie verklaard dat het nog 2 tot 3 minuten duurde voordat de scooter passeerde, nadat hij de lichten had gezien. Nader onderzoek naar de tijd die een scooter nodig heeft om bij verschillende snelheden bepaalde afstanden op de Malledijk te overbruggen, heeft uitgewezen dat het tussen de 13 en 66 seconden duurt totdat een naderende scooter de plaats delict heeft gepasseerd. Dit tijdsbestek is naar het oordeel van het hof zodanig kort dat het niet aannemelijk is dat [de verdachte] de handelingen heeft verricht waarover hij zelf heeft verklaard zonder daarbij door de naderende scooter te worden gezien.

Verder acht het hof het hoogst onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 2] zich op eigen kracht heeft verplaatst naar de sloot waarin zij uiteindelijk is gevonden vanaf de plek in de berm waar [de verdachte] haar zegt te hebben neergelegd. Het hof ziet zich hierin gesteund door het verslag van prof. dr. Van de Voorde op 23 september 2014 waarin hij concludeert dat op basis van de ernst van het schedelhersentrauma evenals het ontbreken van het te verwachten bloedsporenpatroon waarschijnlijker is dat [slachtoffer 2] bij vrieskou en met dergelijk bloedende hoofdwond en onderliggend hersenletsel niet in staat was om op eigen kracht het traject van de door verdachte gestelde valplaats met de fiets naar de uiteindelijke vindplaats af te leggen.

Daarnaast passen de bij [slachtoffer 2] geconstateerde letsels ook niet goed bij de verklaring van [de verdachte] dat die [medeverdachte] met gestrekte arm naar [slachtoffer 2] zou hebben uitgehaald, waarbij hij [slachtoffer 2] met de ijzeren staaf aan de voorzijde van het hoofd zou hebben geraakt.

Uit de letselbeschrijving en het sectierapport volgt immers dat het fractuur aan de schedel zich rechts achterop het hoofd bevond terwijl op het voorhoofd slechts een schaafwond was te zien.

Voorts volgt uit de getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] in onderlinge samenhang bezien met de verklaring van [getuige 2] en [getuige 3] omtrent het tijdstip van het aantreffen van de fiets van [slachtoffer 2] dat [de verdachte] samen met een ander gedurende ongeveer 20 tot 25 minuten op of rondom de Malledijk aanwezig is geweest, terwijl [de verdachte] geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven van wat hij en die ander daar toen hebben gedaan.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hof alleen die onderdelen van de in april en oktober 2014 afgelegde verklaringen van [de verdachte] geloofwaardig acht, die steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Namelijk dat [de verdachte] op 28 januari 2014 tussen 06:00 en 07:00 uur op de Malledijk te Spijkenisse aanwezig was; dat het zijn ijzeren staaf is waarmee [slachtoffer 2] is geslagen; en dat hij haar fiets op de bevroren sloot heeft gelegd en [slachtoffer 2] heeft versleept

Voor het overige neemt het hof als uitgangspunt hetgeen [de verdachte] tegen [getuige 1] en de politie-informant heeft gezegd, te weten dat het met betrekking tot [slachtoffer 2] om een beroving gaat waarbij hij [slachtoffer 2] met een ijzeren staaf op haar hoofd heeft geslagen.

Dat het een beroving betrof, vindt steun in de verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 2] – kort gezegd - altijd een horloge droeg maar dat zij geen horloge van de politie of het ziekenhuis heeft teruggekregen.

Op grond van de hierboven vastgestelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen dat [de verdachte] zich schuldig gemaakt heeft aan het onder 5 primair impliciet primair ten laste gelegde.

Daarbij wordt opgemerkt dat alhoewel het hof het aannemelijk acht dat [de verdachte] daar toen met een ander manspersoon is geweest, naar het oordeel van het hof in het dossier wettig bewijs ontbreekt dat [de verdachte] bij het plegen van het bewezen verklaarde feit zo nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander, dat ook het medeplegen van dat feit bewezen kan worden verklaard.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ter zake van het onder 6 en 7 primair bewezen verklaarde (zaak Duikerhoek en Schopvoorde)

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2014 – overeenkomstig de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota – betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen , nu niet kan worden bewezen dat de verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met de medeverdachte [medeverdachte] bij het afpersen van aangeefster [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]). Daartoe heeft hij aangevoerd –verkort en zakelijk weergegeven - dat [medeverdachte] degene is geweest die [slachtoffer 4] heeft bedreigd en aan wie [slachtoffer 4] haar telefoon heeft afgegeven en dat de verdachte zich er niet mee heeft bemoeid.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 13 oktober 2011 omstreeks 21:00 uur fietst aangeefster [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]) over de Duikerhoek te Spijkenisse. Wanneer twee mannen die samen op één fiets haar tegemoet rijden haar bijna passeren, springt de achterste man van de fiets. Hij gaat voor haar staan waardoor [slachtoffer 5] moet afremmen. Zij ziet deze man, die dan enkele meters voor haar staat, een op een pistool gelijkend voorwerp uit zijn broeksband halen en deze op haar richten, en zij hoort hem zeggen “Stoppen of ik schiet je dood.” [slachtoffer 5] weet de man te ontwijken en fietst snel door. De man met het pistool omschrijft zij als volgt: een blanke jongen van niet ouder dan 20 jaar, accentloos Nederlands, geen snor.

Wanneer [slachtoffer 4] later diezelfde avond het tunneltje onder de Heemraadlaan te Spijkenisse door fietst, ziet zij komend vanuit de Schopvoorde twee mannen bij elkaar lopen. Eén van deze mannen stapt dan het fietspad op en blokkeert deze. [slachtoffer 4] remt af en ziet dat de man een pistool op haar hoofd richt. De man blijft [slachtoffer 4] bedreigen, terwijl hij meermalen tegen haar schreeuwt dat zij haar mobiele telefoon aan hem moet geven. De tweede man blijft ondertussen op het voetpad staan of loopt langzaam door. Nadat zij uiteindelijk haar telefoon heeft afgegeven aan de man die haar heeft bedreigd, ziet zij de twee mannen eerst richting een veldje en daarna de hoek om lopen. Als signalement van de man die haar bedreigd geeft [slachtoffer 4] op: man, blank, circa 20 jaar oud, geen gezichtsbeharing, aan de linkerzijde van zijn gelaat een verse wond (vermoedelijke een schaafwond).

Blijkens de op 18 oktober 2011 tegenover de politie afgelegde verklaring van de getuige [getuige 6] (hierna: [getuige 6]) heeft [de verdachte] voor vertrek uit de schuur ook nog een ijzeren stok met aan de uiteinden twee grote bouten in zijn jas gestopt.

Na aanhouding van [de verdachte] werd bij zijn fouillering aangetroffen een telefoon met daarin een memory card met daarop afbeeldingen die door [slachtoffer 4] zijn herkend als zijnde afbeeldingen die zij heeft opgeslagen op de bij haar weggenomen telefoon.

[medeverdachte] heeft op 8 maart 2012 tegenover de politie verklaard dat hij op 13 oktober 2011 een schaafwond op zijn gezicht had en op 30 september 2014 als getuige tegenover de raadsheer-commissaris dat hij degene is geweest die het (fysieke) geweld op [slachtoffer 4] heeft uitgeoefend.

[de verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2014 verklaard –zakelijk weergegeven- dat hij op 13 oktober 2011 samen met [medeverdachte] op pad was. [medeverdachte] had een balletjespistool bij zich en wilde daarmee iemand af persen of beroven. Zij waren samen op één fiets; hij reed en [medeverdachte] zat achterop. Op een gegeven moment stapte [medeverdachte] van de fiets en hoorde [de verdachte] dat hij een vrouw bedreigde. De vrouw gaf hem niet zijn zin, waarop [medeverdachte] weer bij [de verdachte] achterop de fiets is gesprongen. [medeverdachte] zei dat hij de vrouw had geslagen. Vervolgens zijn zij beiden naar de schuur bij de woning gegaan. Aangekomen bij de schuur hebben zij tegen de aldaar aanwezige [getuige 6] gezegd dat “het was mislukt.” Hierna zijn [de verdachte] en [medeverdachte] te voet bij de schuur vertrokken, wederom met als doel om een willekeurig persoon af te persen of te beroven.

[de verdachte] was er vervolgens bij toen [slachtoffer 4] door [medeverdachte] werd bedreigd en haar telefoon af gaf.

Met betrekking tot het gevoerde verweer overweegt het hof als volgt.

Het hof gaat er van uit dat de twee mannen die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] hebben genoemd in hun aangifte [de verdachte] en [medeverdachte] zijn geweest. Gelet op het door [slachtoffer 5] opgegeven signalement zoals hierboven is weergegeven, alsmede op de eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep dat [de verdachte] in uiterlijke kenmerken van [medeverdachte] verschilt en ook ouder is dan [medeverdachte], gaat het hof er verder van uit dat de man die achterop de fiets heeft gezeten en [slachtoffer 5] heeft bedreigd [medeverdachte] is geweest. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat [medeverdachte] op 25 oktober 2011 tegenover de politie heeft verklaard dat hij in het bezit was van een gasdrukpistool, welk pistool hij onder meer heeft gebruikt bij de afpersing van [slachtoffer 4] te Spijkenisse.


Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het opzet van [de verdachte] erop was gericht om die avond samen met [medeverdachte] iemand af te persen of te beroven en dat [de verdachte] daar uitvoering aan heeft gegeven door er met dat doel tot twee keer toe samen met [medeverdachte] op uit te gaan, wetende dat [medeverdachte] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich had en zich vervolgens een belangrijk onderdeel van de telefoon van [slachtoffer 4] toe te eigenen. De bewuste en nauwe samenwerking tussen beiden in dat verband is gelet op hetgeen hier voor is overwogen naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen. Dat [de verdachte] bij de afpersingen zelf geen bedreigings- of geweldshandelingen heeft verricht in de richting van de aangeefsters maakt dat niet anders.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde levert op:

doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

een lijk verbergen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het onder 4, primair, eerste cumulatief/alternatief, bewezen verklaarde levert op:

poging tot medeplegen van doodslag, voorafgegaan en gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemer aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

doodslag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 7 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 9 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 10 bewezen verklaarde levert op:

gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. [de verdachte] is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief, 2, 3, 4 primair, eerste cumulatief/alternatief, 5 primair, 6, 7 primair, 9 subsidiair en 10 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede dat aan hem de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de dood van [slachtoffer 2]. De verdachte heeft [slachtoffer 2] met een ijzeren staaf op het hoofd geslagen met als doel haar van haar bezittingen te beroven. Vervolgens heeft hij haar fiets op een bevroren sloot gegooid en haar lichaam versleept naar weer een andere sloot tientallen meters bij haar fiets vandaan alwaar zij ruim een uur later zwaar gewond en onderkoeld is aangetroffen. [slachtoffer 2] is aan haar verwondingen komen te overlijden. Hierdoor heeft de verdachte [slachtoffer 2] het kostbaarste dat een mens bezit, het leven, ontnomen en is haar familie een onnoemelijk leed aangedaan. Ook in de kring van vrienden en collega’s laat de dood van [slachtoffer 2] een grote leegte achter.

Ruim een half jaar na de dood van [slachtoffer 2], heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de gewelddadige dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] door haar meermalen met een mes in de borst en hals te steken en haar te wurgen. De verdachte heeft vervolgens bezittingen van haar gestolen, haar lichaam verborgen in een door hem gegraven graf in het Mallebos en haar kleding en fiets verstopt in een sloot. Voorts heeft hij haar lichaam verminkt door het te ontdoen van een voet. Aldus heeft de verdachte ook aan [slachtoffer 1] het kostbaarste dat een mens bezit, het leven, ontnomen. Daarnaast is ook haar nabestaanden een groot en onherstelbaar leed aangedaan. [slachtoffer 1] is ruim een jaar lang vermist geweest en al die tijd hebben haar dierbaren in onzekerheid verkeerd over haar lot. Pas in november 2011 zijn haar nabestaanden te weten gekomen dat zij reeds op 5 augustus 2010 om het leven is gebracht.

Voorts heeft de verdachte zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan de zeer gewelddadige poging doodslag door [slachtoffer 3] meermalen met een ijzeren staaf op het hoofd en lichaam te slaan met als doel hem van zijn koffer te beroven. Dientengevolge heeft [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de persoonlijke integriteit en eigendommen van het slachtoffer. Gebleken is verder dat het slachtoffer nog altijd lijdt onder de psychische en lichamelijke gevolgen van hetgeen hem is aangedaan.

De verdachte heeft zich verder samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan de poging diefstal met geweld van het slachtoffer [slachtoffer 5] en de afpersing van het slachtoffer [slachtoffer 4], waarbij beide slachtoffers met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zijn bedreigd. Ook is de verdachte medeplichtig geweest aan een inbraak bij de oma van [medeverdachte]. Dergelijke feiten brengen naast onrustgevoelens en overlast, financiële schade voor de slachtoffers mee. Ook leiden zij in de regel bij burgers tot gevoelens angst en onveiligheid in de publieke ruimte.

Het hof acht de opeenvolging waarmee de verdachte voornoemde levens- en zeer gewelddadigegeweldsdelicten heeft gepleegd, waarbij zijn motief steeds roof is geweest, afschuwwekkend en buitengewoon zorgwekkend.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld voor het in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen. De verdachte heeft hiermee de norm die strekt tot de bescherming van jeugdigen tegen seksueel misbruik in ernstige mate geschonden. Algemene ervaringsregels leren dat voor de productie van kinderporno jonge kinderen ernstig seksueel worden misbruikt en uitgebuit ten gevolge waarvan zij dikwijls langdurig psychische schade oplopen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

De verdachte heeft van 31 mei tot 19 juli 2012 ter observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) verbleven. Blijkens de opgemaakte rapportage d.d. 9 oktober 2012, opgesteld en ondertekend door klinisch psycholoog A.T. Spangenberg en psychiaters D.I. Kuijpers en A.E. Grochowska, heeft de verdachte toen niet volledig meegewerkt en door het beperkte onderzoek was het toen niet mogelijk om een gedragskundige analyse noch een advies omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte te geven.

In de opgemaakte rapportage d.d. 15 oktober 2014, ondertekend door klinisch psycholoog A.T. Spangenberg en psychiater A.E. Grochowska, naar aanleiding van het nieuwe psychologisch en psychiatrisch onderzoek naar de verdachte in het PBC, staat vermeld dat de verdachte zijn volledige medewerking heeft verleend en dat er ook een uitgebreid milieuonderzoek tot stand is gekomen.

In de rapportage staat onder meer – voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven - het navolgende vermeld.

De verdachte functioneert op laagbegaafd (volgens de testresultaten) tot beneden gemiddeld niveau (klinische indruk). Er is een ernstig psychopathologisch beeld naar voren gekomen van een man met een multipele complexe ontwikkelingsstoornis (MCDD), welke valt onder de autismespectrumstoornissen.

De psychopathologische problemen van de verdachte kunnen verdeeld worden in de affectregulatie (het beheersen van angst); het denken (onlogische redeneringen en moeite om werkelijkheid van fantasie te onderscheiden); en de sociale interactie. De verdachte heeft moeite met logisch redeneren en legt – gevoed door basaal wantrouwen en chronische angst – talrijke onlogische eigenzinnige verbanden tussen diverse feiten en gebeurtenissen. Daardoor maakt hij voortdurende inschattingsfouten in (complexe) sociale situaties.

De verdachte beschikt op zich over voldoende intellectuele capaciteiten om de wereld om hem heen te begrijpen. Door het ontbreken van voldoende integrerende functies kan hij de geleerde kennis echter niet in een samenhangend wereldbeeld incorporeren. Daarbij is van belang dat de verdachte, samenhangend met zijn autistiforme problematiek, over een zeer beperkt vermogen beschikt om gevoelens van zichzelf en anderen te begrijpen en te verwoorden. Doordat gedragspatronen doorgaans ontstaan op basis van empathie, inlevingsvermogen en het op natuurlijke wijze kunnen generaliseren van sociale oorzaak en gevolg en deze samenhang bij de verdachte ontbreekt, komen zijn gedragspatronen in wezen voort uit het letterlijk overnemen van de uiterlijke kenmerken van het gedrag dat hij waarneemt zonder het achterliggende sociale begrip.

De persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte hangt samen met de pervasieve ontwikkelingsstoornis MCDD, wat inhoudt dat zijn persoonlijkheid zwak is geïntegreerd en weinig is uitgerijpt. Hoewel aan de buitenkant sprake is van antisociaal (kopieer)gedrag (dus niet zozeer gestuurd door gewetens-ontwikkeling of empathie omdat deze functies in aanleg defect zijn), kan bij de verdachte niet worden gesproken van een ontwikkeling in de richting van een persoonlijkheidsstoornis.

In de zaak [slachtoffer 1] (betreft de onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde gekwalificeerde doodslag) is een aantal elementen uit de stoornis te herkennen in de vorm en vreemde context van het ten laste gelegde. In zijn handelen werd hij niet afgeremd of gedreven door empathie of geweten. De verdachte wordt tenminste verminderd toerekeningsvatbaar geacht. In het vervolg hiervan gedurende een langere periode onttrekken en vernielen van het lichaam van het slachtoffer leek de verdachte zich steeds verder te verliezen in fictieve denkbeelden. Ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde kan de verdachte dan ook als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

In de zaak Malledijk (betreft de onder 5 bewezen verklaarde gekwalificeerde doodslag) kan de verdachte tenminste enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht, nu een indirect verband tussen de pathologie en het ten laste gelegde te reconstrueren is.

In de zaken Apollo (betreft de onder 4 primair, eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde poging gekwalificeerde doodslag) en Sterrenkwartier handelde de verdachte binnen de antisociale context vanuit een roofmotief.

Voor deze feiten wordt de verdachte dan ook als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd.

In de zaak Mars wordt de verdachte eveneens als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd, nu de wijze waarop hij met de kinderporno omging passend is binnen zijn autistiforme stoornis en zwakke seksuele identiteit.

De kans op herhaling van soortgelijke delicten vanuit de pathologie alleen of samen met een ander is over het algemeen groot. Verdachte neigt er toe om zich langzaam terug te treken uit sociale contacten en te varen op zijn interne kompas dat geen constante koers vaart, waardoor zijn gedrag – mede als gevolg van het ontbreken van probleembesef en ziekte-inzicht – onvoorspelbaar is.

Om de behandelresponsiviteit van de verdachte te vergroten wordt geadviseerd om betrokkene te plaatsen in een gestructureerde behandelsetting om gedragsbeïnvloeding mogelijk te maken. Verdere diagnostiek is nodig om het beloop van de ontwikkelingsstoornis te volgen.

Gelet op het vorenstaande wordt geadviseerd om de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen.

Het hof neemt de conclusies van eerder genoemde psychiater en psycholoog over en maakt die tot de zijne.

Nu het gevaar dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten opnieuw zal plegen – ook naar het oordeel van het hof - groot is, eist het belang van de veiligheid van anderen, de algemene veiligheid van personen en goederen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.

Ook aan de overige wettelijke voorwaarden als bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, wordt de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd ter zake van de bewezen verklaarde misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan dat naast voornoemde maatregel aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur zal worden opgelegd.

Het hof adviseert overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dat de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient aan te vangen nadat de verdachte de helft van de aan hem opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan. Daarbij overweegt het hof dat de aard en de ernst van de bij de verdachte vastgestelde stoornis zo ernstig is dat een langdurige en intensieve behandeling noodzakelijk is en het om die reden is geïndiceerd de behandeling al tijdens de detentie te doen aanvangen. Voorts merkt het hof op dat ook met de terbeschikkingstelling met dwangverpleging de bescherming van de maatschappij wordt geborgd, meer in het bijzonder nu ook de klinische behandeling van de verdachte naar verwachting een aanzienlijke periode zal vergen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 33.500,-, bestaande uit € 26.000,- aan immateriële schade, affectieschade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde en € 7.500,- aan immateriële schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 33.500,-, te vermeerderem wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.500,- ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, met dien verstande dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Het hof overweegt dat zowel het onderzoek naar de (civielrechtelijke kwalificatie van) de immateriële schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde als dat naar de (civielrechtelijke kwalificatie van) de immateriële schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde en daarmee de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 31.041,27, bestaande uit:

  • -

    Beschadigde kleding: € 425,-

  • -

    Laptop: € 212,-

  • -

    Medische kosten: € 1.560,-

  • -

    Reiskosten: € 861,12

  • -

    Telefoonkosten: € 100,-

  • -

    Kosten tolk: € 744,97

  • -

    Verlies arbeidsvermogen: € 19.638,18

  • -

    Smartengeld: € 7.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 31.041,27, te vermeerderem wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 29.706,42 te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, met dien verstande dat de door de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ter zake van de gevorderde vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen nu niet genoegzaam is komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het onderhavige delict niet heeft kunnen werken.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 23.212,51 materiële schade is geleden en dat deze schade het rechtsreeks gevolg is geweest van het onder 4 primair, eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde. Integraal worden toegewezen de kosten ten gevolge van de weggenomen laptop ad € 212,- en de tolkkosten ad € 744,97. In navolging van de rechtbank stelt het hof daarbij de kosten voor beschadige kleding op € 200,-, de telefoonkosten op € 50,- en de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt vanuit het ziekenhuis te Spijkenisse naar het ziekenhuis in Wloclawek te Polen op € 546,24, waardoor totaal aan reiskosten wordt toegewezen € 807,36 (immers ook nog € 261,12 aan reiskosten gemaakt ten behoeve van de terechtzitting in eerste aanleg).

Ter zake van de gevorderde medische kosten, alsmede de inkomstenderving overweegt het hof als volgt. Door de raadsvrouw van de benadeelde partij zijn ter terechtzitting van 30 oktober 2014 stukken overgelegd ter onderbouwing van deze schadeposten. Het betreft aanvullende medische informatie omtrent bezoeken van de benadeelde partij aan zijn huisarts na het bewezenverklaarde, aanvullende medische informatie van een specialist ter zake van de voorgeschreven medicatie tegen epilepsie, alsmede salarisstroken waaruit volgt dat de benadeelde partij sinds juli 2012 weer werkzaam is. Het hof is van oordeel dat met de overlegging van deze aanvullende stukken genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij de door hem gestelde schade daadwerkelijk heeft geleden en dat deze schade het gevolg is geweest van het onder 4 bewezen verklaarde feit. Het hof zal de gevraagde vergoeding voor medische kosten ad € 1.560,-, alsmede de kosten door het verlies aan arbeidsvermogen ad € 19.638,18 toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij ter zake van de materiële schade zal derhalve tot een bedrag van in totaal € 23.212,51 hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat deze schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening. Voor de resterende gevorderde materiële schade ad € 328,76 levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 primair, eerste cumulatief/alternatief bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 7.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag dat deze schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

Namens de verdachte is primair verzocht af te zien van het opleggen van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair is verzocht bij het opleggen van de maatregel de vervangende hechtenis te bepalen op één dag, omdat het aanstonds duidelijk is dat de verdachte (voorlopig) geen draagkracht heeft om de schade te voldoen.

Het hof wijst beide verzoeken af.

Er zijn naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de conclusie rechtvaardigen dat de verdachte ook in de toekomst onvoldoende draagkracht zal hebben om de schade te betalen die door het hof is vastgesteld. Het hof ziet dan ook geen reden om in deze anders te beslissen dan in soortgelijke zaken gebruikelijk is.

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 30.712,51 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met onder 6 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.132,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 632,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële en immatierële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 632,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 4]. Voor zover de raadsman heeft verzocht om af te zien van de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent in het kader van de vordering van [slachtoffer 3] is overwogen.

Proceskosten ten gevolge van vorderingen van de benadeelde partijen

Voor zover de vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van de geleden schade door het hof zijn toegewezen en aan de verdachte de verplichting is opgelegd om de gelegde schade te vergoeden, dient hij eveneens te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 47, 48, 57, 63, 151, 240b, 288, 311, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair, tweede cumulatief/alternatief en 9 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief, 2, 3, 4 eerste cumulatief/alternatief, 5 primair, 6, 7 primair, 9 subsidiair en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief, 2, 3, 4 eerste cumulatief/alternatief, 5 primair, 6, 7 primair, 9 subsidiair en 10 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

25 (vijfentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 4 primair, eerste cumulatief/alternatief, bewezen verklaarde tot het bedrag van € 30.712,51 (dertigduizend zevenhonderdtwaalf euro en eenenvijftig cent) bestaande uit € 23.212,51 (drieëntwintigduizend tweehonderdtwaalf euro en eenenvijftig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], een bedrag te betalen van € 30.712,51 (dertigduizend zevenhonderdtwaalf euro en eenenvijftig cent) bestaande uit € 23.212,51 (drieëntwintigduizend tweehonderdtwaalf euro en eenenvijftig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 188 (honderdachtentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is ontstaan tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het in de zaak onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 632,00 (zeshonderdtweeëndertig euro) bestaande uit € 132,00 (honderdtweeëndertig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], een bedrag te betalen van € 632,00 (zeshonderdtweeëndertig euro) bestaande uit € 132,00 (honderdtweeëndertig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 december 2014.