Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3974

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
BK-14-00061 en BK-14-00062
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:784, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1476
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of belanghebbende aanspraak heeft op een groot aantal (persoonsgebonden) aftrekposten en teruggave van betaalde omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2631

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-14/00061 en BK-14/00062

Uitspraak d.d. 3 december 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rotterdam, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 16 januari 2014, nummers SGR 13/6326 en SGR 13/6327, betreffende de hierna vermelde aanslagen.

Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 2010 en 2011 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.312 respectievelijk € 11.425 (hierna: de aanslagen).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar is de aanslag voor het jaar 2010 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.833 en is de aanslag voor het jaar 2011 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.401.

1.3.

Op het beroep van belanghebbende tegen beide uitspraken heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

Belanghebbende heeft nadien bij brieven van 20 januari 2014, 8 april 2014, 20 april 2014, 2 juni 2014, 14 en 15 juni 2014, 18 juni 2014, 1, 2 en 3 juli 2014, alle voorzien van bijlagen, en 3 en 5 augustus 2014, een stroom aan nadere stukken ingezonden waarvan door tussenkomst van de griffier afschrift is verzonden aan de Inspecteur.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 oktober 2014, gehouden te Den Haag. Daar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 9 september 2014 aan het adres [...], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens door de griffier bij TNT Post ingewonnen inlichtingen (track and trace) is de vorenbedoelde brief op 10 september 2014 op dit adres aangeboden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

“1. Eiser heeft op 16 maart 2011 aangifte IB/PVV 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.228.

2. Eiser heeft op 4 maart 2012 aangifte IB/PVV 2011 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.075.

3. Verweerder heeft in afwijking op de aangifte met dagtekening 13 december een definitieve aanslag IB/PVV 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning € 12.312.

4. Verweerder heeft in afwijking op de aangifte met dagtekening 2 januari 2013 een definitieve aanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning € 11.425.”

3.2.

Voorts heeft het Hof nog de navolgende feiten vastgesteld als zijnde gesteld en op zich zelf aannemelijk.

3.3.

Bij het vaststellen van de aanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 2010 en 2011 heeft de Inspecteur rekening gehouden met de geclaimde aftrek met betrekking tot dieetkosten.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1.

Partijen houdt verdeeld of belanghebbende aanspraak heeft op een groot aantal (persoonsgebonden) aftrekposten en teruggave van betaalde omzetbelasting, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

4.2.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de aanslagen naar belastbaar inkomens uit werk en woning tot nader te bepalen bedragen.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende overwogen, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

"9. Omdat eiser verzoekt om aftrek van uitgaven van de persoonsgebonden aftrekposten en toepassing van de jonggehandicaptenkorting rust op hem de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voor de diverse aftrekposten voldoet.

10. Eiser heeft in beroep verzocht om aftrek van uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat dit bedrag niet in aftrek kan worden gebracht. Voor de in geschil zijnde jaren is het op grond van de Wet IB 2001 niet langer mogelijk dergelijke uitgaven in aftrek te brengen.

11. Op grond van artikel 6.17, eerste lid onderdeel g van de Wet IB 2001 kunnen uitgaven voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, in aftrek worden gebracht volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels zijn uitgewerkt in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Op grond van dit artikel komen de uitgaven enkel in aftrek wanneer de genoemde uitgaven voortvloeien uit ziekte of invaliditeit en de ziekte of invaliditeit ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de uitgaven terecht niet in aftrek heeft toegestaan nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt die verband houden met ziekte of invaliditeit.

12. De door eiser in aftrek gebrachte bedragen in verband met betaalde premies zorgverzekering en het eigen risico van de zorgverzekering van eiser kunne niet in aftrek gebracht worden nu deze bedragen door de wetgever in artikel 6.18, eerste lid onder b en e Wet IB 2001 expliciet van aftrek zijn uitgesloten.

13. Voorts heeft eiser verzocht aftrek van een bedrag in verband met een schenking/gift aan zijn vader. Op grond van artikel 6.32 t/m 6.40 van de Wet IB 2001, geldt als voorwaarde voor een dergelijke aftrek dat een gift dan wel schenking plaatsvindt aan een instelling die bij beschikking als Algemeen nut beogende instelling is aangemerkt dan wel indien het bij notariële akte aangegane periodieke giften betreft. Dat daarvan sprake is geweest heeft eiser niet aannemelijk gemaakt zodat verweerder de aftrek terecht heef geweigerd.

14. Anders dan eiser stelt is het drempelbedrag uit artikel 6.20 Wet IB 2001 geen aftrekpost maar een door de wetgever ingevoerd minimumbedrag waarboven pas specifieke zorgkosten in aftrek kunnen worden gebracht. Het bedrag van de drempel als zodanig komt derhalve niet voor aftrek in aanmerking.

15. Op grond van artikel 8.16a Wet IB 2001 geldt de jonggehandicaptenkorting voor een belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning. Nu niet is gebleken dat eiser recht heeft op een dergelijke uitkering of op arbeidsondersteuning op grond van deze wet, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de jonggehandicaptenkorting niet toegepast.

16. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder de in geschil zijnde persoonsgeboden aftrekposten alsmede de jonggehandicaptenkorting terecht geweigerd en heeft overigens geconstateerd dat de dieetkosten reeds in aftrek zijn toegestaan zodat de rechtbank zich daarover niet verder hoeft uit te laten.

17. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding."

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt dat eindoordeel en de gronden waarop dat rust tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof nog het volgende.

7.2.

Het Hof is na bestudering van de stukken tot het oordeel gekomen dat, zoals de Inspecteur heeft gesteld, bij het vaststellen van de aanslagen de door belanghebbende verzochte aftrek van dieetkosten is verleend.

7.3.

Bij een zorgvuldige bestudering van al hetgeen belanghebbende aan informatie in het geding heeft gebracht, zowel bij de rechtbank als bij het Hof, heeft het Hof geen aanknopingspunten kunnen vinden de aanslagen tot een lager bedrag vast te stellen dan de Inspecteur heeft gedaan. De persoonsgebonden aftrekposten en ook de jonggehandicaptenkorting alsmede de verzochte teruggave van omzetbelasting zijn door de wetgever in het geval van belanghebbende uitgesloten.

7.4.

Gelet op het vorenoverwogene moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, G.J. van Leijenhorst en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.A. Mijnans. De beslissing is op 3 december 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.