Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3960

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
09-12-2014
Zaaknummer
2200085613
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:514, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich met haar mededader(s) op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mensenhandel van aangeefster.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000856-13

Parketnummer: 09-665281-12

Datum uitspraak: 9 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 25 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 oktober 2011 tot en met 12 oktober 2011 te Den Haag en/of Scheveningen en/of Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon genaamd [aangeefster] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [aangeefster] (in de prostitutie)

en/of

die [aangeefster] heeft gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [aangeefster] (in de prostitutie), terwijl die [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt

en/of

die [aangeefster] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster]

en/of

die [aangeefster] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [aangeefster] met of voor een derde

immers heeft/is verdachte en/of hebben/zijn verdachtes mededader(s)

-die [aangeefster] opgesloten, althans ondergebracht, in een kelderbox zonder dat die [aangeefster] in het bezit was van de sleutel van deze kelderbox en/of

-die [aangeefster] (voortdurend) onder toezicht en/of controle gehouden en/of

-van die [aangeefster] foto's gemaakt ten behoeve van een of meer advertentie(s) voor (een) internetsite(s) en/of

-voor die [aangeefster] een of meer advertentie(s) opgesteld voor (een) internetsites en/of

-die [aangeefster] (telkens) naar een escortadres (over)gebracht en/of laten overbrengen en/of

-dreigende taal uitgesproken naar die [aangeefster] en/of

-die [aangeefster] gefouilleerd en/of

-die [aangeefster] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden af te staan en/of af te dragen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu er sprake is van schending van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de tenlastelegging zich uitstrekt over gedragingen waarvoor zijn cliënte reeds is vrijgesproken bij onherroepelijk vonnis door de rechtbank, één en ander overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen.


Het hof overweegt diengaande als volgt.

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag is de verdachte op 27 april 2012 vrijgesproken ter zake de haar ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangeefster] in een kelderbox in de periode van 2 oktober 2011 t/m 4 oktober 2011 te Den Haag.

De officier van justitie heeft op 7 mei 2012 hoger beroep ingesteld tegen deze vrijspraak. De advocaat-generaal heeft dit hoger beroep op 24 november 2014 ingetrokken, zodat het vonnis van 27 april 2012 inmiddels onherroepelijk is.

In de onderhavige zaak is de verdachte het misdrijf van mensenhandel ten laste gelegd, gepleegd in de periode van 2 oktober 2011 t/m 12 oktober 2011 te Den Haag en/of Scheveningen en/of Dordrecht. In de tenlastelegging is onder meer opgenomen:

“(…) immers heeft/is verdachte en/of hebben/zijn verdachtes mededader(s)

-die [aangeefster] opgesloten, althans ondergebracht, in een kelderbox zonder dat die [aangeefster] in het bezit was van de sleutel van deze kelderbox (…)”.

Uit het bovenstaande leidt het hof af dat geen sprake is van “hetzelfde feit” als bedoeld in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is hierbij uitgegaan van de criteria geformuleerd in HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5012. Daarin heeft de Hoge Raad als volgt overwogen: ‘Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van 'hetzelfde feit', dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten te vergelijken.’ Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.

Uit de bewoordingen van het begrip 'hetzelfde feit' vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van 'hetzelfde feit' in de zin van art. 68 Sr (vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394).

De strafbaarstelling van wederrechtelijke vrijheidsberoving in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, strekt ertoe te voorkomen dat iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid wordt beroofd. De strafbaarstelling van mensenhandel in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, beoogt daarentegen uitbuiting te voorkomen en bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen. De juridische aard van de feiten wijst er dus op dat het gaat om verschillende gedragingen in de zin van genoemd artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

Dat de opsluiting van [aangeefster] in een kelderbox als uitvoeringshandeling in de op het verwijt van de mensenhandel geënte tenlastelegging is opgenomen, waarbij het hof ten overvloede opmerkt dat de wederrechtelijkheid daarvan in de huidige tenlastelegging ontbreekt, doet daar niet aan af.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 4 oktober 2011 tot en met 12 oktober 2011 te Den Haag en/of Scheveningen en/of Dordrecht, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een persoon genaamd [aangeefster] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, overgebracht, en gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [aangeefster] (in de prostitutie)

en/of

die [aangeefster] heeft gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [aangeefster] (in de prostitutie), terwijl die [aangeefster] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt

en/of

die [aangeefster] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [aangeefster]

en/of

die [aangeefster] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [aangeefster] met of voor een derde

immers heeft/is verdachte en/of heeft/hebben/zijn verdachtes mededader(s)

-die [aangeefster] opgesloten, althans ondergebracht, in een kelderbox zonder dat die [aangeefster] in het bezit was van de sleutel van deze kelderbox en/of

-die [aangeefster] (voortdurend) onder toezicht en/of controle gehouden en/of

-van die [aangeefster] foto's gemaakt ten behoeve van een of meer advertentie(s) voor (een) internetsite(s) en/of

-voor die [aangeefster] een of meer advertentie(s) opgesteld voor (een) internetsites en/of

-die [aangeefster] (telkens) naar een escortadres (over)gebracht en/of laten overbrengen en/of

-dreigende taal uitgesproken naar die [aangeefster] en/of

-die [aangeefster] gefouilleerd en/of

-die [aangeefster] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden af te staan en/of af te dragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de onderstaande bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

1.Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 oktober 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011216163-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (p. 14 e.v.):

als de op 13 oktober 2011 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [aangeefster]:

Ik ben geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] in Nederland. Ik zat in Groningen eerst bij [instelling] en later bij begeleid wonen. Ik werd er daar uitgezet en daardoor kwam ik op straat te staan. Ik ken [medeverdachte 1] uit [instelling]. Ik vertelde hem dat ik geen onderdak had en hij zei dat ik naar Den Haag moest komen. Ik heb tegen [medeverdachte 1] gezegd dat ik wel de prostitutie wilde gaan werken. Ik heb toen [medeverdachte 2] ontmoet. Hij kwam bij mij en [medeverdachte 1] langs en we hebben gesproken over waar ik in de prostitutie zou kunnen werken. Tijdens dit gesprek kwam ook de vriendin van [medeverdachte 2] erbij en dat wekte vertrouwen bij mij. Zij heet [verdachte]. Ik was op 4 oktober jarig en daarna ben ik samen met [verdachte] en [medeverdachte 2] naar een huis gegaan. We gingen naar een jongen die [medeverdachte 3] heet. Daarna zijn [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [verdachte] verder gaan zoeken voor werk voor mij. [verdachte] heeft foto’s van mij gemaakt voor op internet. Dit deed zij met de BlackBerry van de zus van [medeverdachte 2]. Ik stond met mijn naakte bovenlichaam op de foto waarbij ik mijn handen op mijn borsten hield. Deze foto’s zijn geplaatst op internet op site www.bestesexdates.nl en nog op andere sites maar daar weet ik de naam niet van. Mijn werknaam was [naam] en mijn telefoonnummer stond erbij. Vanaf de tijd dat ik [medeverdachte 2] en [verdachte] heb leren kennen ben ik eigenlijk nooit meer alleen geweest. In het huis van [medeverdachte 3] was [verdachte] altijd bij mij. Als wij iets in de winkel moesten halen deed ik dat altijd met [verdachte]. Toen ik op een gegeven moment een klant aan de telefoon had, gilde [verdachte] er door heen over de prijzen die ik de klant moest vragen. Toen ik zei: “stil nou”, antwoordde zij: ”wat denk je wel zo praten tegen het vrouwtje van jouw pooiertje”.

Op de tweede dag dat ik op internet stond heb ik twee klanten gehad. De eerste was in de ochtend in Scheveningen, ik had rond 11:00 uur afgesproken. [medeverdachte 3] heeft mij toen naar Scheveningen gebracht. We hadden afgesproken vlakbij de viszaak Simonis. Ik heb van deze klant 50 euro gekregen voor een half uur. Toen wij weer thuis waren zei [medeverdachte 3] dat ik het geld beter aan [verdachte] kon geven en dan zouden zij het voor mij opsparen. Als ik dit niet zou doen dan wisten zij wel hoe ik tegenover hen stond. Ik schrok hier wel een beetje van en heb het geld toen aan [verdachte] gegeven. Ze zeiden dat als ik iets nodig had dat ik dat dan aan [verdachte] moest vragen en dat [verdachte] dat dan samen met mij zou gaan halen. Die avond kwam [medeverdachte 2] ook bij [medeverdachte 3] en die zei hetzelfde, dat ik het geld aan [verdachte] moest geven. Die avond had ik weer een klant, dit was in Dordrecht. Ik ben toen weggebracht door [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte]. Omdat het wat verder was heb ik 60 euro gekregen voor een half uur. Dit geld heb ik in de auto aan [verdachte] gegeven. [medeverdachte 2] dacht dat ik meer had gekregen. Toen we thuis kwamen heeft [verdachte] mij gefouilleerd om te controleren of ik echt niet meer geld had. Ik had pas 110 euro verdiend en moest hen ook nog betalen voor het onderdak, stroom, water en dingen die ik gebruikte voor eten. [medeverdachte 2] zou investeren in mij. Zij zouden een deel van het geld krijgen en ik een deel. Het is nooit duidelijk afgesproken hoeveel ik zou krijgen en hoeveel er naar hen zou gaan. Zij zouden voor mij sparen zodat ik dingen kon kopen of een plekje voor mijzelf zou kunnen regelen. Het sparen zou wel lang duren en mogelijk zou ik wel 2 jaar bij [medeverdachte 3] blijven. Dit sparen was een idee van [medeverdachte 2]. [verdachte] zou voor mij sparen, ik moest al mijn geld aan [verdachte] geven. [verdachte] had ineens 25 euro, maar ik durfde haar niet te beschuldigen dat het mijn geld was. Ik was bang dat [medeverdachte 2] boos zou worden. Ik denk dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de internetsite die u mij laat zien hebben gemaakt.

2.Een proces-verbaal verhoor aangeefster d.d. 14 oktober 2011 van de politie Haaglanden met nr. PL15J2 2011216163-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (p. 24 e.v.):

als de op 14 oktober 2011 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [aangeefster]:

Ik doe aangifte tegen [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] omdat zij misbruik hebben gemaakt van mijn situatie.

3.Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 27 maart 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergeven- (ongenummerd):

als de op 27 maart 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [aangeefster]:

7. Daarna zij wij op een avond naar het huis van [medeverdachte 3] gegaan, daar konden wij blijven slapen.

4.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 januari 2012 van de politie Haaglanden (ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 98 e.v.):

als de op 16 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [medeverdachte 2]:

[medeverdachte 3] is een goede vriend. [aangeefster] mocht bij [medeverdachte 3] een nachtje verblijven. Ik zag haar een keer met [medeverdachte 1]. Dat meisje is niet 100%. Ze is psychisch ziek. Ze had niets in Den Haag te zoeken. Ze had niets bij zich. Geen telefoon. Helemaal niets. Zonder tas, zonder spullen. Ze zei dat ze ruzie had met haar ouders. Geen legitimatiebewijs. Geen abonnement.

5.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 januari 2012 van de politie Haaglanden met nummer 2011 216163. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (p. 129 e.v.):

Als de op 17 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [verdachte]:

Ik vond dat [aangeefster] onderdak nodig had. [verdachte] heeft een vriend die wel plek had voor een paar dagen.

6.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 februari 2012 van de politie Haaglanden met nummer 2011 216163. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 373 e.v.):

als de op 20 februari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [verdachte]:

Ik heb de foto’s van [aangeefster] gemaakt, dat was in het huis van [medeverdachte 3]. Ik heb ze op internet gezet. Ik denk op 2 of 3 sites. Ik heb de tekst ingetikt. Ik heb de advertentie en bijbehorende foto’s op internet geplaatst. In die periode woonde ik bij [medeverdachte 3] in huis met [aangeefster].

[wachtwoord] is een wachtwoord dat [medeverdachte 2] gebruikt voor zijn Hyves en Hotmail. Ik gebruik het ook voor mijn Hotmail. Het e-mailadres [e-mailadres] heb ik aangemaakt, het was in gebruik bij [aangeefster].

[aangeefster] had helemaal niets. Oude kleren en een tas met een scheur er in. [medeverdachte 2] heeft mij en [aangeefster] aan [medeverdachte 3] voorgesteld. Dat was op de verjaardag van [aangeefster] of de dag daarna.

7.Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 29 maart 2012. Dit proces-verbaal houdt onder meer in –zakelijk weergeven- (ongenummerd):

als de op 29 maart 2012 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [verdachte]:

5. [aangeefster] had helemaal niemand. Ze had geen vrienden, geen kleren. [aangeefster] had geen onderdak.

8. [medeverdachte 2] zei dat hij een plekje bij [medeverdachte 3] voor ons had. Wij zijn bij [medeverdachte 3] wezen logeren.

8Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 januari 2012 van de politie Haaglanden (ongenummerd). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – (p. 86 e.v.):

als de op 12 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 1]:

Ik heb de afspraak op internet gemaakt. Zij kwam bij mij thuis in Dordrecht langs. Zij kwam met de auto. De uitdraai die u mij laat zien lijkt veel op de site waarop ik haar destijds ben tegengekomen. Het meisje noemde zich [naam]. Ik had om ongeveer 20:00 uur met haar afgesproken. Ze zei dat ze in de problemen zat. Ik zag haar aan komen rijden in een witte kleine auto. De auto werd tegenover mijn huis geparkeerd. Ze vertelde dat haar vrienden mee waren voor haar veiligheid. Het waren mannelijke vrienden. Ik heb hen in de auto zien zitten. Ik heb haar 60 euro betaald voor een half uur.

9.Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 januari 2012 van de politie Haaglanden met nummer 2011216163. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 364 e.v.):

als de op 25 januari 2012 tegenover deze opsporingsambtenaren afgelegde verklaring van [getuige 2]:

Ik heb de internetsite “beste sexdates.nl” bezocht. Bij de advertentie stond een telefoonnummer. Ik heb haar een sms-bericht gestuurd. Het meisje was [naam] genaamd. Het meisje op de foto die u mij laat zien is de [naam] van de advertentie. Uiteindelijk is de prijs verlaagd tot 50 euro voor een uur sex. We hadden om 11:00 uur een afspraak in Scheveningen, op de parkeerplaats van de vishandel Simonis. Ik zag [naam] voorbij rijden in een auto. De auto is twee keer voorbij gereden. Ik zag dat de bestuurder een man was en dat [naam] op de bijrijderstoel voor in de auto zat. Toen we terug reden maakte [naam] een zenuwachtige indruk. Ze zei dat ze niet te laat wilde terugkomen. Ik heb haar 50 euro contant betaald.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het haar ten laste gelegde feit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster tegenstrijdig en ongeloofwaardig zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Voorts ontbreekt het volgens de raadsman in de onderhavige zaak aan bewijs dat aangeefster is bewogen om seks tegen betaling te hebben met derden, nu aangeefster zelfstandig tot het plan is gekomen om seks tegen betaling te hebben met derden. De verdachte en haar medeverdachten hebben aangeefster met bepaalde zaken geholpen, maar wat zij deden was gericht op de facilitering van wat aangeefster zelf graag wilde, te weten werken in de prostitutie, aldus de raadsman.

Daarnaast is er volgens de raadsman geen sprake geweest van voortdurende controle en/of toezicht en ze derhalve weg had kunnen gaan, is er geen geweld jegens aangeefster uitgeoefend of daarmee gedreigd, is er geen dreigende taal geuit jegens aangeefster en heeft de verdachte geen geld afgepakt/gekregen van aangeefster.

Tenslotte heeft de raadsman betoogt dat van uitbuiting geen sprake is geweest, nu vast staat dat de verdachte en haar medeverdachten niet of nauwelijks hebben geprofiteerd van aangeefster of haar werk omdat de totale opbrengst van haar werk, € 110,-, lager was dan de kosten, één en ander overeenkomstig de inhoud van de overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verklaringen aangeefster

Nu de door het hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster met betrekking tot de ten laste gelegde mensenhandel voldoende steun vinden in de overige, zich in het dossier bevindende, stukken en naar ’s hofs oordeel evenmin feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de juistheid van haar verklaringen moet worden getwijfeld, verwerpt het hof het ter dier zake gevoerde verweer van de raadsman en bezigt het hof haar verklaringen onverkort tot het bewijs.

Uitbuiting

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat aangeefster met twee klanten seks heeft gehad en daar respectievelijk € 50,- en € 60,- aan heeft verdiend. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat aangeefster beide bedragen onvrijwillig en in zijn totaliteit heeft moeten afstaan. Voorts neemt het hof in aanmerking de buitengewoon kwetsbare situatie waarin [aangeefster] zich op dat moment bevond, de omstandigheid dat [aangeefster] zelf geen andere mogelijkheid zag dan zich te prostitueren, alsmede de omstandigheid dat verdachte en haar mededader(s) zich maar al te goed bewust waren van die situatie en wat dat meebracht. Deze omstandigheden tezamen maken dat er naar ’s hofs oordeel sprake is van uitbuiting. De omstandigheid dat [aangeefster] (net 18 jaar geworden, geen diploma’s, en na een jeugd in gesloten instellingen, weggestuurd en dakloos) zelf aangaf niet iets anders te kunnen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat het totaal van deze bedragen niet of nauwelijks de tot dan toe gemaakte kosten dekt, acht het hof niet van belang. Gesteld noch gebleken is immers dat deze afdracht plaats vond ingevolge een eerder door verdachte(n) met [aangeefster] gemaakte afspraak omtrent een vergoeding van de ten behoeve van [aangeefster] voordien gemaakte kosten. Dit brengt mee dat een uit een zodanige afspraak voortvloeiende verplichting tot vergoeding van gemaakte kosten niet aannemelijk is geworden. Daarmee is de feitelijke grondslag aan dit verweer komen te ontvallen. Het hof verwerpt de verweren.

Toezicht en controle

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de aangeefster, na haar gedwongen vertrek uit Groningen, dakloos was geworden. De situatie waarin zij zich bevond in Den Haag als net 18-jarige jonge vrouw zonder iets bij zich anders dan de kleren die ze aanhad, zonder geld, familie of andere kennissen waarop ze terug kon vallen, maken dat de aangeefster geen voor haar op dat moment reëel alternatief had dan onder deze omstandigheden terug te keren naar deze verdachte en haar mededader(s) en zich te gedragen overeenkomstig hun wensen.

Overige verweren

Voor wat betreft de overige gevoerde verweren overweegt het hof dat de weerlegging daarvan in de gebezigde bewijsmiddelen besloten ligt dan wel dat de verdachte van die onderdelen partieel is vrijgesproken en om die reden naar ’s hofs oordeel onbesproken kunnen blijven.

Medeplegen

Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft de verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen dusdanig bewust en nauw samengewerkt met in ieder geval [medeverdachte 2] dat naar ’s hofs oordeel sprake is van medeplegen als bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep, zal worden vernietigd en dat de verdachte – met inachtneming van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - ter zake het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met haar mededader(s) op bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan mensenhandel van [aangeefster]. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit waarbij zij, met miskenning van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, haar eigen financieel gewin op de voorgrond heeft gesteld. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog gedurende lange tijd de psychische en emotionele schade kunnen ondervinden.

Bij de beoordeling van de op te leggen straf heeft het hof als strafbepalende omstandigheid meegewogen dat:

- er één slachtoffer is geweest;

- het slachtoffer de Nederlandse nationaliteit bezat;

- de bewezenverklaarde periode relatief kort is;

- geen geweld is toegepast;

- het slachtoffer niet is bedreigd;

- het slachtoffer in staat was om te bepalen welke seksuele handelingen zij al dan niet met klanten wilde verrichten.

- de rol van de verdachte in vergelijking tot het handelen van [medeverdachte 2] veel beperkter van omvang was;

- de moeilijke situatie waarin het slachtoffer zich bevond in zoverre ook de verdachte betrof doordat zij eveneens in die periode dakloos was.

Het hof heeft als strafverhogende omstandigheid meegewogen dat

- het slachtoffer net 18 jaar was,

- het slachtoffer een kwetsbaar meisje betrof en dat de verdachte hiervan op de hoogte was;

- het slachtoffer – zij het dat er maar twee dienstverleningscontacten zijn geweest - al haar verdiensten heeft moeten afstaan;

- de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar daden en zij er geen blijk van heeft gegeven inzicht te hebben in de strafwaardigheid van haar gedragingen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

11 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. C. Klomp, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 december 2014.