Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:396

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
22-002532-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:885, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, samen met anderen, op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het meermalen een persoon wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, kennelijk met het doel deze persoon frauduleuze handelingen te laten plegen.

Het hof verdisconteert de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de strafmaat en veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-002532-11

Parketnummers: 10-630312-09 en 10-641445-08 (TUL)

Datum uitspraak: 19 februari 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 september 2012, 5 maart 2013, 19 maart 2013, 29 mei 2013 en 23 januari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 3 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2009 (parketnummer 10-641445-08) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

3.

(Zaak Almere)

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2009 tot en met 09 juli 2009 te Rotterdam en/of Almere en/of Utrecht en/of Kerkrade en/of Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

- die [slachtoffer 1] opgezocht bij/in zijn woning in Utrecht en/of - (vervolgens) (daarbij) die [slachtoffer 1] gedwongen om met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) mee te gaan en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) beetgepakt/vastgepakt en/of in een auto geduwd en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] met een auto vervoerd en/of

- die [slachtoffer 1] ondergebracht en/of vastgehouden in een woning te Almere en/of

- aan die [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, getoond en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Doe rustig, doe geen gekke dingen, want anders komen er problemen. En deze is voor problemen" en/of

- die [slachtoffer 1] onder bewaking van een of meer personen in voornoemde woning achtergelaten, waarbij die [slachtoffer 1] deze woning niet mocht verlaten en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] vastgepakt/beetgepakt toen die de woning wilde verlaten en/of

- ( daarbij) de deuren van deze woning afgesloten en/of laten afsluiten en/of

- die [slachtoffer 1] in een auto naar een of meer banken in Nederland vervoerd/gebracht;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 juni 2009 tot en met 09 juli 2009 te Rotterdam en/of Almere en/of Utrecht en/of Kerkrade en/of Zeewolde, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten:

- met verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) mee te gaan en/of bij hen te blijven en/of

- te verblijven in een woning in Almere en/of

- naar een of meer banken/geldinstellingen te gaan (om aldaar de (criminele) activiteiten voor/in opdracht van verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) uit te voeren en/of voort te zetten)

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) daartoe

die [slachtoffer 1] (tegen zijn wil):

- opgezocht bij/in zijn woning in Utrecht en/of

- ( aldaar) beetgepakt/vastgepakt en/of in een auto geduwd en/of meegenomen naar een auto en/of

- met een auto vervoerd en/of

- onder bewaking, althans in de constante nabijheid van andere(n) ondergebracht in een woning te Almere en/of

- vastgepakt/beetgepakt toen die de woning wilde verlaten en/of de deuren van deze woning afgesloten en/of laten afsluiten en/of

- toen die [slachtoffer 1] de deur niet opende voor verdachte en/of zijn mededader(s) en/of de telefoon voor hem/hen niet meer opnam, vervolgens de/een vriendin van die [slachtoffer 1] (genaamd [slachtoffer 2]) opgehaald (uit een psychiatrische kliniek, althans een behandel- of verzorginstelling) en/of die vriendin meegenomen naar de woning van [slachtoffer 1] en/of getoond aan die [slachtoffer 1].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Uitdrukkelijk onderbouwde standpunten

Namens de verdachte is door de raadsman, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota, aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft hij – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

* de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] zijn ongeloofwaardig, althans onvoldoende betrouwbaar en dienen om die reden van het bewijs te worden uitgesloten, net als de verklaring van de getuige [slachtoffer 2]. Dit is mede het gevolg van de omstandigheid dat beiden lijden aan psychiatrische ziekten die het geheugen beïnvloeden en beiden bovendien drugs gebruiken.

Voor het geval het hof van oordeel is dat de verklaringen van de aangever en de getuige [slachtoffer 2] wel voor het bewijs kunnen worden gebezigd, doet de verdediging het (voorwaardelijke) verzoek een neuroloog, een psychiater en een psycholoog te benoemen teneinde deze als deskundigen te kunnen horen over de gevolgen van de geconstateerde ziektes voor de mate van herinnering, de betrouwbaarheid van de verklaringen en de mogelijkheid dat zaken worden verzonnen. Tevens doet de verdediging het verzoek de casemanager en psychiater van de aangever [slachtoffer 1] te horen alsmede de aangever [slachtoffer 1] zelf;

* de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] vinden onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal, zodat niet aan het bewijsminimum ingevolge het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt voldaan;

* op basis van de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] kan niet gesproken worden van opzettelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht, nu niet aannemelijk is dat [slachtoffer 1] het steeds onmogelijk werd gemaakt zich fysiek te verplaatsen.

Het hof overweegt ter zake van de door de raadsman gevoerde verweren als volgt.

De raadsman heeft in het kader van het door hem gevoerde betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] allereerst aangevoerd dat ieder objectief bewijs voor de door [slachtoffer 1] genoemde ‘fraudezaken’ ontbreekt.

Het hof wijst in dit verband op het proces-verbaal van de politie Utrecht d.d. 13 januari 2010, documentcode 1001130930.AMB, op pagina 1 en 2 van het zaakdossier Almere waaruit wel degelijk volgt dat sprake is geweest van een fraudeonderzoek waarbij aangever [slachtoffer 1] en onder meer ook de verdachte betrokken waren.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – dat onder leiding van de officier van justitie te Zwolle een opsporingsonderzoek is ingesteld naar een groot aantal gepleegde misdrijven die onder andere betrekking hebben op het plegen van fraude. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer gehoord de heren [slachtoffer] (hof: aangever in de zaak Noorderplas, niet aan de orde in de strafzaak van de verdachte) en de heer [slachtoffer 1], de aangever in de onderhavige zaak. Tijdens de verhoren van [slachtoffer 1] in het kader van genoemd opsporingsonderzoek heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat hij op diverse data in 2009 van zijn vrijheid werd beroofd, tegen zijn wil werd vastgehouden en met vuurwapens werd bedreigd door mannen die hij kent als [bijnaam 1] en [bijnaam 2]. [bijnaam 1] betreft volgens de informatie in het proces-verbaal [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] en [bijnaam 2] betreft [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboortedatum], de verdachte.

In de derde aanvulling op het zaakproces-verbaal Almere d.d. 13 april 2010, met proces-verbaalnr. 2009270251, zaakdossier Almere is voorts het volgende gerelateerd (p. 19): “Door de Bovenregionale Recherche Midden Nederland werd onder andere onder de naam Bieslook een opsporingsonderzoek gestart naar een groot aantal fraude misdrijven. (…)

Na informatie bij het onderzoeksteam Bieslook bleek dat [aangever] (hof: aangever in de zaak Beverwaard, van welke zaak de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken) betrokken was bij frauduleuze handelingen in opdracht van de in dat onderzoek aangemerkte verdachten, waaronder [medeverdachte] en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte).

(…) Banken worden bewogen om met formulieren van de Kamer van Koophandel van bedrijven en (vervalste) identiteitsbewijzen geld over te boeken naar bankrekeningen van katvangers.

In twee andere zaakdossiers binnen het onderzoek TGO Palmhove, de zaak Noorderplas en deze zaak Almere, is deze vorm van fraude aangehaald in diverse afgelegde verklaringen.”

Het hof ziet in de informatie zoals opgenomen in de bovengenoemde processen-verbaal een belangrijk aanknopingspunt voor de juistheid van de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] dat hij samen met de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] betrokken is geweest bij het plegen van fraude, in welk kader, aldus de aangever, het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde plaatsvond.

De door de aangever [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen ter zake van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde feit vinden naar het oordeel van het hof voorts steun in de hieronder weergegeven inhoud van de verklaringen van de getuige [slachtoffer 2] en de getuige [getuige], alsmede in de na te noemen bevindingen ter zake van de woning aan de [adres] te Almere. Dit draagt bij aan het oordeel van het hof dat de verklaringen van [slachtoffer 1] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

In haar verklaringen ten overstaan van de politie op 27 januari (proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009365020-332, documentcode 1001270900.AMB, p. 64-66 zaakdossier Almere) en 16 februari 2010 (proces-verbaal van verhoor met nummer 2009365020, documentcode 1002161001.G67, p. 108-111 zaakdossier Almere) heeft de getuige [slachtoffer 2] bevestigd – zakelijk weergegeven, overeenkomstig hetgeen de aangever [slachtoffer 1] dienaangaande heeft verklaard (proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2010, procesverbaalnummer 2009365020, documentcode 1001171120.A03, p. 3-13, in het bijzonder p. 8 en proces-verbaal van verhoor d.d. 18 februari 2010, proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode 1001181230.AO7, p. 112-121, in het bijzonder p. 118) - dat zij op een maandag in de zomer van 2009 door de verdachte, na een telefoontje van hem, is opgehaald vanuit de psychiatrische inrichting te Utrecht waar zij op dat moment verbleef en toen naar de woning van haar en [slachtoffer 1] in Utrecht is gebracht en dat [slachtoffer 1] toen de deur heeft opengedaan en toen met de verdachte mee moest. [slachtoffer 2] heeft bij de politie in voornoemde verhoren voorts verklaard - eveneens overeenkomstig hetgeen de aangever [slachtoffer 1] dienaangaande heeft verklaard - dat na een eerder bezoek van onder meer de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] aan de woning van haar en [slachtoffer 1], haar rijbewijs en het kentekenbewijs van haar blauwe Opel Corsa en de sleutel ervan onvindbaar bleken en zij vermoedde dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] die hadden weggenomen. Voorts blijkt uit voornoemd proces-verbaal van bevindingen de aangifte van 3 juli 2009 die [slachtoffer 2] heeft gedaan met betrekking tot het verlies van haar rijbewijs sinds

30 juni 2009.

Op 9 maart 2010 is de getuige [getuige] gehoord (proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode 1003091115.G73, p. 168-174 zaakdossier Almere). Hij heeft verklaard dat hij [bijnaam getuige] wordt genoemd en dat hij al ongeveer vijf jaar in een woning aan de [adres] te Almere woont, naast de medeverdachte [medeverdachte]. De aangever [slachtoffer 1] heeft tijdens een rondrit met de politie op 18 februari 2010 de woning aan de [adres 1] of [adres 2] te Almere aangewezen als de woning van een man genaamd [bijnaam getuige], waar hij in juli 2009 tweemaal een nacht moest verblijven nadat hij daar door de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 2] naartoe was gebracht.

De getuige [getuige] heeft voorts verklaard – zakelijk weergegeven - dat [bijnaam medeverdachte] (het hof begrijpt op basis van de verklaring van de getuige: de medeverdachte [medeverdachte]) in 2009 met twee verschillende blanke mannen bij hem in de woning is geweest. Hij kwam de mannen alleen brengen om ze tegen betaling of wat drugs bij hem te laten slapen. De mannen vertelden hem dat ze de volgende dag bij de bank geld moesten gaan halen. De getuige heeft de aangever [slachtoffer 1] op een foto herkend als de blanke man die twee keer bij hem is geweest. De getuige weet dat [bijnaam medeverdachte] en [bijnaam verdachte] (het hof begrijpt op basis van de verklaring van de getuige: [verdachte], de verdachte) goede vrienden zijn. [bijnaam verdachte] is met medeverdachte] vaker bij hem geweest. De medeverdachte medeverdachte 2], die hij [bijnaam medeverdachte 2] noemt, kent de getuige ook. [medeverdachte 2] kwam ook een aantal keren langs met [medeverdachte]. [medeverdachte], [medeverdachte 2] en de verdachte zijn ook weleens samen bij hem langs geweest, aldus de getuige [getuige].

Uit het dossier blijkt voorts het volgende.

Op 26 januari 2010 werd in een woning aan de [adres] te Almere een doorzoeking uitgevoerd. Na onderzoek (proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL17F0 2009365020-393, documentcode 1002181030.AMB, p. 146-147) is gebleken dat dit het adres betreft waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard te zijn ondergebracht en vastgehouden (proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2010, procesverbaalnummer 2009365020, documentcode 1001171120.A03, p. 3-13, in het bijzonder p. 11 en proces-verbaal van verhoor d.d. 18 februari 2010, proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode 1001181230.AO7, p. 112-121, in het bijzonder p. 116 en 119). Tijdens de doorzoeking werden aangetroffen (1) een Nederlands paspoort op naam van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats], en (2) een kentekenbewijs van een Opel Corsa op naam van [slachtoffer 2] (proces-verbaalnummer 2009365020-326, documentcode 1001261205.AMB, p. 58-59 zaakdossier Almere en procesverbaalnummer 1003230925.AMB, p. 143-144, zaakdossier Almere). Het hof ziet in het aantreffen van deze stukken een belangrijke, objectieve ondersteuning voor de hierboven weergegeven inhoud van de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] alsmede van de getuige [slachtoffer 2].

Tijdens een latere doorzoeking diezelfde dag werd op voornoemd adres tevens een paspoort van de medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen en medicatie op diens naam (procesverbaalnummer 1002050930.AMB, p. 62-63, zaakdossier Almere).

De aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard ook eenmaal een nacht in deze woning te hebben moeten verblijven, nadat hij daar door de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte] naartoe was gebracht. De woning was van een man die door de verdachten ‘oom’ werd genoemd, aldus [slachtoffer 1] (proces-verbaal van verhoor d.d. 18 februari 2010, proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode1001181230.AO7, p. 112-121, in het bijzonder p. 116). Deze verklaring van de aangever wordt deels ondersteund door de verklaring van de bewoner zelf, zijnde de getuige/verdachte [getuige/verdachte] (proces-verbaalnummer 2009365020, documentcode 1002231230.G71, p. 159-167 zaakdossier Almere). Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte] een sleutel van zijn woning heeft en hij heeft bevestigd dat hij door [medeverdachte] en de verdachte ‘oom’ wordt genoemd.

Op grond van het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien, waaruit naar het oordeel van het hof blijkt dat voor de juistheid van de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] in het dossier objectieve aanknopingspunten zijn te vinden en dat de door hem afgelegde verklaringen niet op zichzelf staan maar voldoende steun vinden in andere zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zodat tevens is voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven bewijsminimum, acht het hof de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Anders dan de raadsman betoogt acht het hof het op basis van vorenstaande overwegingen ook niet ongeloofwaardig dat [slachtoffer 1], zoals door hem is verklaard, is misbruikt. De verweren van de verdediging dienen in zoverre te worden verworpen.

Ten aanzien van hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de psychiatrische ziekten waaraan de aangever [slachtoffer 1] en de getuige [slachtoffer 2] zouden lijden en hun drugsgebruik, de consequenties die dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid dan wel de betrouwbaarheid van hun verklaringen zou moeten hebben en het door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoek, overweegt het hof als volgt.

Het hof is van oordeel dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat als gevolg van die stoornissen en/of het gebruik van drugs per definitie geen geloofwaardige of betrouwbare verklaring kan worden afgelegd. Nog daargelaten dat het dossier geen objectieve informatie bevat waaruit blijkt dat de aangever [slachtoffer 1] en de getuige [slachtoffer 2] daadwerkelijk zijn gediagnosticeerd als lijdende aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS) respectievelijk schizofrenie en de aangever [slachtoffer 1] ter terechtzitting in hoger beroep op 29 mei 2013 heeft verklaard dat hij ten tijde van het ten laste gelegde niet meer verslaafd was, heeft de raadsman niet aangegeven waar die ongeloofwaardigheid dan wel onbetrouwbaarheid in dit concrete geval als gevolg van de door hem genoemde stoornissen dan wel het drugsgebruik uit zou bestaan. Derhalve is het verzoek tot het horen van de verzochte getuige en deskundigen en van de aangever [slachtoffer 1] zelf naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet en nauwkeurig onderbouwd. Het hof ziet, gelet hierop, dan ook geen noodzaak tot het horen van de door de verdediging verzochte getuige en deskundigen en wijst het verzoek af.

Ten aanzien van hetgeen de raadsman voorts heeft aangevoerd wordt verwezen naar de nadere bewijsoverweging hierna.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 30 juni 2009 tot en met 09 juli 2009 te Almere en/of Utrecht en/of Kerkrade en/of Zeewolde, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen

- meermalen die [slachtoffer 1] opgezocht bij/in zijn woning in Utrecht en

- meermalen (vervolgens) (daarbij) die [slachtoffer 1] gedwongen om met hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) mee te gaan en

- eenmaal die [slachtoffer 1] (met kracht) beetgepakt/vastgepakt en in een auto geduwd en

- meermalen (vervolgens) die [slachtoffer 1] met een auto vervoerd en

- meermalen die [slachtoffer 1] ondergebracht en vastgehouden in een woning te Almere en

- eenmaal aan die [slachtoffer 1] een vuurwapen getoond en (daarbij) aan die [slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Doe rustig, doe geen gekke dingen, want anders komen er problemen. En deze is voor problemen" en

- meermalen die [slachtoffer 1] onder bewaking van een of meer personen in voornoemde woning achtergelaten, waarbij die [slachtoffer 1] deze woning niet mocht verlaten en

- eenmaal (daarbij) die [slachtoffer 1] vastgepakt/beetgepakt toen die de woning wilde verlaten en

- eenmaal (daarbij) de deuren van deze woning afgesloten en/of laten afsluiten en

- meermalen die [slachtoffer 1] in een auto naar een of meer banken in Nederland vervoerd/gebracht.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Namens de verdachte is door de raadsman, overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota, aangevoerd – verkort en zakelijk weergegeven - dat op basis van de verklaringen van de aangever [slachtoffer 1] niet gesproken kan worden van opzettelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat de handelingen zoals in de tenlastelegging vermeld in onderling verband en samenhang bezien hebben geleid tot de voltooiing van de wederrechtelijke vrijheidsberovingen. Uit de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aangever blijkt immers dat de aangever op momenten in de bewezenverklaarde periode, als gevolg van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde handelingen, door de verdachten, al dan niet samen met anderen, zonder enig recht in een zodanige feitelijke situatie werd gebracht dat bij hem de indruk werd gewekt dat hij niet op ieder door hem gewenst moment kon weggaan of kon gaan en staan waar hij wilde. Onder die omstandigheden is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Daaraan doet niet af dat de vrijheidsberovingen kennelijk als middel moesten dienen om de aangever aan te zetten tot het plegen van frauduleuze handelingen, noch dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet gedurende de gehele bewezen verklaarde periode voortduurde maar op verschillende momenten in die periode plaatsvond, noch de omstandigheid dat de aangever aanvankelijk, toen hij op enig moment voorafgaande aan de bewezen verklaarde vrijheidsberovingen contact zocht met de medeverdachte [medeverdachte], niet afwijzend tegenover het plegen van de frauduleuze handelingen stond. De aangever heeft verklaard dat hij, toen de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte bij hem voor de deur stonden en hij meteen mee moest om frauduleuze handelingen te plegen, niet meer mee wilde doen maar dat hij door de medeverdachte [medeverdachte] en de verdachte hiertoe werd gedwongen (proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2010, procesverbaalnummer 2009365020, documentcode 1001171120.A03, p. 3-13, in het bijzonder p. 6).

Het hof acht daarmee voldoende wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd en verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 3 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld - rekening houdende met de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich, samen met anderen, op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het meermalen een persoon wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, kennelijk met het doel deze persoon frauduleuze handelingen te laten plegen. De verdachte en zijn mededaders hebben hiermee meermaals een grove inbreuk op de bewegingsvrijheid van het slachtoffer gemaakt. Zij zijn er bovendien aan voorbij gegaan dat een feit als het onderhavige door slachtoffers als bedreigend en beangstigend wordt ervaren. Uit de verklaringen van de aangever blijkt dat dit in de onderhavige zaak ook het geval is geweest.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof constateert voorts nog dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Door overschrijding van de inzendtermijn van het dossier door de rechtbank en andere omstandigheden die mede gelegen zijn in de lange duur voordat de zaak voor het eerst inhoudelijk is behandeld in hoger beroep, in privéomstandigheden van de raadsman en in de omstandigheid dat de strafzaak van de verdachte samenhangt met de behandeling van de zaken van de medeverdachten, is de redelijke termijn in hoger beroep in totaal met bijna anderhalf jaar overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, zoals in eerste aanleg aan de verdachte is opgelegd, in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Echter, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor genoemd, zal het hof de duur van de gevangenisstraf matigen en de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van achttien maanden.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2009 (met parketnummer 10-641445-08) is de verdachte – voor zover hier van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er evenwel termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging niet toe te wijzen. Deze zijn gelegen in de duur van het voorarrest dat de verdachte heeft ondergaan voor de ten laste gelegde feiten, waarvan slechts één feit is bewezen verklaard. Deze duur overschrijdt het uit te zitten deel van de aan de verdachte door het hof op te leggen gevangenisstraf in ruime mate. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

18 ( achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam van 16 april 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2009, onder parketnummer 10-641445-08, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, mr. S.K. Welbedacht en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 februari 2014.