Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3931

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
2200387013
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van een poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003870-13

Parketnummers: 09-842146-13 en 09-901163-11 (TUL)

Datum uitspraak: 5 december 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 september 2013 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

adres: [adres],

thans gedetineerd in PI Midden Holland - HvB De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 21 november 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beslissing op preliminair verweer

De raadsman van de verdachte heeft, overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities welke hier als ingelast worden beschouwd, een preliminair verweer gevoerd en daarin bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu onherstelbare vormverzuimen zijn begaan die een inbreuk hebben gemaakt op het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Deze vormverzuimen leveren in de ogen van de verdediging een ernstige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde op, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan.

Het hof verwerpt dit preliminaire verweer omdat het niet aan de criteria van een preliminair verweer als bedoeld in artikel 283 Wetboek van Strafvordering (WvSv) voldoet, nu het niet een verweer is waarop zonder inhoudelijk onderzoek van de zaak kan worden beslist.

Beslissing op een artikel 359a WvSv-verweer

In zijn pleidooi heeft de raadsman bovenstaand verweer herhaald.

Het hof heeft het gevoerde verweer opgevat als een verweer als bedoeld in artikel 359a WvSv en oordeelt hierover als volgt.

Het hof ziet in het niet reageren op herhaalde verzoeken van de raadsman van de verdachte om inzage in het volledige overzicht van de historische belgegevens geen aanleiding om aan te nemen dat het openbaar ministerie deze gegevens doelbewust heeft achtergehouden, noch om aan te nemen dat de gegevens die zich wel in het dossier bevinden doelbewust zijn gemanipuleerd om onjuiste of onvolledige en voor de verdachte nadelige informatie weer te geven.

Het hof is derhalve van mening dat geen sprake is van een zodanige inbreuk op de beginselen van behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan, dat daaraan het gevolg moet worden verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het hof zal volstaan met de constatering dat er een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek heeft plaatsgevonden.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 18 februari 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) meermalen althans één maal met een (wijn)fles, althans een hard en/of zwaar en/of scherp voorwerp op/tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of meermalen, althans één maal (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd, althans het lichaam heeft getrapt en/of geschopt (terwijl die op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 18 februari 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten acht, althans een of meer gebroken rib(ben) en/of een ingeklapte long en/of een gebroken neus), heeft toegebracht, door opzettelijk meermalen, althans één maal met een (wijn)fles, althans een hard en/of zwaar en/of scherp voorwerp op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of door meermalen, althans één maal (met geschoeide voet) op/tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of te schoppen (terwijl die op de grond lag);

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 18 februari 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]) meermalen, althans één maal in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 18 februari 2013 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht meermalen met een wijnfles op het hoofd heeft geslagen en meermalen met geschoeide voet tegen het hoofdheeft geschopt terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal houden aan een meldplicht bij de GGZ Reclassering Palier, zich voor de duur van maximaal 12 maanden zal laten opnemen bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling van Altrecht en dat hij na voornoemde klinische opname een ambulante behandeling zal ondergaan bij de Forensische Polikliniek van Palier of een soortgelijke instelling.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. Verdachte is met zijn mededader en nog een andere man naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Aldaar hebben de verdachte en zijn mededader, [slachtoffer] op vreselijke wijze toegetakeld. [slachtoffer] is met een wijnfles op het hoofd geslagen en vervolgens, nadat hij op de grond was gevallen, tegen zijn hoofd en lichaam geschopt en geslagen. Na deze excessieve geweldsuitoefening hebben verdachte en de twee andere mannen [slachtoffer] zwaargewond en hulpeloos in zijn woning achtergelaten. Het is een kwestie van geluk geweest dat [slachtoffer] korte tijd later door een vriend is gevonden, anders was het letsel [slachtoffer] mogelijk fataal geworden. [slachtoffer] is met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd en heeft daar enige tijd op de intensive care gelegen. Het letsel bestond onder meer uit gebroken ribben, een ingeklapte long en een gebroken neus. Uit het dossier komt naar voren dat het slachtoffer nog steeds veel last heeft van de fysieke en psychologische nasleep van deze gebeurtenissen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daad heeft willen nemen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 november 2014, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en andere strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft ten slotte rekening gehouden met het feit dat de verdachte, hoewel hij eerder veroordeeld is, niet eerder voor een soortgelijk ernstig feit met politie en justitie in aanraking is geweest. Ook heeft het hof net als de rechtbank rekening gehouden met de rol van de verdachte in het totaal van het geweld dat jegens het slachtoffer is gebruikt en het feit dat hij niet degene is geweest die het geweld heeft geïnitieerd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 806,66 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 3.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.306,66 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 22 december 2011 onder parketnummer 09-901163-11 is de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 20 dagen met aftrek waarvan 16 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.306,66 (vierduizend driehonderdzes euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 806,66 (achthonderdzes euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 4.306,66 (drieduizend driehonderdzes euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 806,66 (achthonderdzes euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 3.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 53 (drieënveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 22 december 2011, parketnummer 09-901163-11, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. H.P.Ch. van Dijk, in bijzijn van de griffier mr. E. van Doren.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 december 2014.