Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3897

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
200.159.391-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

schorsingsincident ex artikel 351 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.159.391/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 3253285 / VV EXPL 14-422

Arrest d.d. 1 december 2014 om 12.00 uur
(en administratief verwerkt op dinsdag 2 december 2014)

inzake



[de man],

wonende te Rotterdam,
hierna te noemen: de man, en

[de vrouw],

wonende te Rotterdam,
hierna te noemen: de vrouw,

appellanten in de hoofdzaak,
eisers in het incident ex artikel 351 Rv,
hierna tezamen te noemen:[appellanten] (meervoud),

advocaat: mr. H. Orduseven-Semerci te Rotterdam,

tegen

STICHTING VESTIA,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident ex artikel 351 Rv,
hierna te noemen: Vestia,

advocaat: mr. K.A.M. Jaspers te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 10 november 2014 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam in kort geding tussen partijen gewezen vonnis van 14 oktober 2014. In dit exploot hebben zij verzocht om het hoger beroep te behandelen als spoedappel in de zin van hoofdstuk 9 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, zes grieven aangevoerd en een incidentele vordering ex artikel 351 Rv ingesteld. Het hof heeft vervolgens het verzoek om behandeling als spoedappel toegewezen. Vestia heeft op 25 november 2014 een antwoordconclusie genomen in het incident. Vervolgens is arrest in het incident bepaald.

Beoordeling

  1. De door de kantonrechter in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof deze als uitgangspunt zal nemen.

  2. Kort en zakelijk weergegeven en voor zover in dit incident van belang, is het volgende aannemelijk geworden.

    (2.1) [appellanten] huren sinds 13 oktober 2000 van (de rechtsvoorganger van) Vestia een woning (3-kamer portiekwoning) aan[adres] (hierna: de woning). Op 10 juli 2014 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de man en de wijkbeheerder van Vestia, de heer [A] (hierna: [A]) toen [A] samen met twee medewerkers van de Roteb vuilniszakken van [appellanten] aantrof in de gang bij de kelderboxen van het complex waar de woning deel van uitmaakt. Dit incident is geëscaleerd, waarbij de man een vleesmes van circa 30 cm heeft laten zien aan [A]. [A] heeft zich hierdoor naar zijn zeggen ernstig bedreigd gevoeld.

    (2.2) Vestia heeft vervolgens aan de man laten weten dat zij van plan was de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden vanwege het agressieve gedrag van de man. [A] heeft van het incident aangifte gedaan bij de politie.

    (2.3) Vestia heeft bij exploot van dagvaarding van 24 juli 2014 [appellanten] gedagvaard in kort geding met een vordering tot ontruiming van de woning. De kantonrechter heeft deze vordering, na een mondelinge behandeling op 1 augustus 2014 en getuigenverhoren op 19 en 23 september 2014, toegewezen bij het thans bestreden vonnis. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft daartoe onder meer (kort weergegeven) overwogen:
    (i) Hoewel [A] en de man verschillend verklaren over het incident is het agressieve gedrag van de man in combinatie met het tonen van het mes aan te merken als een ernstige bedreiging.
    (ii) Door [A], die op dat moment werkzaamheden verrichtte voor Vestia, te bedreigen heeft de man ernstige overlast veroorzaakt jegens Vestia. Dit incident raakt niet alleen de interne organisatie van Vestia maar ook de dienstverlening aan de huurders.
    (iii) De man heeft zich dan ook niet als een goed huurder gedragen, zoals verplicht op grond van artikel 7:213 BW en artikel 10 van de algemene voorwaarden.
    (iv) Ongeacht of het een incident betreft, is de bedreiging op zichzelf dusdanig ernstig dat het aannemelijk te achten is dat de gevorderde ontruiming in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Er is sprake van een zodanige ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.
    (v) De vrouw is als echtgenote en als medehuurder ingevolge artikel 7:266, lid 2 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst, waaronder de verplichting om geen overlast te veroorzaken. Dat de vrouw niets met de bedreiging te maken heeft maakt dus niet uit.
    (vi) De omstandigheid dat een ontruiming een noodsituatie oplevert voor de vrouw en haar kinderen is, gezien de ernst van de tekortkoming, onvoldoende reden om de ontruiming alleen te laten gelden jegens de man, temeer nu de man met hen een duurzame huishouding voert.

    (2.4) Vestia heeft het bestreden vonnis op 30 oktober 2014 doen betekenen aan [appellanten] en onder meer bevel gedaan de woning binnen 28 dagen te ontruimen en de gerechtelijke ontruiming aangezegd tegen 2 december 2014.


    Beoordeling van de vordering ex artikel 351 Rv tot schorsing

  3. [appellanten] hebben ex artikel 351 Rv schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis verzocht. Het hof vat dit op als een vordering ter zake. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. De betreffende partij mag die bevoegdheid om tot executie over te gaan echter niet misbruiken. Van een dergelijk misbruik kan ingevolge artikel 3:13 lid 2 BW sprake zijn indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend. Ook kan volgens het genoemde artikellid van misbruik van bevoegdheid sprake zijn indien de betrokken partij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kan komen.

  4. Dienovereenkomstig is in vaste rechtspraak aanvaard dat de rechter slechts dan de tenuitvoerlegging van een vonnis op de voet van artikel 351 Rv kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan dan wel misbruik maakt van de bevoegdheid tot executie. Hiervan kan met name sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien ná het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten meebrengen dat de executie klaarblijkelijk een noodtoestand zou doen ontstaan voor degene te wiens laste het vonnis wordt ten uitvoer gelegd, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (zie HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4605; HR 24 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0646; HR 30 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0738; HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012). Indien dergelijke omstandigheden zich niet voordoen, is de rechter in een executiegeschil als het onderhavige gebonden aan de beslissingen die door de rechter in het te executeren vonnis zijn gewezen. Dit uitgangspunt brengt bovendien mee dat de enkele mogelijkheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft geen omstandigheid is op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de executant geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van een vonnis.

  5. In het licht van het voorgaande oordeelt het hof als volgt.
    Het belang van Vestia bij uitoefening van haar bevoegdheid tot ontruiming is niet in geschil. Vestia heeft in eerste aanleg onder meer naar voren gebracht dat zij de veiligheid van haar medewerkers wil kunnen garanderen, terwijl zij de man en ook de andere huurders duidelijk wil maken dat Vestia dit soort gedrag absoluut niet tolereert en dat in dit soort gevallen op de kortst mogelijke termijn een einde wordt gemaakt aan de huurrelatie. [appellanten] hebben dit belang niet aangevochten.

  6. [appellanten] hebben slechts (met hun grieven in de hoofdzaak) betoogd:
    (a) Er was geen sprake van bedreiging in de zin van artikel 284a Sr en 285 Sr omdat de man nimmer is veroordeeld. De man kan wel inzien dat [A] het als dreigend heeft ervaren.
    (b) De tekortkoming was van bijzondere aard of geringe betekenis ex artikel 6:265 lid 1 laatste volzin BW.
    (c) De jurisprudentie die Vestia heeft aangehaald ziet op ernstigere gevallen, omdat er in die zaken structurele en ernstige incidenten plaatsvonden. De man heeft bovendien oprecht zijn excuses aangeboden. De vrouw was niet bij het incident en kon het daarom ook niet voorkomen.
    (d) Naderhand zijn er geen incidenten meer geweest. Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de medewerkers van Vestia niet veilig hun werkzaamheden kunnen verrichten.
    (e) De vrouw is niet tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Zij is niet hoofdelijk (ex artikel 7:266 BW) aansprakelijk voor dit soort tekortkomingen van de man. Als er wel sprake is van een tekortkoming dan kan deze gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis een ontbinding niet rechtvaardigen.
    (f) De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat, ondanks dat de ontruiming een noodtoestand oplevert voor de vrouw en haar kinderen, een dergelijke omstandigheid, gezien de ernst van de tekortkoming, onvoldoende reden is om de gevorderde ontruiming alleen te laten gelden jegens de man, temeer omdat de vrouw een duurzame huishouding voert met de man. Volgens de vrouw heeft de kantonrechter als voorzieningenrechter ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat zij drie kinderen heeft en hoogzwanger is. Dit levert een noodsituatie op omdat de vrouw geen vervangende woonruimte heeft. Een mogelijke consequentie is dat de kinderen uit huis geplaatst zullen worden.
    (g) Voorst moet worden meegewogen dat de man inmiddels de woning heeft verlaten en elders verblijft. Hij doet daarmee afstand van de woning. Van een gemeenschappelijke huishouding is geen sprake meer.

  7. De argumenten (a) tot en met (f) bevatten allemaal klachten over het bestreden vonnis. Deze argumenten moeten echter in de hoofdzaak worden beoordeeld. Zoals hiervoor uiteengezet, vormt de omstandigheid dat een hoger beroep kans van slagen heeft, geen omstandigheid die ertoe leidt dat Vestia geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van het vonnis (zie de maatstaf in rechtsoverweging 4). Het is niet de bedoeling dat de vordering ex artikel 351 Rv een verkapt hoger beroep wordt.

  8. Omtrent argument (g) wordt als volgt geoordeeld. Niet alleen heeft Vestia betwist dat de man de woning (definitief) heeft verlaten en dat de man daarmee afstand van de woning heeft gedaan, maar bovendien was het hebben van een gemeenschappelijke huishouding niet het dragende argument van de kantonrechter. Bij de beoordeling van de vordering ingevolge artikel 351 Rv wijst het hof er op dat de stellingen van [appellanten] dusdanig vaag zijn, dat niet aannemelijk is geworden dat de man zijn rechten op de woning definitief heeft prijsgegeven, temeer nu ook de man het onderhavige hoger beroep heeft ingesteld en ook hij alsnog afwijzing van de vordering tot ontruiming vordert. Daaruit volgt eerder dat hij geen afstand wenst te doen van de woning. Er kan dus niet worden gesproken van een novum van een dusdanige betekenis dat dit zou moeten leiden tot toewijzing van de vordering ex artikel 351 Rv.

  9. Voor zover [appellanten] hebben willen aanvoeren dat het bestreden vonnis een klaarblijkelijke misslag bevat, hebben zij dit niet, althans niet voldoende, onderbouwd. Het beroep op artikel 7:265, eerste lid, slot BW wordt thans voor het eerst gedaan en hoort in de hoofdzaak thuis.

  10. [appellanten] hebben zich nog beroepen op een noodtoestand. Dit beroep is al door de kantonrechter beoordeeld en ontoereikend bevonden. Omtrent feiten en omstandigheden, die ná het vonnis zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, is niets gesteld of gebleken.

  11. De slotsom is dan ook dat Vestia geen misbruik van recht maakt door haar bevoegdheid tot executie te gebruiken. De vordering ex artikel 351 Rv zal worden afgewezen. [appellanten] zullen worden veroordeeld in de kosten hiervan. Beslist zal worden als na te melden.

Beslissing

Het hof:

in het incident ex artikel 351 Rv


-wijst de vordering af;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het incident, tot heden aan de zijde van Vestia
begroot op € 894,-- aan salaris advocaat;



in de hoofdzaak


- verwijst de zaak naar de rol van 16 december 2014 voor het nemen van een memorie
van antwoord door Vestia.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.E.H.M. Pinckaers en
T.G. Lautenbach en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2014 om 12.00 uur (en administratief verwerkt op 2 december 2014) in aanwezigheid van de griffier.