Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3862

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
200.133.821/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsconvenant. Afspraak omtrent pensioen. Verevening of niet. Uitleg van die afspraak gezien de omstandigheden, mede in het licht van de -latere- brieven van het ABP. Wettelijke rente in geval van artikel 6:230 lid 2 BW: gewijzigde gevolgen overeenkomst. Ingangsmoment verzuim.

Wetsverwijzingen
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/49
RFR 2015/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Rolnummer : 200.133.821/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/09/433440/HA ZA 12-1461

arrest van de familiekamer d.d. 11 november 2014

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante, tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.C. Duvekot te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.Y. van der Bijl te Den Haag.

Het geding

De vrouw is bij exploot van 21 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2013, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

Het hof heeft bij arrest van 29 oktober 2013 een comparitie van partijen bepaald op 11 december 2013.

Ter comparitie van partijen, ten overstaan van de daartoe benoemde raadsheer-commissaris mr. A.H.N. Stollenwerck, zijn partijen met hun advocaten verschenen. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens hebben partijen een ‘akte beraad uitlating mediator’ genomen.

De vrouw heeft ter zitting van 18 maart 2014 de memorie van grieven ingediend waarbij een productie, bestaande uit drie bijlagen, is gevoegd.

De man heeft ter zitting van 29 april 2014 een memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vrouw heeft ter rolzitting van 10 juni 2014 een memorie van antwoord in incidenteel appel ingediend.

Vervolgens hebben partijen ieder hun procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 8.458,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover van 17 oktober 2005 tot de dag der algehele voldoening. De vorderingen van de vrouw zijn voor het overige afgewezen. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

2. De vrouw vordert dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van de vrouw als samengevat in het vonnis van 5 juni 2013, met inachtneming van de in grief 11 nader genoemde omschrijving van de meer subsidiaire eis, zal toewijzen. De vorderingen houden in:

- Primair: de overeenkomst met gezamenlijke mededeling van 10 oktober 2009 aan het ABP te vernietigen en te bepalen dat het vonnis de handtekening van de man vervangt als kennisgeving van instemming aan het ABP ter voortzetting van de verevening conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (hierna ook: WVPS);

- Subsidiair: de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van de contante waarde van € 46.604,05, te vermeerderen met het bijzonder tarief van belasting dat de vrouw zal moeten voldoen, met aftrek van het vrij van belasting netto ontvangen bedrag van € 8.458,00 - € 4.526,00 = € 3.932,00;

- Meer subsidiair (zo maakt het hof uit de elfde grief op): aan de vrouw een netto kapitaal toe te kennen, te betalen door de man, waarbij een uitkering van een pensioenuitkering wordt gegarandeerd, die gelijk is aan de pensioenuitkering die de vrouw op 10 oktober 2009 op verzoek van (het hof leest: ) de man heeft prijsgegeven.

De vrouw biedt aan haar stellingen te bewijzen door het horen van getuigen, meer in het bijzonder haar stelling dat de contante waarde van het pensioen van de vrouw, bepaald over de inleg van de 26 jaar huwelijkse periode, niet in verhouding staat tot het toegekende bedrag van € 8.458, -.

3. De man concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis in het principaal hoger beroep. In incidenteel hoger beroep vordert de man dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover dit betreft de verhoging van de hoofdsom met de wettelijke rente, vanaf 5 juni 2005 tot de dag der algehele voldoening berekend op € 3.249,50, en te bepalen dat de vrouw dit bedrag aan de man zal terugbetalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening. In het principaal en het incidenteel hoger beroep vordert de man dat de vrouw zal worden veroordeeld in de proceskosten. Alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

4. De vrouw concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, voor zover onderworpen aan het incidenteel hoger beroep, kosten rechtens.

5. Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. Partijen zijn [in] 1979 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd en zijn van echt gescheiden [in] 2005. In de echtscheidingsbeschikking van 15 november 2005 heeft de rechtbank, onder meer en voor zover te dezen van belang, bepaald dat partijen zijn gehouden tot naleving van de door hen getroffen regelingen, zoals opgenomen in het door hen op 17 oktober 2005 ondertekende echtscheidingsconvenant. In dit echtscheidingsconvenant hebben partijen een regeling getroffen voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Daarnaast zijn partijen overeengekomen hun pensioenen te verevenen, waarbij zij zijn overeengekomen dat de man het aandeel van de vrouw ter zake de pensioenverevening middels een contante betaling van € 8.458,00 ineens aan de vrouw zal voldoen. Dit bedrag heeft in mindering gestrekt op het door de vrouw aan de man te betalen bedrag wegens overbedeling ter zake van de aan de vrouw toegedeelde echtelijke woning. Partijen hebben, voorafgaand aan de totstandkoming van het convenant, bij het pensioenfonds ABP verzocht om informatie over hun pensioenaanspraken. Het ABP heeft aan ieder van partijen per brief van 1 september 2005 een opgave gedaan van de contante waarde van de te verevenen pensioenaanspraken per 1 september 2005. Op 10 oktober 2009 hebben partijen vervolgens nog een formulier van het ABP ondertekend, waarin zij verklaren dat het pensioen, door de contante betaling van de man aan de vrouw, is vereffend en zij elkaar geen pensioen meer hoeven te betalen na pensionering. Zij verzoeken het ABP dit in de administratie aan te passen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij geen afstand heeft willen doen van haar pensioenrechten uit het echtscheidingsconvenant van 17 oktober 2005 zoals die zijn uitgevoerd en verevend. De man handhaaft zijn standpunt dat partijen door de bepaling in het echtscheidingsconvenant van 17 oktober 2005 uitvoering hebben gegeven aan de pensioenverevening. In eerste aanleg heeft de man wel erkend dat partijen per vergissing het bedrag te laag hebben vastgesteld, te weten op de helft van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag, welk bedrag de man alsnog bereid was te voldoen. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist.

6. Het hof ziet aanleiding de grieven van de vrouw gezamenlijk te behandelen. Het hof zal daarbij waar nodig ingaan op het verweer van de man.

7. De vrouw stelt dat de rechtbank in zoverre van onjuiste feiten zou zijn uitgegaan, dat het ABP niet tot verevening is overgegaan op basis van het convenant maar pas door de verklaring van 10 oktober 2009 die door partijen is ondertekend. Het bedrag van € 8.458, - in 2005 was een onderdeel van de verdeling, waaronder de afkoop van partneralimentatie als natuurlijke verbintenis. De vrouw eist dan ook niet, zo stelt zij, de vernietiging van het convenant, maar van de overeenkomst van 10 oktober 2009. De verwijzing door de man naar het echtscheidingsconvenant in het stuk van 10 oktober 2009 is onjuist. De pensioenverevening is pas op 10 oktober 2009 ingetrokken. Vervolgens formuleert de vrouw elf grieven tegen het bestreden vonnis.

8. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover nodig zal het hof daarop ingaan.

9. Het hof overweegt als volgt. Krachtens artikel 2 WVPS worden de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken verevend, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van de WVPS hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift met het oog op de scheiding gesloten overeenkomst. Dat alleen het stuk van 10 oktober 2009 zou kunnen leiden tot het uitsluiten van de toepasselijkheid van de WVPS is niet juist. Immers, dit stuk valt niet aan te merken als een met het oog op de scheiding gesloten overeenkomst. Partijen waren toen al bijna vier jaren gescheiden. Het echtscheidingsconvenant is dit wel. Dit is gesloten voorafgaande aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding en de gevolgen van de echtscheiding worden hierin door partijen geregeld en overeengekomen.

10. Het hof is daarom van oordeel dat de rechtbank terecht voorop heeft gesteld dat voor de beoordeling van het geschil van belang is wat partijen destijds, toen het convenant tot stand kwam, over de pensioenen zijn overeengekomen. Bij de uitleg van deze overeenkomst kunnen ook, indien groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van een overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft aldus de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

11. In het convenant hebben partijen een overeenkomst gesloten ten aanzien van achtereenvolgens: de kinderen, kinderalimentatie, partneralimentatie, boedelverdeling en pensioenen. In artikel 4, betreffende de pensioenen, is opgenomen dat de pensioenen zullen worden verevend en partijen hun pensioenverzekeraar zullen informeren over de ontbinding van hun huwelijk. Daaropvolgend is in het convenant het volgende opgenomen: “Partijen zijn overeengekomen dat de man het aandeel ten behoeve van de vrouw ter zake de pensioenverevening middels een contante betaling ad € 8.458, - ineens zal voldoen.” De man heeft vervolgens dit bedrag aan de vrouw betaald. Het bedrag was gebaseerd op door het ABP aan partijen, op verzoek van hen, althans van de man, toegezonden opgaven van de contante waarden van de voor verevening in aanmerking komende ouderdomspensioenen. Vervolgens hebben partijen op 17 oktober 2009 een formulier “Aanvraag verdeling pensioen”, afkomstig van het ABP ondertekend, waarop een toevoeging is vermeld die door beide partijen is ondertekend. Daarin heeft de man geschreven dat de tekst in het convenant onjuist is opgenomen, dat voor de verrekening voor beiden de pensioenopbouw is berekend tot en met de datum echtscheiding en dat het verschil door de man aan de vrouw is betaald, dat daarmee het pensioen is vereffend en dat partijen geen pensioen aan elkaar hoeven te betalen na pensionering. Verzocht wordt dit aan de passen in de administratie. Na toezending van dat formulier hebben partijen ter bevestiging daarvan een brief van het ABP ontvangen van 12 november 2009 waarin het ABP meedeelt, dat bij pensionering de opgebouwde aanspraken niet apart worden uitbetaald. Volledigheidshalve, zo schrijft het ABP, wordt het pensioen van de man ook niet verdeeld.

12. Het hof is van oordeel dat uit hetgeen partijen zijn overeengekomen en de omstandigheden van het geval, zoals vorenstaand weergegeven, de conclusie moet worden getrokken, dat partijen beoogd hebben ten aanzien van hun pensioenrechten een regeling te treffen, die inhoudt dat het ABP niet tot verevening van de pensioenen zou overgaan en dat partijen, door de betaling door de man van een bedrag, de verevening van de pensioenen met elkaar te dezer zake hebben afgerekend. Dit blijkt uit hun handelingen. De tekst van het echtscheidingsconvenant luidt weliswaar dat partijen hun pensioenen zullen verevenen, maar daar op volgt dat ter zake van die verevening een bedrag ineens zal worden voldaan door de man. Daarmee is aldus tevens overeengekomen hoe die verevening in hun situatie zal worden gerealiseerd. Ook al zou de tekst van het convenant voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, zoals de vrouw betoogt, dan nog valt uit de wijze waarop partijen aan het convenant uitvoering hebben gegeven, waaronder ook het door partijen op 10 oktober 2009 ondertekende formulier, af te leiden wat partijen voor ogen stond bij de totstandkoming van het convenant over pensioenen. Het is, anders dan de vrouw betoogt, gelet op de hiervoor onder 9 weergegeven maatstaf, dan ook juist dat de rechtbank een uitleg geeft aan de bedoeling van partijen, zoals weergegeven in het convenant. De brief van het ABP aan de vrouw van 13 december 2007 maakt dit niet anders. Deze brief gaat uit van een pensioenverevening conform de WVPS die partijen nu juist niet beoogden en ten gevolge waarvan zij op 10 oktober 2009 nog een aanvullende verklaring aan het ABP hebben doen toekomen om het convenant te verduidelijken. Het betoog van de vrouw, dat artikel 4 van het echtscheidingsconvenant twee bepalingen inhoudt en dat partijen aldus zouden zijn overeengekomen dat zowel een bedrag door de man zou worden betaald als een verevening, gaat niet op. Het is duidelijk de bedoeling van partijen geweest, zo volgt uit de tekst en de daarop gevolgde uitvoeringshandelingen, dat de tweede alinea een uitwerking is van hetgeen zij in de eerste alinea zijn overeengekomen. De tweede, derde, vierde en zesde grief, die alle zien op de tekst van het convenant en de bedoeling van partijen, falen daarom.

13. De vrouw merkt het formulier van het ABP, dat partijen, na een toevoeging daarop, hebben ondertekend, aan als een nieuwe overeenkomst ter zake van de pensioenrechten. Het hof kan de vrouw daarin niet volgen. Het formulier is door partijen ingevuld en ondertekend omdat het ABP ten onrechte heeft aangenomen, dat een pensioenverevening op de pensioengerechtigde leeftijd van partijen nog diende plaats te vinden. Het is dan ook alleen te zien als een aanvulling, dan wel nadere aanduiding van hetgeen partijen in hun echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen. Een overeenkomst, eerst op 10 oktober 2009 gesloten, zou ook niet meer tot een uitsluiting van de WVPS hebben kunnen leiden aangezien dit niet een geschrift is dat met het oog op de echtscheiding is gesloten, nu die echtscheiding al vier jaren daarvoor zijn beslag had gekregen. De tiende grief van de vrouw wordt daarom gepasseerd.

14. De vrouw voert aan dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten zoals de brief van 1 september 2005, in plaats van de brief van het ABP aan de man van 2 september 2005. Het hof passeert dit betoog van de vrouw. De brief van het ABP van 2 september 2005 betreft een uitleg hoe pensioenen worden verevend indien dit gebeurt conform de WVPS. De brieven van 1 september 2005 van het ABP aan elk van partijen betreffen de contante waarden van de pensioenen. Het zijn deze waarden die partijen tot uitgangspunt hebben genomen om de van de WVPS afwijkende regeling te treffen. Dit hebben zij op 17 oktober 2005 in het echtscheidingsconvenant gedaan. Uit een brief van het ABP van 2 september 2005 kan dan ook niet worden afgeleid dat er een verevening ingevolge de WVPS zou volgen nu partijen nadien een afwijkende regeling zijn overeengekomen. De eerste en de vijfde grief falen daarom.

15. Voor zover de vrouw (zevende grief) betoogt dat het bedrag dat de man aan de vrouw heeft betaald een bedrag is ter zake van de gehele verdeling en de motivering van de betalingen na verschillende wijzigingen in 2008 is bepaald als een afkoop alimentatie, passeert het hof dit betoog. In artikel 3 van het echtscheidingsconvenant zijn partijen een zogenaamd nihilbeding over de partneralimentatie overeengekomen. Uit het echtscheidingsconvenant volgt geenszins dat partijen nog beoogd hebben een afkoopsom voor partneralimentatie overeen te komen. Iets anders is dat het bedrag bij de vrouw fiscaal is belast, maar dat maakt niet dat het uitbetaalde bedrag een afkoopsom voor alimentatie zou betreffen, die partijen niet zijn overeengekomen.

16. De achtste grief van de vrouw mist zelfstandige betekenis. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de man heeft erkend dat per vergissing, omdat het ABP de bedragen reeds bij helfte had gedeeld en daarvan opgave had gedaan, door hem een te laag bedrag aan de vrouw is betaald, zodat hij nog een bedrag aan de vrouw verschuldigd zou zijn. Uitgaande van de vaststelling van hetgeen partijen zijn overeengekomen en de door hen daarbij gehanteerde uitgangspunten, is de rechtbank dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de man nog een bedrag van € 8.458, - aan de vrouw diende te voldoen, gelijk hij heeft aangeboden.

17. Voor zover de vrouw in de elfde grief nog betoogt dat het bedrag tot betaling waarvan de rechtbank de man heeft veroordeeld, niet juist is, omdat van een andere waarde moet worden uitgegaan, faalt deze. Partijen hebben in 2005 de waarden opgevraagd en hebben die tot uitgangspunt genomen voor de verdeling van hun pensioenen. Dat de vrouw nu tot een andere waardebepaling komt, is daarom niet relevant. Partijen zijn dit toen niet overeengekomen.

18. De slotsom is dat geen van de grieven van de vrouw slaagt.

Incidenteel hoger beroep

19. De man heeft in incidenteel hoger beroep één grief opgeworpen. Deze houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij over het nog te betalen bedrag aan de vrouw een wettelijke rente met ingang van (het hof leest:) 17 oktober 2005 is verschuldigd. De man voert aan dat pas kort voor de comparitie van partijen duidelijk werd dat hij nog een bedrag van € 8.458, - aan de vrouw was verschuldigd. Hij was dan ook niet in verzuim. Een verhoging van de hoofdsom met wettelijke rente is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De man heeft daarom ten onrechte een bedrag van € 3.249,50 ter zake van wettelijke rente aan de vrouw betaald.

20. De vrouw heeft de grief bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hierna ingegaan.

21. Het hof overweegt als volgt. Of en in hoeverre terugwerkende kracht dient te worden verleend aan de op grond van art. 6:230 lid 2 gewijzigde gevolgen van een overeenkomst, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dit geval was - dat wordt door de vrouw ook niet bestreden - door beide partijen niet onderkend dat het ABP in zijn opgave de te verevenen bedragen voor pensioenverevening reeds bij helfte had gedeeld. Daardoor is bij beide partijen de vergissing ontstaan over het door de man, vanwege door hem tot een hoger bedrag opgebouwd ouderdomspensioen, aan de vrouw te betalen bedrag. De man heeft bovendien in incidenteel hoger beroep een beroep gedaan op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van het convenant wegens dwaling. Ook de vrouw gaat er van uit dat die vordering is verjaard, blijkens het door haar in de achtste grief gestelde. Desondanks heeft de man aangeboden dit bedrag, € 8.458, -, aan de vrouw te betalen. Onder deze omstandigheden zijn de gevolgen van de overeenkomst op dit onderdeel, eerst door het vonnis gewijzigd. Niet gezegd kan worden dat de man reeds vanaf 17 oktober 2005 in verzuim was. Dit betekent dat hij dan ook niet de wettelijke rente is verschuldigd met ingang van 17 oktober 2005. Het bestreden vonnis zal daarom in zoverre worden vernietigd. De vrouw zal worden veroordeeld, nu zij de betaling door de man aan haar van dit bedrag niet heeft weersproken, een bedrag van € 3.249,50 aan de man terug te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente als na te melden.

Bewijsaanbod

22. Het hof gaat aan het bewijsaanbod van de vrouw voorbij, nu dit niet tot beslissing van de zaak kan leiden, gelet op hetgeen hiervoor onder 16 is overwogen.

Proceskosten

23. De vrouw zal, nu zij in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover de man daarbij is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over een bedrag van € 8.458,00 met ingang van 17 oktober 2005 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de vrouw, strekkende tot het veroordelen van de man tot betaling van wettelijke rente af;

veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 3.249,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 11 november 2014 tot de dag der algehele voldoening en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt de vrouw in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de man begroot op € 2.087, -, te weten € 299, - aan griffierecht en € 1.788, - aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, A.H.N. Stollenwerck en A.E. Sutorius-van Hees en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2014 in aanwezigheid van de griffier.