Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3815

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13_01264
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:9411, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2863
V-N Vandaag 2014/2490
V-N 2015/12.17.14

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/01264

Uitspraak d.d. 19 november 2014

in het geding tussen:

erven [X] te [Z], hierna: belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2013, nr. SGR 12/11104, betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag.

Navorderingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft aan [X] (hierna: erflater) voor het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, berekend op een te betalen bedrag van € 93.393 (hierna: de navorderingsaanslag).

1.2.

Belanghebbenden hebben bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. De Inspecteur heeft bij brief van 26 oktober 2012 bericht dat het bezwaarschrift van 21 juli 2011 niet in behandeling zal worden genomen.

1.3.

Belanghebbenden hebben tegen bovengenoemd schrijven van de Inspecteur beroep ingesteld.

1.4.

Op 14 mei 2013 heeft de Inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar gedaan en belanghebbenden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbenden zijn van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 118.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 oktober 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding en het ter zittingen verhandelde gaat het Hof in hoger beroep uit van de door de rechtbank onder1 tot en met 3 van haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbenden als ”eisers” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid.

“1. Ongeveer twee jaar voor zijn overlijden, te weten op 28 juli 2010, heeft erflater telefonisch contact opgenomen met verweerder om nader te spreken over zijn aangifte inkomstenbelasting 2009. Dit gesprek heeft op 3 augustus 2010 bij erflater thuis plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft erflater gegevens van de door hem en zijn echtgenote aangehouden bankrekeningen bij Kredietbank Luxemburg te Luxemburg overgelegd.

2. Naar aanleiding van dit gesprek is een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Hierin is onder andere bepaald dat aan eiser één navorderingsaanslag over het jaar 2007 (de navorderingsaanslag) zal worden opgelegd. Erflater heeft deze overeenkomst op 25 september 2010 ondertekend. Met dagtekening 19 juli 2011 is aan erflater de navorderingsaanslag opgelegd.

3. Naar aanleiding van een brief van 5 september 2012 van gemachtigde gericht aan de ontvanger, waarbij als bijlage een kopie van een bezwaarschrift van 21 juli 2011 tegen de navorderingsaanslag was gevoegd, bericht verweerder eisers bij brief van 26 oktober 2012 dat het bezwaarschrift van 21 juli 2011, gelet op onder andere de vaststellingsovereenkomst, niet in behandeling zal worden genomen. Op 14 mei 2013 doet verweerder alsnog uitspraak op bezwaar en verklaart het bezwaarschrift niet ontvankelijk.”

3.2.

Voorts heeft het Hof nog de volgende feiten vastgesteld.

3.3.

De Inspecteur heeft de in de navorderingsaanslag begrepen boeten groot € 27.634 ambtshalve verminderd tot nihil. Het resterende bedrag van € 65.759 representeert het bedrag aan enkelvoudige inkomstenbelasting en vermogensbelasting alsmede verschuldigde heffingsrente. De juistheid van dit bedrag is tussen partijen niet in geschil.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de volgende vragen:

a) of de Inspecteur het bezwaarschrift van 21 juli 2011 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard;

b) of de vaststellingsovereenkomst op een rechtens juiste wijze tot stand is gekomen en daarbij het fair-play beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel in acht zijn genomen.

De Inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend en belanghebbenden in tegenovergestelde zin.

4.2.

Belanghebbenden staan primair de beantwoording van de vraag geformuleerd onder b) voor en subsidiair die onder a). Belanghebbenden hebben aangevoerd dat tijdig bezwaar is ingediend. Daarnaast hebben belanghebbenden aangevoerd dat het bezwaarschrift, gedateerd 21 juli 2011, onderdeel uitmaakte van de stukken die naar het Hof Den Haag zijn verzonden ter zake van procedurenummer BK-04/02410 welke zaak op 15 april 2011 behandeld is. Deze procedure had betrekking op de aan erflater opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 1990 tot en met 2000, de navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting voor de jaren 1991 tot en met 2000 en de daarin begrepen verhogingen, de daarbij opgelegde boeten en in rekening gebrachte heffingsrente. De Inspecteur, zo stellen belanghebbenden, was zodoende tijdig op de hoogte van het ingediende bezwaarschrift.

4.3.

De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat belanghebbenden ontvankelijk zijn in hun bezwaar.

4.4.

Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbenden strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de aanslag en voorts tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en tot restitutie van de betaalde griffierechten.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang - het volgende overwogen waarbij de rechtbank belanghebbende als ”eisers” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid.

“(…)

8. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt deze termijn aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

9. De dagtekening van het in bezwaar bestreden besluit (de navorderingsaanslag) is 19 juli 2011. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 30 augustus 2011. Verweerder stelt dat voor het aflopen van de bezwaartermijn geen bezwaarschrift van eisers is ontvangen. Blijkens de brief van verweerder van 26 oktober 2012 is het bezwaarschrift van 21 juli 2011 als bijlage gevoegd bij de brief van gemachtigde van 5 september 2011 [Hof: bedoeld zal zijn 2012] die gericht is aan de ontvanger.

10. De bewijslast voor het tijdig verzenden van een bezwaarschrift ligt bij eisers. De rechtbank overweegt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het bezwaarschrift, gedateerd 21 juli 2011, tijdig aan verweerder is verzonden. Eisers stelling dat het bezwaarschrift is ingebracht bij het Hof Den Haag ter zake van de onder 5 genoemde procedure en verweerder derhalve tijdig op de hoogte was van het bezwaar, volgt de rechtbank niet. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de navorderingsaanslag ten tijde van de procedure bij het Hof nog niet was opgelegd en bovendien de dagtekening van het bezwaarschrift, 21 juli 2011, na de zittingsdatum van 15 april 2011 is gelegen. Nu ook overigens niets is aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring daarom achterwege dient te blijven, heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank derhalve niet toe.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid; tijdigheid van het bezwaar

7.1.

Het beoordelen van de ontvankelijkheid van het bezwaar is een prealabele vraag die het Hof ambtshalve dient te onderzoeken voor het kan toekomen aan de beoordeling van het inhoudelijke geding.

7.2.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juist oordeel heeft gegeven en maakt dat oordeel en de gronden waarop dat rust tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof nog als volgt.

7.3.

Op belanghebbenden rust de bewijslast met feiten en/of omstandigheden aannemelijk te maken dat tijdig en op regelmatige wijze bezwaar is ingediend tegen de navorderingsaanslag. De Inspecteur heeft de stelling van belanghebbenden dat hiervan sprake is gemotiveerd weersproken. Het Hof is van oordeel dat belanghebbenden in het van hen te verlangen bewijs niet zijn geslaagd. Het feit dat de Inspecteur in zijn brief van 26 oktober 2012 zich niet op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbenden niet tijdig bezwaar zouden hebben ingediend maakt dat niet anders. Het Hof moet - voor zover nodig in afwijking van de standpunten van partijen - zelfstandig vaststellen of de wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in acht is genomen en zo nee of sprake is van een situatie waarvan moet worden geoordeeld dat in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat belanghebbenden in verzuim zijn geweest (artikel 6:11 Awb). Het Hof heeft zodanige feiten en/of omstandigheden niet uit de gedingstukken kunnen afleiden. Dat voorts bij belanghebbenden een in rechte te honoreren vertrouwen is ontstaan mist steun in de feiten en in het recht.

7.4.

Belanghebbenden hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de brief d.d. 21 juli 2011 waarin bezwaar is gemaakt tegen de navorderingsaanslag onderdeel vormt van de aan het Hof toegezonden bescheiden als onderdeel van de lopende procedure met kenmerk BK-04/02410. Dit standpunt mist steun in de feiten. Immers ten tijde van het zenden van de brief van 23 december 2010 aan het Hof en de mondelinge behandeling van deze zaak op 15 april 2011 bij het Hof was de navorderingsaanslag nog niet opgelegd. Ook in zoverre kan niet worden geoordeeld dat het bezwaar tijdig is ingediend.

7.5.

Het enkele feit dat een geschrift met de titel bezwaarschrift als bijlage aan de ontvanger is toegezonden maakt dat niet anders.

7.6.

Voorts doen belanghebbenden stellen dat de navorderingsaanslag rechtens niet geldig kan worden opgelegd omdat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat daartegen geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld. Dat dient ertoe te leiden dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift niet geldt. Het Hof kan belanghebbenden in hun standpunt niet volgen. Het Hof is van oordeel dat de navorderingsaanslag is opgelegd en dat daartegen in beginsel rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Voor de stelling van belanghebbende kan het Hof geen wettelijke basis vinden, meer in het bijzonder niet in de Awb. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

Rechtmatigheid van de vaststellingsovereenkomst

7.7.

Nu het bezwaar niet ontvankelijk is komt het Hof niet toe aan een beoordeling van hetgeen belanghebbenden overigens hebben aangevoerd, meer in het bijzonder niet met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid van de vaststellingsovereenkomst welke ten grondslag ligt aan de navorderingsaanslag.

7.8.

Gelet op het vorenoverwogene moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 19 november 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.