Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3739

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
27-01-2015
Zaaknummer
200.151.644.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot nihilstelling voor kinderalimentatie; verwijtbaar inkomensverlies; fictieve draagkracht en 90% van de op de onderhoudsplichtige toepasselijke bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 19 november 2014

Zaaknummer : 200.151.644.01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-10258

Zaaknummer rechtbank : C10/439305

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J. Heinrici te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Veken te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 1 juli 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 april 2014 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 18 augustus 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts van de zijde van de vader de volgende stukken ingekomen:

- op 24 september 2014 een V-formulier van 23 september 2014 met bijlagen;

- op 25 september 2014 een V-formulier van 23 september 2014 met bijlagen.

De zaak is op 9 oktober 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de vader tot wijziging van de door de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 7 februari 2006 bepaalde, door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 1998 te [geboorteplaats], hierna ook: kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (het hof leest:) opnieuw beschikkende te bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 4 februari 2013 nihil bedraagt, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof redelijk en billijk acht.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het beroep van de vader af te wijzen, alsmede bij wijze van zelfstandig verzoek om de vader te veroordelen in de proceskosten van deze procedure.

4. De vader voert het volgende aan. De rechtbank heeft zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie afgewezen op grond van de overweging dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij niet meer in staat is de vastgestelde bijdrage te betalen. De vader betwist dit. Hij heeft na zijn ontslag op 4 februari 2013 zo snel mogelijk werk aanvaard, ook al was dit op basis van een nul-uren contract aangezien hij het belangrijk vond om zo snel mogelijk weer tot de arbeidsmarkt toe te treden, in de overtuiging dat solliciteren terwijl men werkzaam is meer kans op succes biedt dan solliciteren vanuit een situatie van werkloosheid. De vader betwist derhalve dat hij zich slechts gedeeltelijk beschikbaar stelde voor werk, zodat hem niet verweten kan worden dat hij zijn verdiencapaciteit niet ten volle heeft benut. De vader betwist dat hij zwarte inkomsten heeft. Hij heeft dit ter zitting bij de rechtbank weersproken. Hij biedt zich aan op internet met muziekdiensten in de hoop dat hij hiermee wat kan verdienen. Voorts betwist de vader dat hij een personenauto van het merk Mercedes bezit. Dit is de auto van zijn zus die hij af en toe mag lenen om zijn zoon te kunnen ontmoeten. Tenslotte zal de vader bewijsstukken overleggen waaruit zal blijken van de schulden die hij heeft gemaakt sinds februari 2013. De vader blijft bij zijn standpunt dat zijn verzoek om nihilstelling van de kinderalimentatie had behoren te worden toegewezen.

5. De moeder verweert zich daartegen als volgt. Uit de door de vader overgelegde stukken blijkt dat zijn laatste arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. De moeder stelt zich derhalve op het standpunt dat er sprake is van een verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vader, dat voor herstel vatbaar is. Hij heeft in de jaren 2012 en 2013 een maandinkomen verdiend van tussen € 1.850,- en € 2.083,- per maand. Niet duidelijk is waarom hij dit inkomen niet opnieuw zou kunnen verdienen en waarom hij niet meer zou kunnen verdienen dan het inkomen dat hij stelde vanaf 11 juni 2013 te hebben verdiend als uitzendkracht, namelijk € 159,- netto per week. Voorts blijkt uit de stukken dat de vader voor het uitzendbureau slechts maximaal 25 uur per week werkte. Gelet op de verdiencapaciteit van de vader in het verleden, moet hij in staat worden geacht om een inkomen van € 1.200,- bruto per maand te genereren. Met een dergelijk inkomen kan hij een bedrag van € 156,58 per maand aan kinderalimentatie voldoen. De moeder stelt zich voorts op het standpunt dat de negatieve verhouding tussen het gestelde inkomen van de vader en zijn uitgaven bij haar het vermoeden doet rijzen dat hij zwarte inkomsten heeft. Daarnaast staat de auto waarin hij rijdt niet op naam van zijn zus maar op naam van zijn partner.

6. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft thans een netto Ziektewetuitkering van € 1.050,- netto per maand. Naast het bedrag dat de man minimaal maandelijks nodig heeft voor zijn eigen levensonderhoud van € 952,-- (bijstandsnorm) heeft de man schulden waarop hij moet afbetalen. De moeder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vader, dat voor herstel vatbaar is. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het dienstverband van de vader vanwege een conflictueuze situatie op zijn werk is beëindigd op 4 februari 2013. Desgevraagd heeft de vader ter zitting verklaard dat deze conflictueuze situatie niet enkel aan hem te wijten was en uitgelegd dat de arbeidsverhoudingen echter zodanig waren verslechterd dat hij en zijn werkgever hebben besloten uit elkaar te gaan. Na beëindiging van zijn dienstverband heeft de vader tot 24 juni 2014 een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet ontvangen. Gebleken is dat de vader in die periode veelvuldig heeft gesolliciteerd, zowel in reactie op vacatures als in de vorm van open sollicitaties, maar zonder resultaat. Dat de vader niet voldoende heeft gesolliciteerd is derhalve naar het oordeel van het hof niet gebleken. De Werkloosheidswet voorziet bovendien in een inspanningsverplichting om tot betaalde arbeid te komen, welke inspanningen ook door de uitkerende instantie worden getoetst. Dat de vader in 2013 vrijwillig minder uren heeft gewerkt en derhalve zijn verdiencapaciteit onvoldoende heeft benut is naar het oordeel van het hof evenmin gebleken. Voorts staat vast dat de vader sinds 24 juni 2014 tot op heden een uitkering in het kader van de Ziektewet ontvangt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het inkomensverlies aan de zijde van de vader vooralsnog niet voor herstel vatbaar is.

7. De beantwoording van de vraag of het inkomensverlies de vader kan worden aangerekend, kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Immers, indien de inkomensvermindering aan de vader verwijtbaar is - en derhalve buiten beschouwing moet blijven - mag dit voor de bepaling van de draagkracht van de vader niet tot het resultaat leiden dat hij als gevolg van de berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsverplichting feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien. Bovendien mag het in geen geval ertoe leiden dat zijn (werkelijke) inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Indien dit resultaat dreigt, dient een onderzoek naar de feitelijke draagkracht van de vader plaats te vinden. Zoals hiervoor overwogen staat vast dat de vader op dit moment een uitkering in het kader van de Ziektewet ontvangt. Daarnaast heeft de vader in hoger beroep voldoende onderbouwd dat hij schulden heeft opgebouwd. De stelling van de moeder dat de vader over zwarte inkomsten beschikt, heeft zij naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Op grond hiervan komt het hof tot de conclusie dat de vader bij betaling van kinderalimentatie feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het eigen bestaan te voorzien en dat zijn (werkelijke) inkomen zal dalen beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Gelet op het voorgaande laat de draagkracht van de vader met ingang van 4 februari 2013 geen kinderalimentatie toe. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op nihil stellen met dien verstande dat hetgeen reeds door de vader aan de moeder betaald is in het kader hiervan, gelet op het consumptieve karakter van de kinderalimentatie, niet behoeft te worden terugbetaald.

Proceskosten

8. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof ziet geen aanleiding de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure.

9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de beschikking van 7 februari 2006 van de rechtbank Rotterdam - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige[minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 1998 te [geboorteplaats], met ingang van 4 februari 2013 op nihil;

bepaalt dat de door de vader aan de moeder reeds betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige niet behoeft te worden terugbetaald aan de vader;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Koens en Verstappen, bijgestaan door

mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2014.