Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3736

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.148.496/01 en 200.148.498/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1292, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Het hof neemt aan dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld in de zin van artikel 1:164 BW. Aangezien de gemeenschap reeds is verdeeld, dient de vrouw de helft van de schade rechtstreeks aan de man te betalen. De man heeft in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW goederen van de gemeenschap verzwegen. Voor het goederenrechtelijk effect dienen partijen over te gaan tot levering van het onroerend goed aan de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 164
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/103
EB 2015/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 november 2014

Zaaknummers : 200.148.496/01 en 200.148.498/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 12-9168 en 13-6309

Zaaknummers rechtbank : C/09/432418 en 448793

[verzoeker],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. drs. A.J.F. Gonesh te Den Haag,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats 2],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes te Malden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 6 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 februari 2014 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 31 juli 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 12 september 2014 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    op 17 juni 2014 een brief van 16 juni 2014 met bijlagen;

  • -

    op 9 september 2014 een faxbericht met bijlagen;

  • -

    op 9 september 2014 een V-formulier met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 12 september 2014 een V-formulier met bijlagen;

  • -

    op 16 september 2014 een faxbericht met bijlagen.

De zaak is op 19 september 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. V.K.S. Budhu Lall, plaatsvervanger van zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een kopie van de kennisgeving van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    uitgesproken de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 22 maart 1980 te Nickerie, [land];

  • -

    bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van de echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 920,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    bepaald dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning te [adres 1], en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

  • -

    vastgesteld de verdeling, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

1. aan de man worden toebedeeld:

1.1.

de auto die de man onder zich heeft met de daarbij behorende lening;

1.2.

de goederen die behoren tot het ondernemingsvermogen van de eenmanszaak
[bedrijfsnaam];

1.3.

de inboedel die de man onder zich heeft,

een en ander zonder verrekening;

2. aan de vrouw worden toebedeeld:

2.1.

de auto die de vrouw onder zich heeft;

2.2.

de inboedel die de vrouw onder zich heeft,

een en ander zonder verrekening;

3. de echtelijke woning te [adres 1], alsmede de daaraan
verbonden hypotheek en levensverzekering worden aan de vrouw toebedeeld, onder voorwaarde dat de vrouw in staat is de financiering van de echtelijke woning te verkrijgen en de bank bereid is de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan;

indien de vrouw niet in staat blijkt de echtelijke woning over te nemen, zal de echtelijke woning worden verkocht. Zowel in het geval dat de vrouw de echtelijke woning overneemt als in het geval dat de echtelijke woning zal worden verkocht dient de over- dan wel onderwaarde (dat wil zeggen waarde van de echtelijke woning c.q. opbrengst van de echtelijke woning minus de hoogte van de hypothecaire lening, vermeerderd met de waarde van de levensverzekering) tussen partijen bij helfte te worden gedeeld (dan wel gedragen);

4. ieder der partijen behoudt de eigen bankrekeningen; partijen dienen elkaar over en weer inzage te geven in de saldi per peildatum (30 november 2012); de saldi per peildatum dienen tussen partijen bij helfte te worden gedeeld;

5. het hierboven genoemde onroerend goed gelegen aan de [adres 2], [land], dient getaxeerd te worden door een ter zake deskundig taxateur, de vrouw dient hiertoe drie taxateurs voor te stellen aan de man waaruit de man één taxateur zal kiezen die de taxatie zal uitvoeren, de man zal opdracht geven tot taxatie, beide partijen dienen in de gelegenheid te worden gesteld bij de bindende taxatie aanwezig te zijn en de kosten van de taxatie dienen door hen gezamenlijk te worden gedragen;

genoemd onroerend goed wordt aan de man toebedeeld, onder gehoudenheid van de man om de helft van de getaxeerde waarde aan de vrouw te voldoen;

- bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en is afgewezen het meer of anders verzochte.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op
18 juli 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: de partneralimentatie) en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, in het bijzonder ten aanzien van het onroerend goed in [land] en de banksaldi van partijen.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de door de man te betalen bijdrage aan de vrouw tot haar levensonderhoud te bepalen op nihil ingaande de datum van inschrijving van de echtscheiding, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een in goede justitie te bepalen datum;

  • -

    voor zover nog nodig de vrouw te gelasten om haar bankafschriften vanaf 1 januari 2012 tot en met 30 november 2012 te overleggen en wat betreft de bankrekeningen van partijen te bepalen dat ieder de eigen bankrekening behoudt en dat als saldi voor de peildatum zal dienen te gelden 30 april 2012, dan wel een met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid te bepalen peildatum en te bepalen dat de saldi per peildatum tussen partijen bij helfte dienen te worden gedeeld;

  • -

    voor wat betreft het onroerend goed gelegen aan de [adres 2] [land], dit aan de man toe te delen onder gehoudenheid van de man om de helft van de waarde van € 45.982,- aan de vrouw te voldoen, waarbij de vrouw de helft van de kosten van de door de man uitgevoerde taxaties moet dragen;

  • -

    voor zover polisnummer [nummer 1] niet dezelfde is als polisnummer [nummer 2], ook deze eerste in de verdeling tussen partijen te betrekken en in geval het om dezelfde polis gaat het juiste nummer te vermelden en te bepalen dat een ieder aanspraak heeft op de helft van de waarde van de aanwezige polis(sen).

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof in principaal appel de door de man in zijn beroepschrift geformuleerde grieven ongegrond te verklaren en zijn vorderingen af te wijzen, en in incidenteel beroep de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende en uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    primair: het volledige onroerend goed te [land], gelegen aan de [adres 2] derhalve de Noordelijke en Zuidelijke helft van het erf met opbouwen, ten titel van artikel 3:194, lid 2 BW, zonder enige toerekening van de waarde daarvan aan de man, toe te delen aan de vrouw;

  • -

    subsidiair:

A. te bepalen dat het volledige onroerend goed te [land], gelegen aan de [adres 2] derhalve de Noordelijke en Zuidelijke helft van het erf met opstallen dient te worden getaxeerd door een ter zake deskundig taxateur, waartoe de man een taxateur zal kiezen uit de drie door de vrouw aan de man voorgestelde taxateurs, de man opdracht zal geven tot taxatie, en beide partijen in de gelegenheid worden gesteld bij de bindende taxatie aanwezig te zijn of zichzelf te doen vertegenwoordigen en de kosten van de taxatie door hen gezamenlijk worden gedragen, waarna het onroerend goed aan de man wordt toegedeeld, onder gehoudenheid van de man om de helft van de getaxeerde waarde aan de vrouw te voldoen, en

B. te bepalen dat de man inzage dient te verschaffen in zijn volledige inkomstensituatie, waaronder de huuropbrengsten uit zijn onroerend goed in [land] en te bepalen dat de man de sub A genoemde taxateur opdracht zal geven in zijn taxatie tevens te betrekken het bedrag waarvoor, en de termijn waarbinnen, de winkelpanden kunnen worden verhuurd, en op basis daarvan vervolgens een alimentatiebedrag voor de vrouw ten laste van de man vast te stellen dat aan de wettelijke normen voldoet en overeenkomt met de draagkracht van de man enerzijds en de behoefte van de vrouw anderzijds;

- de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. De man verzet zich daartegen.

Partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

5. De man bestrijdt de door de rechtbank vastgestelde aanvullende behoefte van de vrouw van
€ 1.200,- netto per maand. De vrouw heeft nagelaten haar behoefte met onderliggende stukken te onderbouwen. Rekening dient te worden gehouden met de netto hypotheeklast. De man bestrijdt voorts de door de vrouw opgevoerde advocaatkosten, naheffing IB en de kosten van de gemeentebelasting, Ziggo, onderhoud verwarming en verzekeringspremies. Ook de opgevoerde kosten van telefonie, kleding en vakanties vindt de man aan de hoge kant.

6. De vrouw persisteert bij haar in eerste aanleg opgevoerde aanvullende behoefte van € 1.200,- netto per maand, daarbij verwijzend zowel naar de zogenaamde Hofnorm, als naar het door haar overgelegde behoefte-overzicht. Partijen waren 33 jaar getrouwd en er was sprake van een traditionele rolverdeling.

7. Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw uit van het door haar als productie R bij haar verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, overgelegde aangepast behoefte-overzicht met onderliggende bewijsstukken. De posten hierop zijn tijdens de mondelinge behandeling van de zaak met partijen uitvoerig besproken. Nu bij het bepalen van de behoefte van de vrouw uit wordt gegaan van netto bedragen gaat het hof uit van de netto woonlast van de vrouw, in plaats van de door haar opgevoerde fiscaal aftrekbare bruto rente over de hypothecaire geldlening. Het hof houdt derhalve bij het bepalen van de behoefte rekening met een netto hypotheeklast van € 750,- per maand. Voorts is het hof van oordeel dat de door de vrouw opgevoerde kosten van IB-naheffing en advocaatkosten niet bij de behoefte van de vrouw kunnen worden opgeteld, nu deze tijdelijk van aard zijn. De overige kosten op het behoefte-overzicht acht het hof redelijk, mede gezien de welstand van partijen gedurende het huwelijk en de lange duur daarvan. Het hof stelt de behoefte van de vrouw aldus vast op
€ 2.181,- netto per maand. Nu het inkomen van de vrouw van € 1.400,- netto per maand niet is weersproken, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof behoefte aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud van € 1.145,- bruto per maand.

Draagkracht van de man

8. De man stelt over 2013 een winst uit zijn onderneming [bedrijfsnaam] van € 3.314,- te hebben genoten. Per 1 januari 2014 zijn de inkomsten uit onderneming komen te vervallen, omdat hij niet langer als [beroep] wordt ingeschakeld door zijn voormalige opdrachtgever. Voorts voert de man aan dat zijn inkomen uit dienstverband is gedaald, omdat zijn overuren sinds medio 2013 niet langer worden uitbetaald. Indien het hof de partneralimentatie op een lager bedrag bepaalt dan de rechtbank heeft gedaan, wil de man het door de vrouw teveel ontvangen bedrag terugontvangen.

9. De vrouw stelt dat de man zijn werkzaamheden als [beroep] vrijwillig heeft gestaakt, hetgeen niet ten laste van zijn draagkracht voor partneralimentatie mag komen. Voorts dient voor het bepalen van de draagkracht van de man rekening te worden gehouden met de huurinkomsten die hij geniet, of zou kunnen genieten, uit het onroerend goed in [land]. Naar verluidt bedragen deze circa € 1.000,- per maand, die hij op een aparte bankrekening bij de [bank 1] in [land] laat storten. De ontvangen partneralimentatie heeft zij consumptief besteed.

10. Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is de door de man overgelegde draagkrachtberekening van 12 september 2014 met partijen besproken. De man heeft gelet op zijn verklaring ter zitting en de overgelegde stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen blijvend is gedaald als gevolg van het feit dat er enerzijds door zijn werkgever geen inkomen uit overwerk meer wordt uitbetaald, terwijl hij anderzijds geen inkomen meer genereert als beveiliger. De man heeft aannemelijk gemaakt dat hem van dit verlies van inkomen geen verwijt kan worden gemaakt en dat dit niet op korte termijn voor herstel vatbaar is. Verder blijkt uit de door de man overgelegde stukken dat uit het perceel in [land] aan de [adres 2] dat partijen gemeenschappelijk bezitten, geen huurinkomsten vloeien. Gezien het vorenstaande gaat het hof, voor de berekening van de draagkracht van de man, uit van de inkomensgegevens zoals deze zijn opgenomen in voormelde draagkrachtberekening. Gezien de uitgaven die in deze berekening zijn opgenomen, welke niet door de vrouw zijn betwist, bedraagt de draagkracht van de man gebruteerd € 498,- per maand. Het hof zal de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 18 juli 2014 op dit bedrag vaststellen. Gelet op het consumptief karakter van partneralimentatie zal het hof bepalen dat de vrouw de eventueel door haar teveel ontvangen alimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Bankrekeningen; benadeling huwelijksgoederengemeenschap

11. Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte bepaald dat het saldo op de rekeningen van partijen op de peildatum moet worden verdeeld. De vrouw heeft met het oog op de echtscheidingsprocedure gelden van de gezamenlijke bankrekeningen overgemaakt naar de rekening van haar zus. Zij heeft in totaal na het vertrek van de man in mei 2012 tenminste
€ 31.000,- opgemaakt. Dit bedrag stond volgens de man bij zijn vertrek op de [bank 2] spaarrekening en de [bank 3] bonusrekening van partijen. Zij dient dit bedrag aan de gemeenschap te vergoeden. Na zijn vertrek is in ieder geval een bedrag van ten minste € 20.000,- van deze rekeningen verdwenen. De man beroept zich, voor zover het hof uit het petitum in samenhang met de grieven en hetgeen door de raadsman van de man ter zitting naar voren is gebracht begrijpt, primair op artikel 1:164 BW. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid bij de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen als peildatum 30 april 2012 wordt gehanteerd, dan wel de datum waarop de gemeenschapsgelden, die door de vrouw zijn opgenomen na het vertrek van de man, nog op de bankrekeningen stonden.

12. De vrouw bestrijdt de stellingen van de man. Vanaf het moment dat partijen uiteen gingen in mei 2012, kwam de vrouw voor hoge kosten voor haarzelf en de twee inwonende kinderen te staan. Zij moest de kosten van levensonderhoud van haarzelf en van het gezin alleen voldoen, alsmede advocaatkosten. Ook moesten de wasmachine en vaatwasser vervangen worden in die periode en heeft de vrouw een lening aan haar zus van € 10.000,- terugbetaald. Voorts hebben partijen veel geld uitgegeven voor de bruiloft van hun zoon. De man dient inzage te verschaffen in zijn banksaldi per peildatum 30 november 2012.

13. Het hof overweegt als volgt. In artikel 1:164 lid 1 BW is bepaald dat, indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden. Het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend op 30 november 2012. Genoemde periode van zes maanden vóór aanvang van het geding houdt in dat de periode betrekking heeft op 31 mei 2012 tot 30 november 2012. Opnames en uitgaven die zijn gedaan vóór 31 mei 2012 zijn derhalve niet relevant en worden buiten beschouwing gelaten.

14. Niet, althans niet voldoende, weersproken is dat de vrouw in bovengenoemde periode tenminste € 20.000,- van de gemeenschappelijke rekeningen heeft opgenomen. De vrouw stelt dat zij van de op de bankrekeningen aanwezige gelden € 10.000,- heeft aangewend voor het afbetalen van een lening aan haar zus.

15. Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat partijen tijdens het bestaan van de gemeenschap een lening zijn aangegaan bij haar zus van
€ 10.000,-. Ter zitting heeft de vrouw verklaard het geld in 2011 van haar zus te hebben geleend en de precieze datum daarvan niet meer te weten. In onder meer haar verweerschrift in hoger beroep staat echter dat zij de lening in 2009 is aangegaan. Een verklaring van de vrouw en haar zus over het bestaan van deze lening die zou zijn opgemaakt op 1 juli 2012, is eerst bij brief van 24 juli 2013 door de vrouw in het geding gebracht. De lening is niet opgenomen in haar IB-aangiften. Voorts stelt de vrouw dat zij de terugbetaling aan haar zus in fasen contant heeft gedaan. In de overgelegde verklaring van 1 juli 2012, ondertekend door de vrouw en haar zus (productie K bij brief van 24 juli 2013), staat echter: “Het totaal bedrag van € 10.000,- is terug betaald aan mevr. [zus] op 25 juni 2012 via de rekening.”

16. De verklaringen van de vrouw zijn dermate tegenstrijdig dat het hof van oordeel is dat het bestaan van de lening niet is aangetoond en dat de vrouw met de opnames tot € 10.000,- de gemeenschap heeft benadeeld als bedoeld in artikel 1:164 BW. Indien de vrouw aan haar zuster een niet bestaande lening heeft terug betaald, is het hof van oordeel dat er sprake is van verspilling. In beginsel heeft dit tot gevolg dat de gemeenschap een vorderingsrecht heeft op de vrouw ter hoogte van € 10.000,-. Nu de gemeenschap is verdeeld, brengt dit met zich mee dat ter zake van deze benadeling de man rechtstreeks een vordering heeft op de vrouw van de helft van dit bedrag. De grief van de man slaagt in zoverre.

17. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de overige gelden op de bankrekeningen van partijen na het vertrek van de man heeft moeten aanwenden voor het levensonderhoud van haarzelf en het gezin van partijen.

18. De beschikking van de rechtbank ten aanzien van de verdeling van de saldi van de bankrekeningen van partijen per de peildatum, blijft dan ook in stand.

Onroerend goed te [land]

19. De man legt taxatierapporten over van taxateurs in [plaats 2]. Bij de waardering van het onroerend goed dient uitgegaan te worden van het gemiddelde van beide taxaties zijnde een bedrag van afgerond € 45.982,-. Bij toebedeling aan de man zal de man de helft van dit bedrag aan de vrouw voldoen. De man acht het redelijk dat de vrouw de helft van de kosten van de taxaties draagt. De man ontkent het perceel van zijn broer te hebben gekocht, hetgeen ook niet blijkt uit de stukken.

20. De vrouw bestrijdt de door de man overgelegde taxaties die hij in strijd met hetgeen door de rechtbank ter zake is bepaald, heeft laten verrichten. Zij hecht geen waarde aan deze taxaties en aanvaardt al helemaal geen kosten die de man stelt daarvoor te hebben gemaakt. Voorts legt zij een schuldbekentenis van de broer van de man over waaruit blijkt dat de broer zijn perceel aan de man heeft overgedragen.

21. In incidenteel appel stelt de vrouw dat, gezien de uitdrukkelijke ontkenning van de man dat hij onroerend goed in [land] bezit, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW. Op grond van zijn verzwijging en ontkenning verbeurt de man zijn aandeel derhalve aan de vrouw. De vrouw verzoekt het hof aldus te bepalen, dan wel subsidiair te bepalen dat taxatie en verdeling van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke helft van het onroerend goed dient plaats te hebben op de door de rechtbank voorgeschreven wijze. In de taxatie dient de verhuurprijs van de winkelpanden betrokken te worden.

22. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat de man opzettelijk het tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende onroerend goed te [land] heeft verzwegen. Het hof acht daartoe het volgende van belang:

  • -

    bij schrijven van 18 juni 2012 (productie 17 bij het hoger beroepschrift) heeft de advocaat van de man de vrouw verzocht de gevolgen van de echtscheiding in goed onderling overleg te regelen. Hierin is opgenomen een opsomming van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap volgens de man, waarbij het onroerend goed te [land] niet staat vermeld;

  • -

    in het verweerschrift in eerste aanleg van de man van 13 maart 2013 staat op bladzijde 3:

Onroerende zaken in [land]?

De man bezit geen onroerende zaken in [land]. Het ligt op de weg van de vrouw te bewijze dat dit anders zou zijn. Van verrekening van zijn deel van de restschuld van de hypothecaire lening met de waarde van de pretense onroerende zaken in [land] kan dus geen sprake zijn.”

  • -

    in de in eerste aanleg door de vrouw op 24 juli 2013 overgelegde stukken bevindt zich als productie I een kopie van de notariële akte van scheiding en (toe)deling van onroerend goed in [land] aan de man;

  • -

    de rechtbank oordeelt in de bestreden beschikking dat de vrouw heeft aangetoond dat de man in 2001 eigenaar is geworden van een erf in [land] en gelast een taxatie daarvan;

  • -

    de advocaat van de vrouw heeft de bestreden beschikking aan de man laten betekenen op 11 maart 2014;

  • -

    overeenkomstig de opdracht van de rechtbank stuurt de vrouw de man op 27 februari 2014 een lijstje van drie mogelijke taxateurs; de man reageert hier niet op;

  • -

    in de toelichting bij grief 4 van het hoger beroepschrift van de man erkent de man dat hij blijkens de bij voormelde brief van 24 juli 2013 overgelegde notariële akte het bezit heeft verkregen van de zuidelijke helft van het erf, gelegen aan de [adres 2], bekend onder nummer[adres 2] te [land]; de man ontkent het perceel van zijn broer te hebben gekocht;

  • -

    de vrouw legt als productie P bij haar verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, een schuldbekentenis van 30 november 2007 van de broer van de man over, als bewijs van de rechten van de man op de Noordelijke helft van het onroerend goed in [land];

  • -

    in punt 5 van het verweerschrift in incidenteel appel van de man staat het volgende:

“De man zal hierna ook uiteenzetten dat uit de stellingen van de vrouw op geen enkele manier kan worden afgeleid dat de man eigenaar is van ook het Noordelijk deel. Ook van huurinkomsten terzake het noordelijk deel is overigens geen sprake. De door de vrouw in dit kader genoemde productie C betreft een kredietovereenkomst, productie I een akte scheiding en deling van alleen het zuidelijke deel aan de man en productie P is enkel een schuldbekentenis van de broer aan de man. Er worden ook in hoger beroep door de vrouw geen documenten van de eigendomsoverdracht van het noordelijk gedeelte zoals de notariële akte of een uittreksel uit het hypotheekkantoor (die in [land] de functie van het kadaster heeft) overgelegd en ook anderszins geen bewijzen van huurinkomsten.”

  • -

    in punt 13 van het verweerschrift in incidenteel appel erkent de man aan de opschortende voorwaarden voor de overgang van de eigendom van de Noordelijke helft te hebben voldaan;

  • -

    in punten 10, 15 en 16 van het verweerschrift in incidenteel appel erkent de man aanvankelijk te hebben ontkend onroerend goed in [land] te bezitten; de man wijt dit aan zijn gemoedstoestand van destijds.

23. Geschetste feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien laten naar het oordeel van het hof geen andere conclusie toe dan dat de man opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen heeft verzwegen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW. De door hem gestelde gemoedstoestand na het overlijden van zijn vader acht het hof onvoldoende rechtvaardiging voor dit verzwijgen. De man wist immers dat het onroerend goed tot de gemeenschap behoorde en heeft getracht dit door opzettelijke verzwijging buiten de verdeling te houden. Dit heeft tot gevolg dat het onroerend goed te [land], voor zover dit aan de zijde van de man in de huwelijksgoederengemeenschap is gevallen, toevalt aan de vrouw conform artikel 3:194 lid 2 BW. Om het goederenrechtelijke effect te effectueren, zal het onroerend goed op naam van de vrouw gesteld dienen te worden, waartoe de man is gehouden en waartoe het hof de man zal veroordelen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Levensverzekering nummer [nummer 3]

24. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan de voormalige echtelijke woning gekoppelde levensverzekering die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort, nummer [nummer 3] heeft. De man is niet bekend met enige premiebetaling onder nummer [nummer 3] en is enkel bekend met een polis beleggingsverzekering met nummer [nummer 4] bij de [bank 2]. Indien het om twee verschillende polissen gaat, dan verzoekt de man de waarde van beide in de verdeling te betrekken.

25. De vrouw stelt dat slechts sprake is van een polis, welke is gekoppeld aan de hypothecaire geldlening met polisnummer [nummer 5] Het andere nummer betreft een niet bestaande polis.

26. Het hof is van oordeel dat voor zover een boedelbestanddeel niet in de verdeling is betrokken, dit alsnog dient te geschieden. Nu uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen het erover eens zijn dat er sprake is van een polis met nummer [nummer 5] zal het hof bepalen dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de daaruit voortvloeiende rechten.

Proceskosten

27. De vrouw verzoekt het hof om de man in de kosten van deze hoger beroepsprocedure te veroordelen die te wijten zijn aan de processuele houding van de man in eerste aanleg.

28. Het hof ziet geen aanleiding om de man te veroordelen in het proceskosten nu hij het hoger beroep niet nodeloos is aangegaan. Het hof zal de kosten dan ook tussen partijen compenseren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 18 juli 2014, op € 498,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw het eventueel op basis van deze beschikking te veel ontvangene niet aan de man hoeft terug te betalen;

veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen de somma van € 5.000,-;

gelast partijen over te gaan tot de goederenrechtelijke levering aan de vrouw - zonder verdere verrekening van de waarde – van het aan de zijde van de man in de gemeenschap toegevallen aandeel in het onroerend goed te [land] gelegen aan de [adres 2] te [land];

gelast partijen over de gaan tot verdeling van de mogelijke vermogensrechten voortvloeiend uit de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde beleggingsverzekering met polisnummer [nummer 5];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Sutorius-van Hees en Van Veen, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2014.