Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3732

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.148.492/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. De vader heeft niet aangetoond dat hij geen draagkracht heeft. Ambtshalve proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 5 november 2014

Zaaknummer : 200.148.492/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-8865

Zaaknummer rechtbank : C/09/454237

[verzoeker],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. F. Uzumcu te Den Haag,

tegen

[verweerster],

wonende te[woonplaats 2],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.J. Boers te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 31 maart 2014 van de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 7 augustus 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de vader op 2 juli 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage

De zaak is op 2 oktober 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de door de vader met ingang van 1 september 2013 te betalen bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), bepaald op € 706,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen met nihilstelling van de kinderalimentatie, dan wel de kinderalimentatie op een bedrag te bepalen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, zulks voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in de door hem gedane verzoeken, althans deze verzoeken als ongegrond c.q. onbewezen af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans in deze een dusdanige beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie juist acht.

4. De vader voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat hij thans in het geheel geen inkomen heeft. De vader heeft zijn onderneming gestaakt, nadat hij in financiële problemen was gekomen doordat enkele opdrachtgevers failliet gingen en de openstaande facturen niet voldeden. Omdat zijn boekhouder de stopzetting administratief niet goed verwerkt heeft, is de vader nog € 16.000,- aan de belastingdienst verschuldigd aan loonheffing en boete. Op dit moment werkt de vader niet en hij ontvangt ook geen uitkering. De vader is dan ook niet in staat enige bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De kinderalimentatie dient derhalve op nihil te worden gesteld. Ter terechtzitting heeft de vader aangevoerd dat hij geen financiële stukken heeft ingebracht, omdat de moeder bij hem de indruk had gewekt het verzoek te zullen intrekken.

5. De moeder betwist dat de vader geen inkomen zou genieten en stelt dat de vader daartoe nog geen begin van bewijs heeft overgelegd. Subsidiair stelt de moeder, dat indien de vader geen inkomen zou genieten, er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is, zodat aan dat inkomensverlies voorbij gegaan dient te worden. De vader genereerde tijdens de relatie van partijen geruime tijd een zeer behoorlijk inkomen en de door hem destijds verrichte werkzaamheden zijn lucratief. Dat de vader thans meent geen inkomen te hoeven genereren omdat hij door zijn vermogende partner wordt onderhouden en om die reden wellicht zijn werkzaamheden heeft gestaakt, maakt niet dat hij zich kan onttrekken aan zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige. De moeder betwist dat zij voornemens is geweest haar verzoek in te trekken en dat zij bij de vader die indruk heeft gewekt. De moeder wijst er daarbij op dat zij met het intrekken van haar verzoek om kinderalimentatie haar bijstandsuitkering op het spel zou hebben gezet.

6. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft niet aangetoond dat hij geen draagkracht heeft en zijn stelling dat hij zijn onderneming heeft gestaakt en wordt onderhouden door zijn nieuwe partner, blijkt niet uit door hem overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel. Integendeel daaruit blijkt kennelijk dat hij de eigenaar is van twee ondernemingen, waaronder de onderneming die naar zijn zeggen gedreven wordt door zijn nieuwe partner. De man heeft daarmee geconfronteerd ter zitting niet gesteld dat dat het uittreksel niet de huidige situatie zou weergeven.

7. Het hof overweegt voorts dat de moeder gemotiveerd heeft betwist dat zij voornemens is geweest haar verzoek om kinderalimentatie in te trekken, maar ook dat de moeder dat verzoek in hoger beroep niet meer kon intrekken, nu de rechtbank daarop reeds had beslist. Nu tevens uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt dat de moeder een WWB-uitkering ontvangt, had de (advocaat van de) vader zich dienen te realiseren dat het de moeder niet vrijstond om buitengerechtelijk nihilstelling van de kinderalimentatie overeen te komen. Het hof is dan ook van oordeel dat het voor rekening en risico van de vader dient te blijven dat hij – voorafgaand aan de mondelinge behandeling – geen stukken ter onderbouwing van zijn inkomen heeft overgelegd.

Proceskostenveroordeling

8. Het hof ziet, gelet op de proceshouding van de vader, aanleiding hem in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. De vader is in eerste aanleg niet verschenen in de procedure zonder daarvoor een nadere verklaring te geven. Hij is nadien in hoger beroep gekomen maar heeft zijn standpunten in het geheel niet met verificatoire bescheiden onderbouwd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de vader nodeloos het hoger beroep heeft ingesteld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de moeder zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 308,-;

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2 punten x tarief I in hoger beroep = € 1.264,-.

9. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt de vader in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de moeder tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 308,- voor griffierecht en op € 1.264,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Stollenwerck en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2014.