Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3730

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.150.947/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en alimentatie. Gerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven als bedoel din het lweede lid van artikel 8 EVRM. Het beroep van de moeder op aritkel 10 IVRK en artikel 17 van Resolutie 64/142 slaagt niet, nu daarin is opgenomen dat broers en zussen van elkaar mogen worden gescheiden als dat in het belang van (één van hen) is. Aanvaardbaarheidstoets kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 5 november 2014

Zaaknummer : 200.150.947/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-1629

Zaaknummer rechtbank : C/10/445654

[verzoeker],

wonende te [woonplaats 1],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.C. van Seventer te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats 2],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L. Faouzi te Zoetermeer.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 17 juni 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 mei 2014 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 8 augustus 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 25 september 2014 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 1 oktober 2014 een faxbericht van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum.

De raad heeft bij brief van 2 september 2014 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 8 oktober 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens Jeugdzorg.

Tevens is verschenen de heer [naam 3], tolk in de [taal] taal.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en:

  • -

    bepaald dat de na te noemen minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

  • -

    bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

  • -

    ieder eerste weekend van de maand van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur zullen alle minderjarigen bij de vader verblijven;

  • -

    ieder tweede weekend van de maand van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur zullen alleen de oudste twee minderjarigen bij de vader verblijven;

  • -

    ieder derde weekend van de maand van vrijdag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur zullen alleen de jongste twee minderjarigen bij de vader verblijven;

  • -

    ieder vierde weekend van de maand zullen alle minderjarigen bij de moeder verblijven;

  • -

    bepaald dat de vader € 150,- per kind per maand dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    bepaald dat de vader € 250,- per maand dient te betalen aan de moeder als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding. Bepaald is dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1]),

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] (hierna ook te noemen: [minderjarige 2]),

  • -

    [minderjarige 3], geboren op[geboortedatum 3] 2010 te [geboorteplaats 3] (hierna ook te noemen: [minderjarige 3]),

  • -

    [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2011 te [geboorteplaats 4] (hierna ook te noemen: [minderjarige 4]),

hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen;

  • -

    de ouders zijn van rechtswege gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen belast;

  • -

    de minderjarigen staan onder toezicht van Jeugdzorg;

  • -

    bij beschikking van 9 mei 2014 van de rechtbank Rotterdam is met ingang van 9 mei 2014 machtiging verleend tot plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht bij de met het gezag belaste vader voor de duur van vier weken;

  • -

    bij beschikking van 20 mei 2014 van de rechtbank Rotterdam is met ingang van 6 juni 2014 de duur van de machtiging tot plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de met het gezag belaste vader verlengd tot 11 januari 2015.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

  • -

    de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

  • -

    de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling);

  • -

    de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie);

  • -

    de door de vader te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de moeder (hierna ook: partneralimentatie) en de draagkracht van de vader.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de nevenvoorzieningen en alsnog, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

  • -

    [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats hebben bij de vader;

  • -

    er een zorgregeling wordt vastgesteld inhoudende dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] iedere woensdagmiddag bij de vader zullen zijn en daar contact hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en met beide ouders;

  • -

    het verzoek van de moeder tot vaststelling van partneralimentatie wordt afgewezen;

  • -

    het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie wordt afgewezen;

althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk, althans ongegrond, te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

De hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

4. De vader voert het volgende aan. De minderjarigen zijn in december 2012 uit huis geplaatst omdat de thuissituatie niet veilig genoeg voor hen was en er sprake was van verwaarlozing van de minderjarigen en relatieproblemen tussen de ouders. Nadat de ouders uit elkaar waren gegaan, heeft Jeugdzorg geoordeeld dat geen van de ouders de vier kinderen tezamen zou kunnen opvoeden en besloten te werken naar een thuisplaatsing van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader. Zowel de ouders als de minderjarigen zijn intensief begeleid en dit traject heeft geleid tot succesvolle thuisplaatsingen. In de bestreden beschikking is ten onrechte geen rekening gehouden met de resultaten van het jeugdbeschermingstraject. De vader stelt dat de aanpak van Jeugdzorg, die inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader wonen en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] bij de moeder, de meeste mogelijkheden biedt om de minderjarigen thuis op te laten groeien. De vader stelt dat de moeder nog immer niet in staat is de vier minderjarigen allemaal de zorg te geven die zij nodig hebben. De minderjarigen hebben veel meegemaakt, zij hebben allen gedragsproblemen en [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben extra begeleiding nodig. Door deze kindfactoren vragen de minderjarigen individueel al zeer veel van hun opvoeders, maar om alle vier de minderjarigen gezamenlijk op te voeden zijn uitzonderlijk goede pedagogische vaardigheden vereist. De moeder beschikt niet over uitzonderlijk goede pedagogische vaardigheden en niet te verwachten valt dat daarin op korte termijn verandering zal komen, gezien haar beperkte IQ en daarmee samenhangende beperkte leerbaarheid. De vader concludeert dan ook dat de moeder niet in staat is de vier minderjarigen gezamenlijk een adequate opvoeding te bieden. Bovendien zou bekrachtiging van de bestreden beschikking leiden tot praktische problemen. De moeder verblijft op dit moment bij Stichting [naam 4], en onduidelijk is of zij daar een geschikte ruimte heeft om alle vier de minderjarigen onderdak te bieden. Bovendien spreekt de moeder geen Nederlands, waardoor er de afgelopen jaren een taalbarrière is ontstaan en de moeder en de minderjarigen elkaar niet altijd begrijpen. Tot slot voert de vader aan dat de minderjarigen thans gebaat zijn bij continuïteit van de huidige situatie. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een onrustige periode achter de rug, zij zijn vanuit een thuissituatie waarin sprake was van een inadequaat opvoedingsklimaat terechtgekomen in de crisisopvang, vervolgens zijn zij in een residentiële instelling geplaatst en daarna zijn zij bij de vader thuis geplaatst. De vader stelt dat het belangrijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij niet nogmaals van woonomgeving en hoofdopvoeder moeten wisselen, dat zij weten waar zij zullen opgroeien en dat dit door volwassenen bevestigd wordt. De vader heeft begrip voor het standpunt van de moeder dat de relatie tussen de minderjarigen anders zal zijn als zij niet allemaal tezamen opgroeien, maar hij stelt dat het belang van de individuele minderjarigen bij een stabiele en adequate opvoedingsomgeving voorgaat.

5. De moeder verweert zich daartegen als volgt. De moeder betwist dat zij niet in staat zou zijn de vier minderjarigen gezamenlijk op te voeden en zij voert aan dat zij van meet af aan niet heeft ingestemd met het beleid van Jeugdzorg om twee minderjarigen bij de vader en twee minderjarigen bij de moeder te plaatsen. De moeder stelt dat de minderjarigen er recht op hebben om samen op te groeien. De moeder vreest voorts dat nieuwe ontwikkelingsachterstanden zullen ontstaan indien de minderjarigen niet bij haar de hoofdverblijfplaats hebben. Uit de verslagen van de stichting [naam 4], de medewerker van [organisatie 1] en het eindverslag van [organisatie 2] komt bovendien naar voren dat de moeder stappen maakt, op de goede weg zit, aanwijzingen goed oppakt en er voor de minderjarigen is. Nergens blijkt uit dat de moeder niet in staat zou zijn de minderjarigen de verzorging en opvoeding te bieden die aansluit op hun behoeften. De moeder zet dan ook in op gezinshereniging en heeft daartoe al de nodige stappen ondernomen, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting. De moeder betwist voorts dat er sprake zou zijn van een taalbarrière. De moeder wijst er voorts op dat het recht op gezinshereniging is neergelegd in artikel 10 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en zij verzoekt het hof haar verzoek tot gezinshereniging met welwillendheid, menselijkheid en spoed te behandelen. De moeder verwijst in dat kader tevens naar artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 16 IVRK. De moeder stelt dat het van elkaar scheiden van broers en zussen een schending is van het recht op gezinsleven waarop de kinderen ingevolge artikel 8 EVRM recht hebben. Ook uit artikel 17 van Resolutie 64/142 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties komt naar voren dat broers en zussen met een bestaande band in beginsel niet moeten worden gescheiden, tenzij er een duidelijk gevaar voor misbruik is of een andere reden in het belang van het kind. Tot slot stelt de moeder dat de belangen van de kinderen ingevolge artikel 3 IVRK de eerste overweging dienen te vormen bij alle maatregelen die de nationale autoriteiten nemen ten aanzien van kinderen.

6. Jeugdzorg voert het volgende aan. Het is niet realistisch dat één van de ouders voor alle vier de kinderen gaat zorgen. De minderjarigen zijn in december 2012 in erbarmelijke omstandigheden uit huis geplaatst, nadat de moeder enige tijd alleen de zorg voor hen had gehad. Alle vier de kinderen hadden ernstige achterstanden op alle gebieden van de algemene ontwikkeling, de relatie tussen de ouders was problematisch en er was sprake van opvoedproblemen. In de periode dat de minderjarigen uit huis geplaatst waren, is onderzoek gedaan naar hun toekomstperspectief. Daaruit kwam onder meer naar voren dat de vader natuurlijk overwicht had op de minderjarigen, iets dat de moeder ontbeerde. Hoewel de moeder haar best deed, bleken de kinderen minder respect voor haar te hebben. Jeugdzorg heeft dan ook geoordeeld dat het niet in het belang van de kinderen zou zijn als zij alle vier bij één van de ouders thuis geplaatst zouden worden, en daarom is ervoor gekozen de oudste twee minderjarigen bij de vader en de jongste twee minderjarigen bij de moeder te plaatsen. De thuisplaatsingen zijn succesvol verlopen en Jeugdzorg verneemt zowel van de hulpverlening als de school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] positieve berichten over de stabiele situatie bij de vader.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij de hoofdverblijfplaats bij de vader hebben. Het hof overweegt daartoe dat de minderjarigen voorafgaand aan de uithuisplaatsing zijn blootgesteld aan huiselijk geweld en verwaarlozing. Nadien heeft de vader grote stappen gezet op pedagogisch gebied en thans laat hij veel inzicht zien in wat de kinderen nodig hebben, sluit hij goed aan bij hun behoeften en weet hij op een natuurlijke en ontspannen manier met hen om te gaan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ontzag voor de vader zonder dat hij er moeite voor moet doen om dit af te dwingen, en zij gehoorzamen meestal snel als hij iets van hen vraagt. De moeder heeft weliswaar ook haar pedagogische vaardigheden verbeterd, maar niet in die mate dat zij thans in staat kan worden geacht de zorg voor de vier minderjarigen op zich te nemen. De moeder lijkt nog altijd niet in staat om haar gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen handhaven, noch om de regie in handen te houden. De moeder heeft er moeite mee om haar aandacht goed over alle kinderen te verdelen en om overzicht te houden in situaties. De minderjarigen maken gebruik van dit onvermogen van de moeder, door hun eigen gang te gaan als de moeder haar aandacht op een van de andere kinderen gericht heeft. Ook is de moeder minder goed dan de vader in staat om [minderjarige 2] te begrenzen, adequaat op te treden tegen zijn brutaliteit en hem naar haar te laten luisteren of gehoorzamen. Bovendien blijkt uit de verslagen van de hulpverlening dat er sprake is van een taalbarrière tussen de moeder enerzijds en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anderzijds, waardoor onbegrip, irritatie en verwarring ontstaat.

8. Het hof is van oordeel dat het hiervoor overwogene met zich meebrengt dat het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om hun hoofdverblijfplaats bij de vader te hebben dient te prevaleren boven het belang van de minderjarigen om gezamenlijk in één gezin op te groeien. Daarbij betrekt het hof ook het belang van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] dat de moeder niet de zorg voor meer kinderen heeft dan zij aankan. Ook de belangen van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zouden immers ernstig geschaad worden als de problemen uit 2012 zich weer zouden voordoen omdat de moeder op pedagogisch vlak overvraagd wordt. Het hof oordeelt dan ook dat sprake is van een gerechtvaardigde inmenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, namelijk van inmenging als bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Het beroep van de moeder op het IVRK en Resolutie 64/142 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties slaagt evenmin, nu ook daarin is opgenomen dat broers en zussen van elkaar gescheiden mogen worden indien zulks in het belang van (één van) hen is.

9. Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarin de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder is bepaald.

De zorgregeling

10. De vader voert het volgende aan. De bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling is niet in het belang is van de minderjarigen. Er zijn regelmatig conflicten geweest bij de zorgregeling, waar ook de minderjarigen getuige van waren. Jeugdzorg heeft daarom een schriftelijke aanwijzing gegeven, waarin de omgangsregeling is beperkt in die zin, dat de kinderen om de week op woensdagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur naar de andere ouder gaan. Dat houdt in dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] de ene week op woensdagmiddag naar de vader toegaan en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de andere week naar de moeder, zodat de minderjarigen elkaar wekelijks zien. De vader hoopt dat de zorgregeling in de toekomst kan worden uitgebreid en dat het ook mogelijk zal zijn dat de kinderen bij de andere ouder logeren, maar hij stelt dat dit thans nog niet in hun belang is. De vader stelt dat de huidige situatie eerst gestabiliseerd moet worden en dat geïnvesteerd moet worden in het verloop van deze zorgregeling, alvorens met behulp en op advies van deskundigen kan worden toegewerkt aan uitbreiding van de contacten.

11. De moeder verweert zich daartegen als volgt. De door de vader voorgestane zorgregeling doet geen recht aan de belangen van de minderjarigen, omdat zij op die wijze onvoldoende tijd met beide ouders en met elkaar kunnen doorbrengen. De kinderen overnachten en eten niet bij de andere ouder, waardoor zij onvoldoende met die ouder kunnen delen. De moeder heeft om die reden ook een verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing ingediend.

12. Jeugdzorg voert aan dat spoedige uitbreiding het uitgangspunt bij de omgangsregeling was, maar dat zulks tot op heden niet is gelukt. Dat is te wijten aan terugkerende problemen bij de overdracht, waarvan zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] veel last hebben. [minderjarige 1] is heel sensitief en heeft last van de spanningen bij de overdracht, en ook [minderjarige 2] heeft gevraagd of er een derde bij de overdracht zou kunnen zijn, omdat de ouders steeds ruzie maken en de kinderen dat vervelend vinden. Sinds [minderjarige 1] heeft gehoord dat de moeder wil dat hij weer bij haar komt wonen, wil hij helemaal niet meer naar haar toe, slaapt hij slecht en klampt hij zich aan de vader vast. Bovendien heeft de gezinsvoogd bij de begeleide contacten geconstateerd dat de moeder over onvoldoende pedagogische vaardigheden beschikt om de bezoeken probleemloos te laten verlopen. Ook vanuit dat oogpunt is uitbreiding van de zorgregeling op dit moment derhalve nog niet wenselijk.

13. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de door Jeugdzorg vastgestelde omgangsregeling op dit moment in het belang van de minderjarigen is. De minderjarigen hebben een zeer onrustige en zware periode achter de rug en zij dienen de gelegenheid te krijgen om tot rust te komen en te wennen aan de nieuwe gezinssituatie. Daarbij komt dat de zorgregeling – althans het contact tussen de ouders bij de overdracht – nog niet naar behoren verloopt en de minderjarigen daarvan last hebben. Ook om die reden acht het hof uitbreiding van de zorgregeling op dit moment nog niet in het belang van de minderjarigen. Het hof hecht er daarbij aan op te merken dat de vader en Jeugdzorg hebben toegezegd te werken naar uitbreiding van de zorgregeling. Het hof vertrouwt erop dat beide partijen die toezegging gestand zullen doen en dat ook de moeder zich zal inzetten om uitbreiding mogelijk te maken.

14. Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen ten aanzien van de zorgregeling.

De kinderalimentatie en de partneralimentatie

15. De vader stelt voorop dat indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem zal worden bepaald een bijdrage voor hen niet nodig zal zijn, aangezien de vader alsdan hun kosten voor verzorging en opvoeding zal voldoen. Voorts stelt de vader dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de door de rechtbank vastgestelde alimentatie te voldoen. De behoefte van de minderjarigen dient te worden becijferd op grond van het netto gezinsinkomen in 2013, te weten € 1.496,- per maand. Rekening houdend met 14 kinderbijslagpunten levert dit een totale behoefte op van € 440,-, ofwel € 110,- per kind per maand. Daarop strekt het kindgebonden budget in mindering. De vader is al geruime tijd arbeidsongeschikt en ontvangt sinds 11 maart 2014 een WIA-uitkering van aanvankelijk gemiddeld € 1.466,- netto per maand en thans gemiddeld € 1.370,- netto per maand. Daarnaast zijn er schulden uit de huwelijkse periode. De draagkracht van de vader bedraagt 70 % van (€ 1.466,- minus (0,3 x € 1.466,- + € 860)) is € 165,20. De vader stelt dat zijn draagkracht in beginsel verdeeld zou moeten worden over zijn vier kinderen, maar dat een bijdrage ten behoeve van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] aan hem niet kan worden opgelegd. De vader heeft immers twee kinderen bij zich wonen en hij kan zelf niet in hun totale behoefte (te weten € 220,- per maand) voorzien, zodat er geen ruimte is voor het opleggen van partneralimentatie en kinderalimentatie ten behoeve van de twee jongste kinderen die bij de moeder wonen. Bovendien is er sprake van huwelijkse schulden, die op de draagkracht van de vader in mindering dienen te strekken. Tot slot stelt de vader dat de moeder een WWB-uitkering geniet, waardoor zij niet in staat is kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voldoen.

16. De moeder verweert zich daartegen als volgt. De vader had een vast dienstverband voor hij ziek werd, en niet is aangetoond hoe en waarom dat dienstverband is beëindigd. De moeder stelt dan ook dat de vader nog twee jaar doorbetaald had moeten worden door zijn werkgever alvorens hij een ziektewetuitkering zou ontvangen. Voorts voert de moeder aan dat de vader de behoefte van de minderjarigen ten onrechte niet heeft geïndexeerd en dat hij ten onrechte zijn vakantiegeld niet bij zijn besteedbaar inkomen heeft geteld en geen rekening heeft gehouden met de heffingskorting voor alleenstaande ouders waar hij aanspraak op kan maken. Uitgegaan dient te worden van een netto besteedbaar inkomen van € 1.496,-. Tot slot voert de moeder aan dat de vader niet heeft aangetoond dat hij aflost op zijn schulden, zodat daar geen rekening mee gehouden dient te worden.

17. Het hof overweegt als volgt. De behoefte van de minderjarigen bedroeg in 2013 € 110,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2014 bedraagt de behoefte van de minderjarigen (afgerond) € 111,- per kind per maand. Om het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen te becijferen dient op de behoefte het kindgebonden budget dat de ouders thans ontvangen in mindering te worden gebracht. Uit de door de vader overgelegde berekening en verdeling van de kosten van de kinderen blijkt dat partijen aanspraak maken op een kindgebonden budget van € 64,- per kind per maand, zodat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen becijferd zou moeten worden op € 47,- per kind per maand. De belastingdienst verrekent echter de schulden die de vader en de moeder hebben opgebouwd – onder meer in verband met ten onrechte ontvangen huur- en zorgtoeslagen – met het kindgebonden budget waarop de vader in beginsel aanspraak zou kunnen maken. Nu de vader feitelijk geen kindgebonden budget ontvangt, zal het hof het kindgebonden budget niet in mindering brengen op de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en uitgaan van een eigen aandeel van de ouders in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 111,- per kind per maand.

18. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vader thans een uitkering ontvangt van gemiddeld (afgerond) € 1.945,- bruto per maand. Rekening houdend met 8 % vakantiegeld en de van toepassing zijnde heffingskortingen, heeft het hof het netto besteedbaar inkomen van de vader becijferd op € 1.470,- per maand. De draagkracht van de vader bedraagt derhalve 70 % van (€ 1.470,- minus (0,3 x € 1.470,- + € 860)), ofwel (afgerond) € 118,- per maand.

19. In beginsel zou de draagkracht van de vader gelijkelijk over de vier minderjarigen verdeeld dienen te worden. De draagkracht van de vader is echter ontoereikend om in de behoefte van de bij hem woonachtige minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. Het hof is van oordeel dat het opleggen van enige alimentatieverplichting aan de vader – ten behoeve van de moeder dan wel ten behoeve van de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] – onder deze omstandigheden tot een onaanvaardbare situatie zou leiden, nu het opleggen van een alimentatieverplichting ertoe zou leiden dat de vader niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan voor hemzelf en voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou kunnen voorzien.

20. Het hof gaat voorbij aan de suggestie van de moeder dat sprake zou zijn van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vader, nu de moeder op geen enkele wijze heeft aangetoond dat daarvan sprake is geweest en de vader gemotiveerd heeft betwist dat hij in het verleden een vast dienstverband zou hebben gehad waaruit hij nog enige loonaanspraken zou (kunnen) hebben.

21. Het vorenstaande brengt met zich mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarin partneralimentatie en kinderalimentatie is vastgesteld ten laste van de vader.

22. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat te minderjarigen [organisatie 2], geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats 1], en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2], de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;

bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2010 te [geboorteplaats 3], en [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2011 te [geboorteplaats 4], de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

stelt in het kader van verdeling van zorg- en opvoedingstaken de volgende zorgregeling vast:

de ene week verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op woensdagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur bij de moeder, de andere week verblijven [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op woensdagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur bij de vader;

verstaat dat deze zorgregeling in onderling overleg tussen de ouders en met Jeugdzorg gewijzigd kan worden;

wijst af het verzoek van de moeder tot toekenning van een door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen;

wijst af het verzoek van de moeder tot toekenning van een door de vader te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de moeder;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Warnaar en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2014.