Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3722

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
200.155.629/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:10658, Overig
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Niet-verdragsland. Gewone verblijfplaats. Verzet ondragelijke toestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 15 oktober 2014

Zaaknummer : 200.155.629/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 14-5469

Zaaknummer rechtbank : C/09/469896

[verzoekster],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te[woonplaats 2],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 10 september 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 augustus 2014 van de rechtbank Den Haag.

De vader heeft op 26 september 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij de hierna te noemen brief van 30 september 2014 heeft de moeder een aanvullende grief ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 24 september 2014 een brief van diezelfde datum met bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 30 september 2014 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vader:

  • -

    op 26 september 2014 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 30 september 2014 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen, en

  • -

    op 1 oktober 2014 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 1 oktober 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw [naam 1] namens de raad.

De respectieve advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn door het hof in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank de terugkeer van de na te noemen minderjarigen gelast naar Suriname uiterlijk op 11 september 2014, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Suriname en heeft bevolen, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Suriname, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 11 september 2014, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Suriname. De moeder is voorts veroordeeld tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte kosten in verband met de ontvoering en teruggeleiding ten bedrage van € 6.562,55. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding naar Suriname van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats 1], hierna verder: [minderjarige 1];

[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats 2], hierna verder: [minderjarige 2], en

[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 3], hierna verder: [minderjarige 3], hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen, en - bij wijze van provisionele voorziening - de benoeming van een bijzondere curator.

2. De moeder verzoekt het hof de provisionele voorziening, zoals gevraagd, toe te wijzen en voorts de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

- primair, het inleidende verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen af te wijzen;

- subsidiair, het verzoek af te wijzen op grond van de weigeringsgrond als geformuleerd in artikel 13 lid 1 sub (het hof leest:) b van het HKOV en/of het verzoek af te wijzen op grond van de weigeringsgrond als geformuleerd in artikel 13 lid 2 van het HKOV, en

- meer subsidiair, de raad te verzoeken een onderzoek te doen naar de vraag of het belang van de minderjarigen het meest gediend wordt met een voortgezet verblijf bij de moeder in Nederland of bij teruggeleiding naar de vader in Suriname.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof om, uitvoerbaar bij voorraad, alle verzoeken van de moeder als neergelegd in haar beroepschrift af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en, conform het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de afgifte van de minderjarigen, met de benodigde reisdocumenten, aan de vader te bevelen uiterlijk op 8 oktober 2014, of althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door het hof in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Suriname, dan wel, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen, te bepalen op welke datum de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar [plaats], Suriname, met veroordeling van de moeder, in de extra kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en de teruggeleiding bij het hof Den Haag, nader op te maken bij staat, waaronder zijn reiskosten vanuit Suriname naar Nederland € 2.000,--, zijn reiskosten in Nederland vanaf Schiphol naar Zoetermeer en terug € 260,--, zijn verblijfskosten in Nederland, de griffierechten van het hof van € 308,--, alsmede de kosten van zijn procesvertegenwoordiging bij het hof ad € 3.500,--.

Bijzondere curator

4. In de visie van de moeder is de benoeming van een bijzondere curator aangewezen nu de minderjarigen zich niet gehoord voelen door de rechtbank tijdens het kindgesprek op
20 augustus 2014, voorafgaand aan de zitting. De minderjarigen reageerden verontwaardigd toen zij na afloop van hun moeder hoorden hoe hun mening ter zitting door de rechter werd verwoord. Ter zitting is door de voorzitter van de kamer meegedeeld dat de minderjarigen geen uitgesproken voorkeur hadden en bovendien geen blijk gaven van verzet tegen terugkeer. De minderjarigen hadden echter, unaniem, de indruk dat zij hun mening mochten geven en dat het genoeg was om aan te geven dat zij in Nederland wilden blijven zonder nader toe te lichten waarom zij niet naar Suriname terug wilden.

5. De vader is van mening dat nu het HKOV een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin de minderjarigen zich bevonden direct voorafgaande aan de ontvoering beoogt, het provisionele verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. Daarenboven moet het hof bekwaam en in staat worden geacht om de minderjarigen te horen en zich, naar aanleiding van dat horen, een oordeel te vormen omtrent de authenticiteit van de mening van de minderjarigen en in verband daarmee in hoeverre met deze mening rekening dient te worden gehouden.

6. Met het bepaalde in artikel 1:250 van het BW heeft de wetgever beoogd te voorzien in de mogelijkheid van benoeming van een bijzondere curator wanneer met betrekking tot de verzorging en opvoeding een wezenlijk conflict is ontstaan tussen de minderjarige en degene die als wettelijke vertegenwoordiger met zijn verzorging en opvoeding is belast. De wetgever heeft daarbij gedacht aan concrete problemen, die, indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, zo nodig in een door deze aanhangig te maken procedure zullen moeten worden beslist. De rechter zal bij zijn oordeelsvorming de aard en ernst van het bestaande conflict en het belang van het kind bij vertegenwoordiging door een bijzondere curator moeten betrekken (HR 4 februari 2005, NJ 2005, 422).

7. Het hof overweegt als volgt. Niet gebleken is dat sprake is van een strijd of een conflict tussen (één van) de gezaghebbende ouders en de minderjarigen. Het zijn de ouders die met elkaar strijden. Er worden meerdere procedures gevoerd en de minderjarigen hebben last van de strijd tussen de ouders. De moeder is van mening dat de minderjarigen met haar in Nederland moeten blijven en dat het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Suriname moet worden afgewezen. De vader blijft bij zijn standpunt dat het in het belang van de minderjarigen is als zij met hem terugkeren naar Suriname. Het hof neemt in aanmerking dat het aan de ouders is om zodanige keuzes te maken dat zoveel mogelijk aan de belangen van de minderjarigen wordt tegemoet gekomen, de problemen tussen hen als ouders op te lossen en de minderjarigen niet met de tussen hen bestaande conflicten te belasten. Dat de ouders in dit geval strijd voeren over de verblijfplaats van de minderjarigen is op zichzelf geen reden voor de benoeming van een bijzondere curator. Het hof heeft vooralsnog onvoldoende aanwijzingen dat de strijd over de verblijfplaats van de minderjarigen leidt tot een wezenlijk conflict tussen het belang van de minderjarigen en het belang van één van de ouders. Gelet op hun leeftijd zijn de minderjarigen bovendien door het hof in deze procedure over de internationale kinderontvoering uitgenodigd om te worden gehoord en zijn zij ook daadwerkelijk gehoord, zodat de minderjarigen in deze procedure een stem hebben en met hun belangen rekening kan worden gehouden. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van de minderjarigen niet met zich brengt dat benoeming van een bijzondere curator in deze (bijzondere) procedure noodzakelijk is.

De toepasselijkheid van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen

(hierna: HKOV)

8. Voor zover de moeder heeft betoogd dat de bepalingen van het HKOV in de onderhavige zaak niet kunnen worden toegepast aangezien Suriname geen verdragsland is, gaat het hof - evenals de rechtbank - hieraan voorbij. Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen, neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Voor zover de moeder (in haar aanvullende grief) voorts nog betoogt dat het beoordelingskader in niet-verdragszaken, zoals de onderhavige, ruimer is dan in verdragszaken en dit ook een volledige afweging van de belangen van de kinderen kan omvatten, gaat het hof daar eveneens aan voorbij. Ook voor ‘niet-verdragszaken is het de bedoeling ‘van de wetgever geweest om de weigeringsgronden van het verdrag, dat een wereldwijde werking beoogt te hebben, analoog toe te passen. De belangen van de minderjarigen zullen in de beoordeling worden betrokken, zoals het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in kinderontvoeringszaken herhaalde malen heeft bepaald. Het voert echter te ver om met een voorbijgaan aan de verdragsbepalingen de belangen van het kind te beoordelen. Het verdrag beoogt immers evenzeer die belangen te dienen; het uitgangspunt is dat de belangen van een minderjarige er in beginsel niet mee zijn gediend, om ongeoorloofd door een ouder meegenomen te worden naar een ander land. In het land van de gewone verblijfplaats moet ten gronde worden beslist over het gezag over de minderjarigen en over de vraag waar zij zullen verblijven.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het HKOV

9. Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 3 lid 1 van het HKOV het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd wordt beschouwd, wanneer:

a. a) dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Gewone verblijfplaats van de minderjarigen

10. De moeder stelt zich op het standpunt dat bij het vertrek van partijen naar Suriname in 2008 het altijd de intentie van partijen is geweest dat zij zich niet permanent in Suriname zouden vestigen en dat de minderjarigen hun studies niet in Suriname zouden volgen, maar in Nederland. Partijen hebben altijd de intentie gehad om terug te keren naar Nederland. In de visie van de moeder bestond mogelijk hooguit enig verschil van mening over het wenselijke tijdstip van de voorgenomen remigratie. Dat partijen beiden de intentie hadden binnen niet al te lange tijd weer naar Nederland terug te keren blijkt uit het navolgende:

- bij vertrek naar Suriname hebben partijen de echtelijke woning verkocht en in ruil daarvoor een appartement gekocht in [Nederland];

- dit appartement in [Nederland] hebben partijen weliswaar verhuurd, maar iedere keer weer voor een relatief korte periode opdat partijen de mogelijkheid hadden op korte termijn weer zelf de beschikking te hebben over het appartement;

- partijen hebben in Nederland spaarrekeningen voor de minderjarigen en hun eigen bankrekeningen aangehouden waarop maandelijks gelden worden gestort, waaronder de verhuuropbrengst van het appartement in [Nederland];

- partijen hebben in Nederland hun bedrijven aangehouden;

- partijen zijn nog in allerlei fiscale zaken gebonden aan Nederland;

- eenmaal in Suriname zijn partijen veel waarde blijven hechten aan hun Nederlandse nationaliteit en identiteit, en

- zij hebben hun banden met Nederland aangehouden; de vader komt regelmatig naar Nederland om zijn contacten en relaties te onderhouden en is thans zelfs een partnership aangegaan met een bedrijf in Nederland.

De moeder betoogt dat tegenover voorstaande feiten en omstandigheden de enkele duur van het verblijf in Suriname onvoldoende aanwijzing oplevert dat partijen beoogden zich definitief met de minderjarigen in Suriname te vestigen. Daarnaast hebben zich tijdens het verblijf van partijen in Suriname ook zaken voorgedaan die bevestiging aan deze intentie hebben gegeven. Zo heeft [minderjarige 2] ADHD en dyslexie, in welk verband partijen met [minderjarige 2] meerdere malen zijn teruggereisd naar Nederland voor onderzoek. Ook blijkt het Surinaamse onderwijs op de lagere school niet toereikend en hadden partijen grote twijfels bij het voortgezet onderwijs in Suriname voor [minderjarige 2]. De moeder verwijst met betrekking tot de door haar uiteengezette intentie van partijen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 17 juni 2011 (LJN: BQ4833). Zij merkt op dat ook in lagere rechtspraak de intentie van de hoofdverzorger de spil vormt bij het vaststellen van de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. Volgens de moeder dient de vader aannemelijk te maken dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen niet in Nederland is gelegen.

Dat de vader zijn toestemming heeft geweigerd voor een terugkeer van de minderjarigen naar Nederland dient te worden genuanceerd, aldus dat die toestemming er wel was, en zeker op afzienbare termijn, dan wel nadat de uitslag over [minderjarige 2] had uitgewezen dat een verder onderzoek in Nederland geïndiceerd was. In eerste aanleg heeft de moeder aangetoond dat de vader al in april 2014 toestemming had gegeven voor het vertrek naar Nederland (punt 29 en productie 16 van het verweerschrift in eerste aanleg). De moeder heeft aangetoond dat met toestemming van de vader een afspraak is gemaakt voor verder onderzoek van [minderjarige 2] in Nederland, althans deze toestemming kan in ieder geval worden verondersteld gezien het tijdstip waarop de afspraak voor onderzoek is gemaakt met [praktijk 1] om [minderjarige 2] te laten onderzoeken in Nederland voor haar ADHD en dyslexie. Ook heeft zij bewezen dat zij geruime tijd voor vertrek naar Nederland, in overleg met de vader, een aantal zaken in Suriname (onder andere scholen van de minderjarigen) had geregeld om het vertrek naar Nederland zo soepel mogelijk voor het gezin te laten verlopen.

11. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd weersproken. Ten aanzien van de door de moeder naar voren gebrachte intentie, inhoudende dat het de bedoeling van partijen was om met de minderjarigen naar Nederland terug te keren, wijst de vader op een uitspraak van dit hof van 3 februari 2010, LJN BL 1778, waarin is beslist dat de enkele intentie van partijen om zich op enig moment in de toekomst elders te vestigen, geen wijziging brengt in de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. Daarnaast betwist de vader te hebben berust in het verblijf van de minderjarigen in Nederland.

12. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de minderjarigen allen zijn geboren in Nederland en dat de minderjarigen voorafgaand aan het vertrek van partijen met de minderjarigen naar Suriname in 2008, hun gewone verblijfplaats bij partijen in Nederland hebben gehad. In geschil is of de gewone verblijfplaats van de minderjarigen na hun vertrek in 2008 naar Suriname op enig moment is gewijzigd naar Suriname.

13. Het conflictrechtelijke begrip ‘gewone verblijfplaats’ in de zin van artikel 3 van het HKOV is een feitelijk begrip dat moet worden bepaald aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. De gewone verblijfplaats betreft de plaats waarmee de betrokkene (de minderjarigen) de nauwste bindingen heeft. De duur van het feitelijke verblijf speelt daarbij een belangrijke rol. Daarnaast kunnen tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren omstandigheden worden gerekend waaruit kan worden afgeleid dat dit feitelijke verblijf niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, zoals de koop of de huur van een woning in de lidstaat van ontvangst, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. De leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving, waarvoor de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend is of zijn.

14. In het onderhavige geval moet de vader aannemelijk maken dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen - waarvan tussen partijen vaststaat dat deze zich aanvankelijk vóór het vertrek van partijen naar Suriname in 2008 in elk geval in Nederland bevond - op enig moment is gewijzigd en dat de minderjarigen derhalve onmiddellijk voor hun overbrenging door de moeder naar Nederland op 4 juli 2014 hun gewone verblijfplaats in Suriname hadden.

15. Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat partijen in 2008 het plan hebben opgevat om (definitief) te (re-)emigreren naar Suriname. Als voornaamste reden hadden zij daarvoor destijds om de minderjarigen hun jeugd te laten genieten in Suriname Vanaf het moment van aankomst in Suriname hebben partijen gezamenlijk met de minderjarigen - onafgebroken - verbleven in [plaats], in een luxe woning voorzien van alle gemakken. Partijen hebben ongeveer zes jaren in Suriname verbleven en zij zijn na de vestiging in Suriname slechts eenmaal met de minderjarigen naar Nederland terug gekomen. De vader heeft in Suriname een goede baan en is in staat financieel goed voor de minderjarigen te zorgen en de moeder had in ieder geval gedurende vijf jaren daar een (goedlopend) bedrijf. Partijen hebben een uitgebreide familie in Suriname, bestaande uit oma, ooms en tantes, nichtjes en neefjes. De minderjarigen volgen in Suriname onderwijs, waar zij goede cijfers halen, en zij spreken vloeiend Nederlands en Engels en zij verstaan goed Surinaams. Ook beoefenen de minderjarigen daar een sport; [minderjarige 1] voetbalt en [andere minderjarigen] volgen paardrijlessen. De [andere minderjarigen] volgen daarnaast op schilder- en danslessen. De door de moeder aangevoerde omstandigheden en de door haar gestelde intentie van partijen (in ieder geval haar intentie) kunnen er naar het oordeel van het hof niet aan afdoen dat aannemelijk is dat partijen er bewust voor hebben gekozen om vanaf het moment van de verhuizing in 2008 in Suriname woonachtig te zijn en aldaar hun gewone verblijfplaats te hebben. In de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is geen aanknopingspunt te vinden voor de stelling van de moeder, inhoudende dat partijen slechts een tijdelijke (re-)emigratie voor ogen hadden. Dit leidt er op zich zelf genomen ook niet toe dat de gewone verblijfplaats niet in Suriname is komen te liggen.

Toestemming van de vader voor overbrenging naar Nederland?

16. De omstandigheid, dat de vader in april 2014 zijn instemming heeft verleend aan onderzoek van [minderjarige 2] in Nederland en het feit dat de zorg in Nederland beter zou zijn dan in Suriname, kunnen vorenstaande niet anders maken. Deze omstandigheid past immers evengoed bij de door de vader gestelde intentie dat [minderjarige 2] met de moeder en de andere minderjarigen tijdelijk voor onderzoek in Nederland zouden verblijven om alhier van de verleende zorg te kunnen profiteren. Het betreft slechts een door de vader gegeven reistoestemming voor de minderjarigen naar het buitenland met een specifiek doel. Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd brengt mee dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland in Suriname was gelegen.

Slotsom ten aanzien van artikel 3 HKOV

17. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Suriname was gelegen voor hun overbrenging naar Nederland, niet is komen vast te staan dat de vader toestemming heeft verleend voor een (min of meer) permanent verblijf van de minderjarigen in Nederland en de overbrenging is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader, is de overbrenging ongeoorloofd in de zin van artikel 3 HKOV.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 lid 1 van het HKOV

18. Tussen partijen is niet in geschil dat er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van het indienen van het verzoek bij de rechtbank zodat op grond van artikel 12 lid 1 van het HKOV terugkeer van de minderjarigen dient te worden gelast, tenzij sprake is van een of meerdere weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 13 van het HKOV.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het HKOV (ernstig risico van lichamelijk of geestelijk gevaar)

19. De moeder betoogt dat er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen door hun terugkeer worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht. Deze ondragelijke toestand bestaat uit de volgende onderdelen:

a. de minderjarigen zullen zonder hun moeder terug naar Suriname moeten en langdurig worden gescheiden van hun primaire verzorgingsouder;

b. de vader is alsdan niet in staat om alleen voor de minderjarigen te zorgen;

c. de vader kan de minderjarigen geen veilige omgeving bieden, mede vanwege zijn geestelijke stoornis en alcohol- en drugsgebruik;

d. de onveilige situatie in [plaats], en

e. het onderwijsniveau in Suriname.

Ad a. De moeder stelt dat de vader wel degelijk aangifte heeft gedaan van internationale ontvoering tegen de moeder in Suriname als gevolg waarvan een niet te verwaarlozen risico bestaat dat de moeder bij teruggeleiding van de minderjarigen naar Suriname langdurig van de minderjarigen zal worden gescheiden. Verder is de moeder - indien zij mogelijk toch naar Suriname terug zou kunnen - niet in staat om in haar onderhoud en in dat van de minderjarigen te voorzien. Het productiebedrijf ‘Infocus’ van de moeder is doodgebloed. Hoewel zij sinds mei 2013 tot haar vertrek in juli 2014 naar Nederland heeft gezocht naar een baan in [plaats], is het haar niet gelukt daar een bestendig dienstverband te vinden. De moeder betwist dat de vader haar bij een terugkeer naar Suriname daadwerkelijk zo nodig financieel zal bijstaan en dat zij via zijn netwerk aldaar eenvoudig aan een baan kan komen. Tot slot zullen de minderjarigen bij een teruggeleiding naar Suriname worden gescheiden van de primair verzorgende ouder, namelijk de moeder, zo stelt zij.

Ad b. De vader kan niet voorzien in een ondersteunende opvoedingsstructuur en hij kan geen adequate verzorging aan de minderjarigen bieden, aldus de moeder. Zo heeft de vader de minderjarigen tot de dag van vandaag niet verzekerd tegen ziektekosten in Suriname. Door zijn voltijdsbaan kan de vader daarnaast onvoldoende toezicht houden op de minderjarigen, zodat het opvoeden van de minderjarigen en de dagelijkse verzorging hoogstwaarschijnlijk op de schouders van zijn 73-jarige moeder zouden komen en/of de hulp in de huishouding, [naam 2]. Daarbij komt dat de vader afspraken met de minderjarigen regelmatig niet nakomt. Het beetje sociale steun en stabiliteit dat de minderjarigen hadden in Suriname, te weten de zus van de moeder en haar gezin, heeft de vader de das omgedaan door zijn waanideeën dat de zus van de moeder de auto van de moeder zou hebben ontvreemd. Verder hebben de minderjarigen geen familie meer in Suriname. Ook biedt de vader de minderjarigen geen adequaat voorbeeldgedrag.

Ad c. Het huwelijk van partijen en het gezin hebben volgens de moeder de laatste jaren zwaar geleden onder het gebrek aan financiële middelen, de steeds erger wordende agressiviteit van de vader jegens de moeder en de minderjarigen, de neerslachtigheid van de vader, zijn geestelijke stoornis en zijn alcohol- en drugsgebruik. De moeder uit verschillende beschuldigingen aan het adres van de vader. De minderjarigen zijn aangemeld bij de RIAGG en inmiddels geregistreerd bij KOPP (Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problematiek). Uit een gesprek van de minderjarigen met mevrouw [naam 3], orthopedagoog/gezinstherapeut verbonden aan [praktijk 2], blijkt onder meer dat de minderjarigen angstig voor de vader zijn en voor zijn schelden en schreeuwen. Ook zijn de minderjarigen getuige geweest van mishandeling van de moeder door de vader. De oudste minderjarige heeft geïnformeerd hoe het voelt om zelfmoord te plegen; de moeder is bang hiervoor, aangezien zelfdoding in de familie van de vader vaker is voorgekomen.

Ad d. De criminaliteit in [plaats] neemt schrikbarend toe.

Ad e. In Nederland worden de minderjarigen bijgeschoold voor een schoolachterstand. Van belang is dat de vader zelf niet tevreden was over de kwaliteit van de oude school en [minderjarige 1] had aangemeld voor een andere school.

20. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd weersproken.

21. Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondraaglijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het HKOV brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

22. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden geoordeeld dat in de onderhavige zaak geen sprake is van het bestaan van een ernstig risico dat de minderjarigen door hun terugkeer naar Suriname worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht. Het hof onderschrijft deze motivering door de rechtbank en sluit zich daarbij aan. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat het de door de vader gegeven verklaring - daarnaar bevraagd door het hof - van zijn psychische problemen in het verleden, inhoudende dat deze waren ingegeven door de zelfdoding van zijn broer in 2011 en de afwikkeling en nasleep hiervan, aannemelijk (en begrijpelijk) acht. Dat er sprake zou zijn van meer, andere, of ernstiger psychische klachten is niet komen vast te staan. Daar komt bij dat - zoals door de vader onweersproken is verklaard ter terechtzitting - de vader tijdens het huwelijk van partijen een groot deel van de zorg van de minderjarigen op zich heeft genomen in verband met de werkzaamheden van de moeder buitenshuis. Zelfs op het moment dat het tussen partijen al niet meer goed ging, heeft de vader ook tweemaal gedurende een periode van ongeveer vijf dagen alleen voor de minderjarigen gezorgd, omdat de moeder op die momenten om verschillende redenen in Nederland verbleef. Door de moeder is niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de vader de minderjarigen toen niet adequaat heeft verzorgd. Daarnaast heeft geen van de minderjarigen tijdens de kindgesprekken melding gemaakt van enig agressief gedrag van de vader jegens hen. Voorts is niet gebleken dat zij door hun terugkeer op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht. Wel is gebleken dat de minderjarigen last ondervinden van de (echtscheidings) situatie en de hevige strijd tussen hun ouders. In dit kader neemt het hof in aanmerking dat in Suriname, evenals in Nederland, adequate hulpverlening voor de minderjarigen als ook voor de moeder te verkrijgen is. Immers, de ouders waren al vóór het vertrek van de moeder met de minderjarigen naar Nederland in juli 2014 onder begeleiding van een neuropsychologe in gesprek met elkaar om te komen tot een zorgregeling voor de minderjarigen, welke neuropsychologe ook met de minderjarigen zou gaan praten. Het hof benadrukt dat het de bodemrechter in het land van de gewone verblijfplaats is, die moet beslissen welke voorzieningen na de echtscheiding van de vader en de moeder het meest in het belang van de minderjarigen zijn.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het HKOV (verzet)

23. De moeder betoogt dat de minderjarigen voorafgaand aan het kindgesprek bij de rechtbank in de veronderstelling waren dat hun wens om niet terug te hoeven keren naar Suriname, door hen duidelijk was uitgesproken. Daardoor hebben zij zich ten overstaan van de rechters niet expliciet negatief uitgelaten over een terugkeer naar Suriname, zeker nu de vader de minderjarigen daags voor het verhoor, toen de minderjarigen bij hem waren, keer op keer alle positieve dingen aan Suriname nog eens in herinnering heeft gebracht. De minderjarigen zien voor zichzelf echter alleen een toekomst in Nederland. Niet alleen vanwege de problematiek tussen de ouders, maar omdat zij inmiddels zelf ook hebben ervaren dat het leven in Nederland - zonder de dagelijkse psychische druk van de vader - fijner is. Het verzet van de minderjarigen strekt zich dan ook verder uit dan hun wens om bij de moeder te blijven. Voor de minderjarigen is het leven in Suriname zodanig verweven met en beïnvloed door de vader, dat de minderjarigen zich niet alleen verzetten tegen de terugkeer naar Suriname, maar evenzeer tegen hereniging met de vader.

De moeder bemerkt daarnaast een positieve ontwikkeling van de minderjarigen in de afgelopen maanden in Nederland. De moeder verzoekt uitdrukkelijk dat voor zover er bij tenminste één van de drie minderjarigen duidelijk verzet tegen terugkeer naar Suriname blijkt en geen duidelijk verzet lijkt bij één of meer van de andere minderjarigen, het verzet van dit ene kind ook als voldoende grond te achten van de teruggeleiding van alle minderjarige te weigeren (in lijn met de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 20 maart 2012, JPF 2013, 15).

24. De vader stelt zich vooreerst op het standpunt dat de minderjarigen nog niet de mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. De vader is daarnaast van mening dat, indien de moeder stelt dat de minderjarigen zich thans verzetten tegen terugkeer, dit geen mening is die de minderjarigen uit eigen vrije wil verkondigen, maar een mening die onder invloed van de moeder tot stand is gekomen.

25. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 13 lid 2 van het HKOV de rechter niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien hij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

26. Het hof overweegt als volgt. De minderjarigen zijn in raadkamer door het hof gehoord. Het hof heeft ter zitting van deze kindgesprekken uitgebreid verslag gedaan. Het hof is ten aanzien van de minderjarigen van oordeel dat zij allen een leeftijd en mate van rijpheid hebben bereikt die rechtvaardigt dat met hun mening rekening wordt gehouden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het weliswaar niet onmogelijk is dat sprake is van enige invloed van de moeder, doch dat aannemelijk is dat de minderjarigen, gezien hun leeftijd, in staat zijn zich een eigen mening te vormen. De minderjarigen konden zich verbaal goed uitdrukken, hun gedachten en gevoelens toereikend onder woorden brengen, zij waren consistent in hun verhaal en zij kwamen het hof in hun bewoordingen leeftijdsadequaat voor.

27. Het hof is van oordeel dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 2 van het HKOV niet opgaat. Het hof is gebleken dat de minderjarigen veel verdriet hebben en de dupe zijn van de zich verhardende echtscheidingsstrijd tussen de ouders. Sprake is van een ernstige conflictsituatie rondom de echtscheiding waarin de minderjarigen zichtbaar klem en verloren zijn geraakt. Het hof heeft begrepen dat de grond van het verzet van de minderjarigen voornamelijk is gelegen in het loyaliteitsconflict waarin de minderjarigen zijn beland als gevolg van die strijd tussen de ouders en hun wens om bij de moeder te blijven. Voor zover die wens al als verzet in de zin van voormelde weigeringsgrond mag worden geduid, is het hof op basis van de met de drie minderjarigen individueel gevoerde gesprekken van oordeel dat de minderjarigen die wens enkel hebben geuit omdat zij zich daartoe in de huidige - door de moeder veroorzaakte - situatie gedwongen hebben gevoeld. Het hof is dan ook van oordeel dat het verzet van de minderjarigen, voor zover daarop gegrond, onvoldoende weegt om hun terugkeer naar Suriname te weigeren. De (overige) door de minderjarigen geuite bezwaren, zoals onder meer de betere kwaliteit van de scholen, zijn aan te merken als een wens om liever in Nederland te blijven, aangezien zij dit soort zaken in Nederland beter geregeld vinden. Dat de minderjarigen een voorkeur hebben voor een verblijf bij de moeder in Nederland boven een terugkeer naar Suriname, maakt niet dat sprake is van verzet tegen terugkeer. Uit hun verklaringen komt namelijk ook naar voren dat zij het in Suriname, vóórdat alle echtscheidingsproblemen tussen de ouders begonnen, naar hun zin hadden.

28. Nu geen sprake is van één of meer van de in artikel 13 van het HKOV genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen.

29. Het hof zal, conform het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, de afgifte van de minderjarigen, met eventueel de benodigde reisdocumenten, aan de vader bevelen voor het geval de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Suriname en wel uiterlijk op 29 oktober 2014.

Het EVRM en het IVRK

30. De moeder stelt zich op het standpunt dat sprake is van strijd met het EVRM en/of het IVRK. De moeder betoogt dat de vader geen garantie tot het opgroeien in een “gezonde” omgeving aan de minderjarigen kan bieden, in tegenstelling tot de moeder, die dat wel kan. Bij teruggeleidingszaken dienen ten alle tijden alle belangen inhoudelijk te worden gewogen, als gevolg van de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de Mens in onder meer Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland.

31. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd weersproken.

32. Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen. Ook anderszins is het hof niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarigen dat ook in zaken van internationale kinderontvoering voorop staat. Dit belang strekt er enerzijds toe dat het kind zo snel mogelijk wordt herenigd met zijn ouders zodat de ene ouder niet een onredelijk voordeel zal behalen uit tijdsverloop en anderzijds te verzekeren dat zijn/haar ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving. Uit de stukken blijkt dat de vader betrokken is bij de minderjarigen. Daarnaast is niet gebleken dat bij terugkeer van de minderjarigen de vader niet in staat zou zijn om de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen. Bovendien kan de moeder met de minderjarigen gezamenlijk terugkeren naar Suriname. Dat de moeder thans geen huisvesting en inkomen in Suriname zou hebben, betekent niet dat zij die niet in de toekomst kan verwerven. In het geval de moeder niet met de minderjarigen naar Suriname zal terugkeren, ziet het hof dit als een eigen (vrijwillige) keuze van de moeder, nu er zijdens de moeder geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die er aan in de weg staan dat de moeder met de minderjarigen naar Suriname verhuist. Het hof verwijst in dit verband ook naar hetgeen het aan het slot van vorenstaand punt 22 hierover heeft overwogen.

Raadsonderzoek

33. Voor het door de moeder verzochte raadsonderzoek, welk verzoek overigens op geen enkele wijze is onderbouwd, is in het kader van deze (spoed)procedure in beginsel geen plaats en ook overigens is het hof niet gebleken van het bestaan van enige noodzaak tot een dergelijk onderzoek.

Proceskosten

34. De vader stelt dat de door hem gemaakte kosten, net als bij de rechtbank, ook in het kader van het hoger beroep dienen te worden vergoed. Deze kosten in hoger beroep bestaan volgens de vader uit de kosten van zijn procesvertegenwoordiging bij het hof van € 3.500,--, het griffierecht van € 308,-- en de reis- en verblijfkosten van € 906,23 en € 257,12, in totaal een bedrag van € 4.971,35.

35. Het hof overweegt dat ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, voor zover hier van belang, de rechter desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, kan veroordelen tot betaling aan de centrale autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.

36. Het hof is van oordeel dat de vader zijn verzoek om de moeder te veroordelen in de door hem gemaakte kosten in hoger beroep voldoende heeft onderbouwd. De moeder heeft de hoogte van dit bedrag ook niet weersproken. Gelet hierop zal het hof conform het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering de moeder veroordelen tot betaling van de door de vader in hoger beroep gemaakte kosten.

37. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met dien verstande dat ten aanzien van de datum van terug geleiding wordt beslist als volgt:

gelast de onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats 1], [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2002 te [geboorteplaats 2], en [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats 3], naar Suriname, uiterlijk op 29 oktober 2014, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Suriname en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar Suriname, dat de moeder de minderjarigen met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 29 oktober 2014, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Suriname;

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem gemaakte kosten in hoger beroep in verband met de ontvoering en teruggeleiding ter hoogte van € 4.971,35,-- (vierduizendnegenhonderdeenenzeventig euro en vijfendertig eurocent);

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Labohm en Van Kempen, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 oktober 2014.