Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3707

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
200.141.054/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 17 september 2014

Zaaknummer : 200.141.054/01

Rekestnummer rechtbank : F1 RK 12-4600

Zaaknummer rechtbank : C/10/415425

[verzoekster],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. L.E.M. Elbertse te Waddinxveen,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats 2],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 28 januari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 oktober 2013 van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam.

De man heeft op 13 maart 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 18 april 2014 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 8 april 2014 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 30 juni 2014 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 30 juni 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 11 juli 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2002 gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juni 2013 wordt bepaald op nihil. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, hierna ook partneralimentatie.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen.

3. De man verweert zich daartegen en verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw in dit hoger beroep af te wijzen en in (partieel) incidenteel hoger beroep bij beschikking in hoger beroep, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor zover ter beoordeling aan het hof voorgelegd, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de wijziging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage naar nihil ingaat op 1 januari 2013.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen.

5. De vrouw stelt dat bij beschikking van 1 juli 2002 een partneralimentatie is vastgesteld van € 3.781,50 per maand en per 1 juli 2003 van € 4.537,80 per maand. Later hebben partijen een nadere overeenkomst gesloten over de partneralimentatie. Hierin is overeengekomen dat de man de door hem te betalen partneralimentatie zal doorbetalen tot 10 april 2014. Deze overeenkomst is opgenomen in een proces-verbaal van 11 oktober 2011 en dient te worden aangemerkt als een wijziging van de beschikking van 1 juli 2002. Gelet op deze wijziging was de beschikking van 1 juli 2002 na 11 oktober 2011 niet langer bepalend voor de alimentatieverplichting. Het wijzigen van de beschikking van 1 juli 2002 door de rechtbank, zonder wijziging van de alimentatieovereenkomst van 11 oktober 2011 leidt derhalve niet tot een wijziging van de partneralimentatie. Voor zover het hof van oordeel is dat de beschikking van 1 juli 2002 nog wel bepalend was voor de alimentatieverplichting stelt de vrouw dat deze niet kan worden gewijzigd op grond van een enkele wijziging van omstandigheden, omdat partijen bij het sluiten van de alimentatieovereenkomst zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

6. Ten aanzien van de overeenkomst van 11 oktober 2011 stelt de vrouw dat deze dient te worden begrepen als een overeenkomst die een definitief einde maakt aan alle geschillen tussen partijen. De conclusie moet derhalve zijn dat deze overeenkomst een niet-wijzigingsbeding ter zake van de partneralimentatie inhoudt. Een wijziging van het inkomen van de man dient derhalve geen rol te spelen bij het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie. Bovendien is een beroep op een wijziging van omstandigheden naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar nu de vrouw mocht vertrouwen op het inkomen uit partneralimentatie en zij haar lasten hierop heeft afgestemd.

7. De man heeft het verzoek van de vrouw gemotiveerd bestreden.

Partneralimentatie vatbaar voor wijziging?

8. Het hof overweegt als volgt. Bij overeenkomst van 11 oktober 2011 zijn partijen overeengekomen dat de man de reeds eerder overeengekomen partneralimentatie zal voldoen tot 10 april 2014. Deze overeenkomst betreft een nadere uitwerking van de op 1 juli 2002 overeengekomen partneralimentatie. Voor de beoordeling van het verzoek van de man strekkende tot wijziging van de partneralimentatie dient deze aldus te worden getoetst aan de overeenkomst van 11 oktober 2011 alsmede aan de beschikking van 1 juli 2002 die daaraan ten grondslag lag.

9. Bij een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan worden bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden overeengekomen. Het hof stelt vast dat in de tussen partijen getroffen regeling, zoals opgenomen in het proces-verbaal van 11 oktober 2011, ter zake van de partneralimentatie slechts is opgenomen dat de man de partnerbijdrage zal doorbetalen tot 10 april 2014. Er is in de regeling geen bepaling opgenomen dat de man niet kan verzoeken om een verlaging van de partneralimentatie dan wel enige andere regeling die duidt op een niet-wijzigingsbeding. De overeenkomst is aldus voor wijziging vatbaar.

10. Ter zake van de stelling van de vrouw dat partijen bij het vaststellen van de hoogte van de partneralimentatie bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft nagelaten inzicht te verschaffen in wat de hoogte van de partneralimentatie conform de wettelijke maatstaven had moeten zijn. Nu de vrouw dit niet heeft gedaan, kan het hof geen oordeel geven over de vraag of partijen welbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en kan derhalve ook niet toetsen of de door de man gestelde wijziging van omstandigheden een belemmering vormt tot wijziging van de partneralimentatie. De grief van de vrouw faalt.

11. Gelet op het vorenstaande is de bij beschikking van 1 juli 2002 vastgestelde partneralimentatie vatbaar voor wijziging en zal het hof thans overgaan tot beoordeling van de draagkracht van de man teneinde te bezien of sprake is van een wijziging van omstandigheden.

12. Het hof stelt vast dat de omvang van het geschil zich beperkt tot de periode van november 2012 tot 10 april 2014, aangezien de verplichting tot levensonderhoud, gelet op de afspraak tussen partijen, eindigt op deze datum.

Draagkracht man

13. De vrouw stelt dat de man, ondanks het feit dat hij niet langer als [beroep] werkzaam is, nog altijd inkomen heeft, danwel had kunnen hebben nu zijn inkomensverlies, gelet op de schorsing van de man, verwijtbaar is. Voorts beschikt de man over diverse polissen, waarvan een aantal inmiddels tot uitkering moet zijn gekomen, aldus de vrouw. Tevens is de man betrokken bij de [stichting] en ontvangt hij wellicht nog inkomen als werknemer van zijn [bedrijf] Tot slot heeft de man huurinkomsten uit de woning aan de [adres].

14. De man heeft gemotiveerd verweer vervoerd en gesteld dat hij sinds november 2012 geen enkele draagkracht meer heeft.

15. Het hof overweegt als volgt. De man was als [beroep] werkzaam in het [naam] ziekenhuis. Dit ziekenhuis is in 2012 in staat van faillissement geraakt nadat de inspectie voor de gezondheidszorg zorgen heeft geuit over de maatschap cardiologie en als gevolg waarvan dit specialisme niet meer mocht worden uitgeoefend. Dit heeft ertoe geleid dat de man geen inkomen als [beroep] meer heeft kunnen realiseren met ingang van 13 november 2012. Door de vrouw is gesteld dat dit inkomensverlies verwijtbaar is en derhalve buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het hof is echter van oordeel dat de verwijtbaarheid aan de zijde van de man niet is komen vast te staan. Zo zijn er tegen de man geen tuchtklachten ingediend en kan derhalve geen verwijtbaarheid worden aangenomen. Het hof zal derhalve rekening houden met het door de man gestelde inkomensverlies.

16. De man was niet rechtstreeks in dienst bij het [naam] Ziekenhuis, maar liet zich inhuren door tussenkomst van de [bedrijf]. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de man over de periode van 12 november 2012 tot 10 april 2014 geen inkomen uit de b.v. heeft ontvangen. Tevens blijkt uit de fiscale aangifte 2012 een schuld aan de besloten vennootschap van ruim één miljoen euro als gevolg van een rekening- courantschuld die niet is gedekt. De woning in [plaats] is belast met een hogere hypotheek dan de waarde van de woning evenals de woning aan de [adres]. Alle stukken overziend kan feitelijk worden vastgesteld dat de man materieel in staat van faillissement verkeert. Door de vrouw is ter zitting nog opgeworpen dat de man beschikt over diverse polissen. Door het hof is de man ter zitting expliciet naar de polissen gevraagd. De man heeft gemotiveerd gesteld dat deze polissen ofwel niet langer bestonden, ofwel dat hij daar geen inkomsten uit ontvangt. Het hof acht, mede bezien de hele context, aannemelijk dat de man geen inkomen ontvangt uit deze polissen.

17. Gelet op het vorenstaande is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de man met ingang van 12 november 2012 niet langer beschikt over draagkracht om enig bedrag aan partneralimentatie te voldoen en derhalve sprake is van een wijziging van omstandigheden die met zich brengt dat de bij beschikking van 1 juli 2002 en overeenkomst van 11 oktober 2011 overeengekomen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel kunnen leiden.

Ingangsdatum

18. De man heeft in incidenteel appel verzocht de nihilstelling van de partneralimentatie in te laten gaan met ingang van 1 januari 2013, nu de vrouw vanaf deze datum er rekening mee had kunnen houden dat de alimentatie zou wijzigen en de man vanaf voornoemde datum de partneralimentatie geheel uit zijn vermogen heeft voldaan. De vrouw heeft zich hiertegen verweerd en gesteld dat, gelet op het consumptieve karakter van de partneralimentatie, in redelijkheid van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij enig bedrag aan de man terugbetaalt.

19. Het hof overweegt dat de rechter bij wijziging van een partneralimentatie vrij is de ingangsdatum te bepalen. De rechter dient echter in zijn algemeenheid van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken.

Gelet op het consumptieve karakter van de partneralimentatie, dient terughoudendheid te worden getracht. Tussen partijen staat onbestreden vast dat de man de partneralimentatie tot 1 juni 2013 heeft voldaan. Gezien de moeilijke financiële situatie van de vrouw en de onweersproken stelling van de vrouw dat zij de door de man betaalde partneralimentatie heeft geconsumeerd, kan van de vrouw in redelijkheid niet gevergd worden dat zij dit bedrag aan de man terugbetaalt. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding de nihilstelling op een eerdere datum in te laten gaan dan door de rechtbank is bepaald.

20. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof zal beslissen als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BERO EP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 1 juli 2002 van de rechtbank Rotterdam alsmede met wijziging van de overeenkomst tussen partijen zoals opgenomen in het proces-verbaal van 11 oktober 2011 - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van 1 juni 2013op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Mulder, bijgestaan door mr. Braat, als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2014.

.