Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3705

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
200.138.444/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Huwelijk moeder is een wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft tot heroverweging kinderalimentatie. Draagkrachtvergelijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 juli 2014

Zaaknummer : 200.138.444/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-3039

Zaaknummer rechtbank : C/10/422451

[verzoeker],

wonende te[woonplaats 1],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,

tegen

1. [verweerster 1],

wonende te [woonplaats 2],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. van de Kreeke te Spijkenisse,

2. [verweerder],

wonende te [woonplaats 3],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen:[verweerder],

advocaat mr. J. van de Kreeke te Spijkenisse,

3. [verweerster 2],

wonende te[woonplaats 4],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerster 2].


PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 9 december 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 september 2013 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw en [verweerder] hebben op 30 januari 2014 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    op 24 december 2013 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 10 april 2014 een brief van 9 april 2014 met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw en [verweerder]:

- op 18 april 2014 een V-formulier van 17 april 2014 met bijlagen.

De zaak is op 1 mei 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw en [verweerder], bijgestaan door hun advocaat;

- [verweerster 2].

Beide advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de man:

- 13 mei 2014 een brief van diezelfde datum met als bijlage V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw en[verweerder]:

- op 12 mei 2014 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 23 mei 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2004 – de aan de man opgelegde kinderbijdrage met ingang van
27 maart 2013 op nihil bepaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds minderjarige [verweerster 2] en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de thans jongmeerderjarigen[verweerder] en [verweerster 2] (hierna te noemen: de onderhoudsbijdragen).

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover die beschikking betrekking heeft op de periode van 1 juli 2012 tot 27 maart 2013 en, uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de door de man in de periode van 1 juli 2012 tot 27 maart 2013 aan de vrouw en [verweerder] te betalen onderhoudsbijdragen op nihil zullen worden gesteld. Subsidiair verzoekt de man het hof de onderhoudsbijdragen in die periode vast te stellen op de bedragen die de man tot 27 maart 2013 feitelijk aan de vrouw heeft voldaan, althans de onderhoudsbijdragen in die periode vast te stellen op een zodanig bedrag als het hof redelijk en billijk acht.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn grief af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij het hof de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de man in eerste aanleg af te wijzen, althans te bepalen dat de man met ingang van 27 maart 2013 een onderhoudsbijdrage verschuldigd is als het hof in redelijkheid kan vaststellen, en de man, zowel in het principale als in het incidentele hoger beroep, te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de vrouw desgevraagd verklaard dat het verzoek van de vrouw inhoudt dat de onderhoudsbijdragen ten behoeve van [verweerder] en [verweerster 2] ook na 2013 ongewijzigd zullen doorlopen, derhalve tot 2 september 2013 voor [verweerster 2] en tot 21 augustus 2014 voor [verweerder].

Wijziging van omstandigheden

5. Het hof stelt vast dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze wijzigingsgrond is er in gelegen dat de huidige partner van de vrouw – door het huwelijk tussen hem en de vrouw – inmiddels onderhoudsplichtig is geworden voor de kinderen.

6. Nu zich een wijzigingsgrond als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW voordoet, zal het hof beoordelen of de door de man te betalen onderhoudsbijdrage nog voldoet aan de wettelijke maatstaven, rekening houdende met alle ter zake dienende omstandigheden.

Ingangsdatum

7. De man stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum voor de door hem te betalen bijdrage dient te worden vastgesteld op 1 juli 2012, omdat hij vanaf deze datum onvoldoende draagkracht heeft om de onderhoudsbijdragen te voldoen als gevolg van een inkomensverlaging aan zijn zijde. De vrouw en[verweerder] hadden vanaf deze datum rekening met een eventuele wijziging van de onderhoudsbijdragen kunnen houden, nu hij vanaf deze datum feitelijk is gestopt met betalen. Dat de man de wijzigingsprocedure pas op 27 maart 2013 aanhangig heeft gemaakt, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat zijn jaarstukken pas na afloop van het boekjaar konden worden opgemaakt. Na het verwerken van de jaarcijfers door de boekhouder, heeft de man zo snel mogelijk het wijzigingsverzoek ingediend. Een wijziging met terugwerkende kracht brengt – nu hij na 1 juli 2012 geen onderhoudsbijdragen meer heeft voldaan – bovendien niet met zich mee dat de vrouw en [verweerder] onderhoudsbijdragen moeten terugbetalen. Tot slot wijst de man erop dat zich aan de zijde van de vrouw ook relevante wijzigingen hebben voorgedaan. De vrouw is reeds vier jaar geleden opnieuw gehuwd, waardoor sprake is van een onderhoudsplichtige stiefouder. Hierdoor hadden de onderhoudsbijdragen al eerder opnieuw moeten worden herberekend, aldus de man.

8. De vrouw en [verweerder] hebben de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Zij voeren aan dat in de jurisprudentie is bepaald dat in het algemeen als uitgangspunt dient te gelden dat de rechter een behoedzaam gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot wijziging van een onderhoudsbijdrage over een periode in het verleden. Behoudens bijzondere omstandigheden is het gebruikelijk dat de ingangsdatum van de alimentatiewijziging wordt bepaald door de datum van indiening van het wijzigingsverzoek. Dat een onderhoudsplichtige op enige moment stopt met betalen, maakt dat volgens de vrouw en[verweerder] niet anders. Het gaat er om dat de onderhoudsgerechtigde redelijkerwijs rekening heeft kunnen en moeten houden met een eventuele wijziging van de te ontvangen onderhoudsbijdrage. Verder zijn de vrouw en [verweerder] van mening dat het aan de man zelf te wijten is dat hij niet eerder dan op 27 maart 2013 de wijzigingsprocedure is gestart. Tot slot betwisten de vrouw en [verweerder] dat de man er niet van op de hoogte zou zijn geweest dat de vrouw vier jaar geleden opnieuw is gehuwd. [verweerster 2] heeft gesteld, zich te verenigen met het standpunt van de vrouw en van [verweerder].

9. Het hof overweegt als volgt. Bij het wijzigen van een uitspraak betreffende een onderhoudsbijdrage is de rechter vrij de ingangsdatum van de wijziging te bepalen en kan de ingangsdatum aldus ook worden vastgesteld op een dag gelegen voor de datum van het indienen van het verzoekschrift. Nu de vrouw en haar huidige partner reeds op 1 juli 2012 waren gehuwd en de huidige partner van de vrouw dientengevolge onderhoudsplichtig jegens [verweerder] en [verweerster 2] is geworden, bestaat naar het oordeel van het hof aanleiding de ingangsdatum van de wijziging te bepalen op 1 juli 2012.

Behoefte van de kinderen

10. De behoefte van [verweerder] en [verweerster 2] van € 250,- per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering, staat tussen partijen niet ter discussie, zodat het hof deze als vaststaand beschouwt. Dit betekent dat per 1 januari 2012 de behoefte van [verweerder] en [verweerster 2] € 288,25 per maand per kind bedraagt.

Verdeling van de kosten van de kinderen

11. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw reeds in 2009 opnieuw is gehuwd met de heer[naam](hierna: stiefvader). Ingevolge de artikelen 1:395 en 1:395a BW is een stiefouder verplicht gedurende zijn huwelijk levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende minderjarige en jongmeerderjarige kinderen van zijn echtgenoot. De huidige echtgenoot van de vrouw is derhalve – naast de vrouw en de man – onderhoudsplichtig jegens [verweerder] en [verweerster 2]. Er bestaat in beginsel geen rangorde tussen deze onderhoudsplichtigen, behoudens in het geval van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het hof is van bijzondere omstandigheden echter niet gebleken.

12. Het voorgaande betekent dat de man, de vrouw en de stiefvader onderhoudsplichtig zijn. De omvang van ieders onderhoudsverplichting wordt onder meer bepaald door ieders draagkracht. Het hof zal derhalve ter beantwoording van de vraag wie welk deel in de kosten van de kinderen moet dragen, de draagkracht van de man, de vrouw en de stiefvader met elkaar vergelijken en de behoefte van de minderjarigen naar rato van ieders draagkracht verdelen.

Draagkracht van de man

13. De man stelt zich op het standpunt dat hij sinds 1 juli 2012 geen draagkracht meer heeft voor de betaling van onderhoudsbijdragen. Hij voert daartoe aan dat hij vanaf 2007 tot juli 2012 als zelfstandig ondernemer werkzaam was in de bouw. Na het wegvallen van die werkzaamheden is de man een half jaar werkloos geweest. Sinds januari 2013 verricht hij koeriers- en chauffeurswerkzaamheden, eveneens als zelfstandig ondernemer. Zijn inkomen is daarmee substantieel afgenomen, aldus de man.

14. De vrouw en [verweerder] stellen dat rekening moet worden gehouden met de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2011, 2012 en 2013. Daarnaast is er volgens hen geen aanleiding aan te nemen dat het inkomen van de man in 2013 ten opzichte van 2012 is gedaald, omdat de man tot op heden als zelfstandige bij [bedrijf 1] aan het werk is.

15. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man zal het hof – gelet op de door de man gestelde inkomensachteruitgang – uitgaan van twee verschillende perioden, te weten de periode vanaf 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 en de periode vanaf 1 januari 2013.

Periode vanaf 1 juli 2012 tot 1 januari 2013

16. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met een winst uit onderneming van € 47.317,- per jaar, die blijkt uit de door de man overgelegde jaarrekening 2012 (productie 8 behorende bij de brief van 10 juli 2013). Het hof ziet, anders dan de vrouw en [verweerder] betogen, geen aanleiding uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2011, 2012 en 2013, nu de aard van werkzaamheden van de man vanaf 1 juli 2012 is gewijzigd. Voorts houdt het hof rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting.

17. Voorts houdt het hof aan de lastenzijde van de man rekening met een – niet door de vrouw en [verweerder] betwiste – premie zorgverzekering van € 104,- per maand.

18. Daarnaast houdt het hof rekening met de (aftrekbare) hypotheekrente van € 933,- per maand, de eigenaarslasten van € 95,- per maand en een eigenwoningforfait van € 1.338,- per jaar. De stelling van de vrouw en [verweerder], dat de man zou samenwonen en daarom zijn woonlasten kan delen, is door de man betwist en onvoldoende door de vrouw en [verweerder] onderbouwd, zodat het hof aan deze stelling voorbijgaat.

19. Voorts zal het hof, anders dan de vrouw en [verweerder] hebben betoogd, rekening houden met de door de man opgevoerde schulden bij de Rabobank en Visa van in totaal € 716,- per maand, nu niet in geschil is dat deze schulden feitelijk bestaan en het vaste rechtspraak is dat bij de bepaling van de draagkracht in beginsel rekening wordt gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. Overigens heeft de man de noodzaak voor het aangaan van die schulden voldoende aannemelijk gemaakt en aangetoond dat hij ook aflossingen verricht op de schulden.

20. Tot slot houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

21. Uit het voorgaande volgt dat de man in de periode van 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 voldoende draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage van € 580,- per maand ten behoeve van de kinderen te betalen.

Periode vanaf 1 januari 2013

22. Het hof overweegt dat de door de man overgelegde financiële stukken omtrent zijn winst uit onderneming niet eenduidig zijn. Zo heeft de man een fiscaal rapport overgelegd (productie 14 behorende bij de brief van 13 mei 2014) over 2013 waarin een winst uit onderneming van € 27.709,- is opgenomen, terwijl uit eenzelfde rapportage (productie 10 behorende bij de brief van 9 april 2014) blijkt dat de winst uit onderneming € 31.230,- bedraagt. Ook heeft de man niet toegelicht waarom hij in 2013 een bedrag van ruim € 50.000,- aan zijn onderneming heeft onttrokken, hetgeen wel op de weg van de man had gelegen. In afwijking van de financiële gegevens uit de voorgaande periode houdt het hof bij de berekening van de draagkracht van de man in deze periode – evenals de rechtbank – in redelijkheid rekening met een winst uit onderneming van € 35.000,- per jaar, nu de man aannemelijk heeft gemaakt dat de winst over dit jaar lager is, maar niet duidelijk is hoeveel de winst heeft bedragen. Het hof ziet geen aanleiding, zoals de man verzoekt, de jaarcijfers van 2014 in de draagkrachtberekening te betrekken, nu dit jaar nog niet is verstreken en de winst uit onderneming over dat jaar geheel op een schatting zou moeten worden gebaseerd.

23. Nu de overige inkomsten en lasten van de man ten opzichte van de voorgaande periode niet zijn gewijzigd, volgt hieruit dat de beschikbare draagkracht van de man € 136,- per maand bedraagt.

Draagkracht van de vrouw

24. Het hof zal bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van twee verschillende periodes (de periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2014 en de periode vanaf 1 maart 2014), nu zij met ingang van 1 maart 2014 haar baan als [bedrijf 2] is kwijtgeraakt en zij vanaf die datum een WW-uitkering ontvangt.

Periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2014

25. Het hof gaat voor deze periode voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een inkomen van € 17.074,- per jaar, hetgeen blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaven over 2012. Voorts houdt het hof rekening met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage zorgverzekering, de arbeidskorting, de algemene heffingskorting, alsmede bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

26. Daarnaast houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de volgende – niet bestreden – lasten: de helft van de (aftrekbare) hypotheekrente van € 761,- per maand, de helft van de eigenaarslasten van € 95,- per maand en de premieziektekostenverzekering van € 133,- per maand. Met de opgevoerde woonlasten ten behoeve van de woning van de vrouw houdt het hof evenals de rechtbank geen rekening, nu deze woning wordt verhuurd voor € 1.100,- per maand.

27. Uit het voorgaande volgt dat de vrouw in de periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2014 geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Periode vanaf 1 maart 2014

28. Voor het inkomen van de vrouw in deze periode zal het hof uitgaan van het inkomen dat blijkt uit de toekenningsbeschikking van het UWV van 25 maart 2014. Blijkens de toekenningsbeschikking heeft de vrouw in de periode van 5 maart 2014 tot 5 mei 2014 een WW-uitkering ontvangen van 75% van het dagloon van € 56,45, zijnde € 42,35 bruto per dag. Vanaf 5 mei 2014 ontvangt zij een WW-uitkering van 70% van het dagloon, zijnde € 39,52 per dag.

29. Voor het overige houdt het hof rekening met de hiervoor in de rechtsoverweging 25 vermelde maandelijkse lasten, alsmede de algemene heffingskorting, de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

30. Gelet op het voorgaande heeft de vrouw ook na 1 maart 2014 geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Draagkracht van de stiefvader

31. Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de stiefvader uit van een inkomen van € 65.108,- per jaar, hetgeen blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaaf 2012 van de stiefvader. Voorts houdt het hof rekening met de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage zorgverzekering, de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, alsmede de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

32. Daarnaast houdt het hof rekening met de helft van de (aftrekbare) hypotheekrente van € 761,- per maand, de helft van de eigenaarslasten van € 95,- per maand en een premie ziektekostenverzekering van € 104,- per maand.

33. Uit het voorgaande volgt dat de stiefvader voldoende draagkracht heeft om met een bedrag van € 1.525,- per maand bij te dragen in de kosten van de kinderen.

Conclusie

34. Gelet op de draagkrachtvergelijking die het hof op basis van het vorenstaande heeft verricht, is het hof van oordeel dat de man de volgende bijdragen ten behoeve van de kinderen dient te voldoen:

- vanaf 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 een bedrag van € 160,- per maand, zijnde € 80,- per kind per maand; en

- vanaf 1 januari 2013 een bedrag van € 47,- per maand, zijnde € 23,50 per kind per maand.

Zoals in de bestreden beschikking is vastgesteld en in hoger beroep niet is bestreden, heeft [verweerster 2] met ingang van 1 september 2013 niet langer behoefte aan een bijdrage. Vanaf dat moment heeft de man meer draagkracht beschikbaar voor [verweerder]. Het hof zal de bijdrage voor [verweerder] per 1 september 2013 vaststellen op € 40, - per maand. Deze onderhoudsbijdrage is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, zodat de bestreden uitspraak wordt vernietigd.

Proceskosten

35. Het hof ziet geen aanleiding de man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. Het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten wordt derhalve afgewezen.

36. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 oktober 2004 – de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de destijds minderjarige [verweerster 2] en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de thans jongmeerderjarigen [verweerder]:

- in de periode van 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 op € 80,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2013 op € 23,50 per maand;

- met ingang van 1 september 2013 op € 40,- per maand;

en voor [verweerster 2]:

- in de periode van 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 op € 80,- per maand;

- met ingang van 1 januari 2013 op € 23,50 per maand;

- met ingang van 1 september 2013 op nihil;

wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Husson en Ibili, bijgestaan door mr. Evertsen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2014.