Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3704

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
200.149.079/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Een zelfstandig verzoek kan op grond van het bepaalde in artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Verzoekster is daarom niet-ontvankelijk in hoger beroep voor zover het de omgangsregeling betreft.

Hof oordeelt dat in belang van ontwikkeling van de minderjarigen is dat voor hen duidelijk wordt dat zij verder elders zullen opgroeien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 2 juli 2014

Zaaknummer : 200.149.079/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 14-44

Zaaknummer rechtbank : C/10/442084

[verzoekster]

wonende te[woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I.M.F. Obers te Nijmegen,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

te Den Haag,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1) de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,

namens Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam,

hierna te noemen: de WSS.

2) de heer[belanghebbende],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen: de vader.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 15 mei 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 februari 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De raad heeft op 13 juni 2014 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 16 juni 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 6 juni 2014 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 18 juni 2014 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 18 juni 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. H.A. Schenken, kantoorgenoot van mr. Obers;

  • -

    de heer [naam 1] namens de raad;

  • -

    mevrouw [naam 2] (gezinsvoogd[minderjarige 1]) en mevrouw [naam 3] (gezinsvoogd[minderjarige 2]) namens de WSS;

  • -

    de vader.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats 1], hierna ook:[minderjarige 1], en

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2004 te[geboorteplaats 2], hierna ook:[minderjarige 2], en

gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, en is vastgesteld dat de vader van rechtswege het eenhoofdig gezag heeft over de minderjarigen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de vader en de moeder zijn van 23 mei 2003 tot 22 maart 2006 gehuwd geweest en zijn de ouders van de minderjarigen;

  • -

    na de echtscheiding hadden de minderjarigen hun gewone verblijfplaats bij de moeder;

  • -

    na de echtscheiding hadden beide ouders het gezag over de minderjarigen;

  • -

    de minderjarigen zijn met ingang van 17 mei 2010 onder toezicht gesteld;

  • -

    de minderjarigen zijn met ingang van 17 mei 2011 uit huis geplaatst;

  • -

    [minderjarige 1] woont sinds oktober 2012 bij de vader;

  • -

    [minderjarige 2] woont met ingang van 17 juni 2011 op een behandelgroep van [naam behandelgroep], een instelling voor kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking en gedragsproblemen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen en de omgang tussen de moeder en de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de raad in zijn verzoek tot ontheffing niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel dat verzoek af te wijzen en te bepalen dat de moeder conform een door het hof in goede justitie vast te stellen frequentie (vrije) omgang zal hebben, zowel met[minderjarige 2] als met[minderjarige 1], kosten rechtens.

3. De raad verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De WSS verzoekt het hof de moeder in het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5. De moeder voert – onder meer – het volgende aan. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geen blijk gegeven, althans onvoldoende, van een zelfstandige beoordeling en motivering. De rechtbank baseert de beoordeling geheel op de standpunten van de raad en de WSS.

De moeder kan zich voorts niet vinden in de overweging van de rechtbank dat de moeder onvoldoende in staat is in het belang van haar kinderen te denken en te handelen hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat zij ongeschikt en onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Ook kan zij zich niet vinden in de beslissing om haar te ontheffen van het gezag over de minderjarigen. De moeder herhaalt haar standpunten zoals weergegeven in de bestreden beschikking en in aanvulling daarop stelt zij dat de gezinsvoogden van de minderjarigen hun gedrag jegens de moeder onderling afstemmen en dat er voor het vermeend seksueel misbruik geen bewijs voorhanden is en geen rol kan of mag spelen in deze procedure. De ontheffing is een buitenproportionele ingreep. De moeder is van mening dat de minderjarigen op termijn weer bij haar kunnen wonen. Zij betoogt dat zij altijd de belangen van de minderjarigen voor die van haar heeft gesteld en dat zij een onvoorwaardelijke liefde heeft voor de minderjarigen. De gestelde onrust en instabiliteit werd veroorzaakt door de echtscheiding tussen de ouders. De moeder betwist dat zij onmachtig en ongeschikt is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen en dat zij onvoldoende blijk geeft van inzicht in de problematiek en de behoefte van de minderjarigen. De moeder is van mening dat er niet naar haar wordt geluisterd en dat zij niet serieus wordt genomen in haar zorg om de minderjarigen. Zij betwist dat zij onvoldoende samenwerkt met de hulpverlening.

Verder stelt de moeder dat de WSS tegen alle adviezen in, ook die van de rechter, de contacten tussen haar en[minderjarige 2] zo mimimaal mogelijk houdt. Als er al contact is tussen moeder en[minderjarige 2] dan wordt een deel van de tijd in beslag genomen door de gezinsvoogd door vragen te stellen aan de moeder. Na het contact worden er allerlei vragen gesteld aan[minderjarige 2]. Dit alles levert een schending op van de privacy van moeder en kind. Ook wordt[minderjarige 2] hierdoor in verwarring gebracht. Volgens de moeder is geen rekening gehouden met de consequentie van de beslissing van de rechtbank, namelijk dat zij niet meer als belanghebbende wordt beschouwd door de omgeving ondanks dat de rechtbank heeft overwogen dat de minderjarigen de moeder onbezwaard moeten kunnen blijven zien. De moeder wordt niet serieus genomen, haar positie is gemarginaliseerd en de verdere verwijdering tussen haar en de minderjarigen is ingezet. De moeder wenst omgang met de minderjarigen, liefst in het bijzijn van een vertrouwenspersoon en zij wil geïnformeerd worden over de minderjarigen.

6. De raad stelt dat de rechtbank zich heeft laten informeren door de WSS en de raad, maar ook door de moeder en haar advocaat. De door de moeder aangedragen punten zijn dan ook meegenomen in de beschikking. Verder heeft de raad tijdens het onderzoek contact gehad met diverse informanten. De raad is van mening dat de rechtbank zich in brede zin heeft laten informeren over de situatie en hierop een gedegen beslissing heeft genomen. Verder betoogt de raad dat de moeder eraan voorbij gaat dat de ontheffing mede is bedoeld om de minderjarigen duidelijk te maken waar hun toekomstperspectief ligt. De ongeschiktheid of onmacht hoeft niet te liggen in de ouder zelf, maar kan ook in het kind zelf gelegen zijn. In casu is bij de minderjarigen sprake van een belast verleden waar het ontbrak aan structuur, stabiliteit en duidelijkheid. Hulp was geïndiceerd, maar werd door de moeder geweigerd. De raad vindt het zorgelijk dat de moeder alle hulpverleningsvoorstellen in twijfel trekt, de hulpverlening ondermijnt en haar eigen plan trekt. De moeder ziet niet dat haar eigen handelen van invloed is op een evenwichtige groei van de minderjarigen. Zij gaat in tegen de belangen, behoeften en ontwikkelingsperspectieven van de minderjarigen. De raad acht de kans groot dat de moeder, indien zij niet wordt ontheven, niet zal meewerken aan een beslissing die anders is dan terugplaatsing van de minderjarigen, hetgeen niet aan de orde is. De raad merkt tot slot op dat de ontheffing niet het gevolg zal hebben dat er geen omgang zal plaatsvinden tussen de moeder en de minderjarigen. De gezinsvoogdijinstelling dient zich in te spannen om de communicatie te verbeteren en contacten tussen de moeder en de minderjarigen te stimuleren.

7. De WSS is van mening dat de bestreden beschikking voldoende is gemotiveerd. Sinds de ontvoering van de minderjarigen door de moeder en haar partner gedurende een week zijn de minderjarigen getraumatiseerd.[minderjarige 1] heeft angst om meegenomen te worden, driftbuien en durft niet alleen te zijn met de moeder tijdens de bezoekmomenten.[minderjarige 2] laat grensoverschrijdend gedrag zien, claimend gedrag, seksueel overschrijdend gedrag, fixatie op eten en zeer ongeconcentreerd zijn. De bezoeken die plaatsvinden tussen de moeder en de minderjarigen zijn begeleid omdat de moeder niet begrijpt dat de minderjarigen getraumatiseerd zijn en dat ze hen niet moet belasten met verhalen over haar partner en het verleden. De moeder laat niet zien dat zij kan handelen in het belang van de minderjarigen en stelt zich strijdbaar op tegen alle instanties en de WSS. De raad heeft volgens de WSS duidelijk onderbouwd waarom de moeder ontheven dient te worden.

De systeemtherapie van[minderjarige 2] wordt afgebouwd en de psychomotore therapie van[minderjarige 1] is beëindigd in verband met het starten van traumatherapie. Als het bij de vader goed blijft gaan wordt de gezinsondersteuning afgebouwd en in juli 2014 beëindigd. De gezinsondersteuner is erg tevreden over de basis opvoedvaardigheden van de vader.[minderjarige 2] komt om het weekend logeren bij de vader en in de vakanties een week of meer.

De bezoekregeling met de moeder verloopt de laatste maanden zeer onrustig.[minderjarige 2] gedraagt zich negatiever naar de moeder en zij wil dat de gezinsvoogd bij de bezoeken aanwezig is om de moeder te corrigeren als zij over haar partner wil praten. De moeder belast[minderjarige 2] emotioneel en houdt zich niet aan de voorwaarden van de begeleide bezoeken. Naar aanleiding van zorgsignalen vanuit[minderjarige 2] is de bezoekregeling teruggedraaid. De moeder bezoekt[minderjarige 1] eenmaal per vier weken begeleid door de gezinsvoogd.[minderjarige 1] heeft onlangs aangegeven de moeder niet meer te willen zien.

De WSS betoogt dat de omgangsregeling buiten de behandeling van dit beroep dient te blijven omdat de rechtbank geen beslissing heeft genomen over de omgangsregeling. De moeder moet een verzoek indienen bij de rechtbank hieromtrent.

8. De vader heeft ter zitting bij het hof gesteld dat het steeds beter gaat met[minderjarige 1]. Hij heeft onlangs zijn therapie afgerond, hij is gegroeid en zijn angsten zijn minder maar hij durft nog steeds niet alleen te slapen of lid te worden van een voetbalclub. Ook tussen[minderjarige 1] en[minderjarige 2] gaat het beter en er wordt gewerkt aan plaatsing van[minderjarige 2] bij de vader. De vader is van mening dat de minderjarigen de moeder helemaal niet meer zouden moeten zien omdat zij telkens een terugval hebben na een bezoekmoment.

9. Het hof overweegt ten aanzien van de door de moeder verzochte omgangsregeling als volgt.

De raad heeft in eerste aanleg verzocht om de moeder te ontheffen van het gezag over de minderjarigen. De moeder heeft hiertegen tijdens de zitting bij de rechtbank mondeling verweer gevoerd en verzocht om het verzoek af te wijzen. Het verzoek van de moeder in hoger beroep om te bepalen dat de moeder conform een door het hof in goede justitie vast te stellen frequentie (vrije) omgang zal hebben zowel met[minderjarige 2] als met [minderjarige 1] is een zelfstandig verzoek. Een zodanig zelfstandig verzoek kan krachtens artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Dit zou de processuele belangen van de raad en de overige belanghebbenden schaden en hen een feitelijke instantie ontnemen. De moeder dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar hoger beroep voor zover het de omgangsregeling betreft.

10. Ten aanzien van de ontheffing van het gezag overweegt het hof als volgt.

11. Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 BW voordoet. Nu de moeder niet instemt met een ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof de vraag voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarigen af te wenden.

12. Het hof is op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan ten aanzien van de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen. Het hof neemt de gronden geheel over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof overweegt daarbij voorts dat uit het dossier en de informatie die de raad en de WSS tijdens de zitting in hoger beroep hebben gegeven is gebleken dat de moeder de minderjarigen niet kan bieden wat zij nodig hebben. De moeder staat niet, althans onvoldoende, open voor hulpverlening. Verder erkent de moeder niet, althans onvoldoende, dat de minderjarigen kwetsbare kinderen zijn, ieder met hun eigen problematiek, die professionele hulp nodig hebben. De moeder is, gezien alle gebeurtenissen in het verleden, niet in staat gebleken om de belangen van de minderjarigen voorop te stellen. Voorts is er sprake van een ondertoezichtstelling sinds 17 mei 2010 en een uithuisplaatsing sinds 17 mei 2011. Met de minderjarigen gaat het naar omstandigheden goed.[minderjarige 1] woont bij de vader en[minderjarige 2] woont vooralsnog in een instelling.

13. Het hof constateert verder dat de moeder niet inziet hoe haar eigen handelen van nadelige invloed is op een evenwichtige groei van de minderjarigen. Dat vindt zijn bevestiging in het feit dat de minderjarigen een terugval hebben na een bezoekmoment met de moeder en zich sinds april 2014 ook zelf zijn gaan verzetten tegen het contact met hun moeder. Aan een terugplaatsing bij de moeder wordt niet meer gewerkt en de onzekerheid over het opvoedingsperspectief blijft voortduren zolang de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks dienen te worden verlengd. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de ontwikkeling van de minderjarigen dat voor hen duidelijk is dat zij verder elders zullen opgroeien. Onder de gegeven omstandigheden acht het hof de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende om de ernstige bedreiging van de minderjarigen af te wenden.

14. Ten aanzien van het beroep van de moeder op schending van de privacy bij de contactmomenten overweegt het hof als volgt. De inbreuk die de ontheffing maakt op het familie- en gezinsleven van de moeder en de maatregelen die door de WSS worden genomen bij de contactmomenten tussen de moeder en de minderjarigen worden gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarigen. Nu alternatieve en lichtere maatregelen niet toereikend zijn, geldt naar het oordeel van het hof bovendien dat de maatregel van ontheffing en het onder begeleiding laten plaatsvinden van de omgang tussen de moeder en de minderjarigen niet zwaarder is dan de omstandigheden rechtvaardigen.

15. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen is voldaan. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

16. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

17. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover het haar verzoek om een omgangsregeling vast te stellen betreft;

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Van den Wildenberg en Stille, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2014.