Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3697

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
BK-13_00454
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2467, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navordering i.v.m. verzwegen inkomsten uit KB Lux-rekening. De vaststellingsovereenkomst is rechtsgeldig tot stand gekomen en daaraan kleeft geen wilsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0032
V-N Vandaag 2014/2655
V-N 2015/12.17.12

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00454

Uitspraak d.d. 12 november 2014

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Leiden, de Inspecteur,

inzake het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2013, nummer SGR 12/2220 betreffende na te melden navorderingsaanslag.

Navorderingsaanslag, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De Inspecteur heeft over het jaar 1999 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting opgelegd. In de navorderingaanslag zijn begrepen de nagevorderde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 2000 en de nagevorderde vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 alsmede de daarbij opgelegde verhogingen en vergrijpboetes en in rekening gebrachte heffingsrenten.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 6 februari 2012 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 1.000 en vergoeding van het griffierecht van € 42.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van € 118.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 september 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. De griffier heeft een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder zijn aangeduid.

“1. Eiseres, geboren op [dag en maand] 1933, en [A], geboren op [dag en maand] 1931 (de zus), zijn zussen (hierna gezamenlijk genoemd: de gezusters).

2. In hun aangiften voor de jaren 1990 tot en met 2000 hebben de gezusters geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux).

3. In de periode 11 december 2001 tot en met 11 maart 2002 is door de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de gezusters betreffende het opzettelijk niet aangeven van rente, die is genoten op een rekening bij de KB Lux. In dit kader zijn de gezusters beiden op 11 december 2001 bezocht door medewerkers van de FIOD-ECD. Daarbij hebben de gezusters aangegeven niet over een rekening bij de KB Lux te beschikken.

4. Omstreeks 28 januari 2002 heeft de KB Lux de gezusters op hun verzoek afschriften verstrekt van de bankrekening bij de KB Lux met nummer [xxxxxx]. De gezusters hebben deze bankafschriften op 7 februari 2002 aan medewerkers van de FIOD overhandigd. Op 12 februari 2002 is door de FIOD een proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt. Dit luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…)Aan de hand van de door de verdachten [de zus] en [eiseres] overhandigde rekeningoverzichten van rekening [xxxxxx] bij de kredietbank te Luxemburg blijkt dat de verdachten [de zus en eiseres], ieder voor de helft gerechtigd, de navolgende bedragen per jaar aan rente hebben genoten:

[de zus] [eiseres] Totaal

1994 ƒ 12.906 ƒ 12.906 ƒ 25.812

1995 ƒ 11.196 ƒ 11.196 ƒ 22.392

1996 ƒ 7.261 ƒ 7.261 ƒ 14.522

1997 ƒ 8.337 ƒ 8.337 ƒ 16.674

1998 ƒ 9.082 ƒ 9.082 ƒ 18.164

1999 ƒ 8.425 ƒ 8.425 ƒ 16.850

2000 ƒ 15.242 ƒ 15.242 ƒ 30.484

totaalƒ 72.449 ƒ 72.449 ƒ 144.898

2001 € 8.082 € 8.082 € 16.164

Dit proces-verbaal werd door mij opgemaakt op ambtsbelofte.

Gesloten en getekend te [Q] op 12 februari 2002.

(…).

5. Op basis van de overgelegde bankafschriften heeft verweerder het bedrag van de bij eiseres na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000 en de heffingsrente daarover alsmede de voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1995 en voor de vermogensbelasting 1991 tot en met 1999 op te leggen verhogingen en vergrijpboetes (50% van de enkelvoudige belasting) berekend op een totaalbedrag van € 52.449.

6. Ter zake van de berekende na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting, de heffingsrente daarover alsmede de op te leggen verhogingen en vergrijpboetes is, na overleg met eiseres, een vaststellingsovereenkomst opgesteld (de vaststellingsovereenkomst). De vaststellingsovereenkomst luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

“(…)De Belastingdienst heeft een onderzoek ingesteld naar Nederlandse ingezetenen die in het buitenland één of meerdere bankrekening(en) aanhouden, dan wel aan hebben gehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de volgende partijen, na onderling overleg, in het kader van een compromis een vaststellingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:900, lid 1 Burgerlijk Wetboek:

1. Naam : [eiseres]

(…)

2. Naam : (…)

Namens :[verweerder]

Onderwerp van deze vaststellingsovereenkomst is de na te vorderen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting over de jaren 1991 t/m 2000, alsmede de boeten en de heffingsrente daarover, voor zover die een gevolg zijn van het hiervoor genoemde onderzoek. Partijen verklaren zich jegens elkaar te binden ten aanzien van deze onderwerpen, waarbij zij uitdrukkelijk verklaren dat de overeenkomst ook zal gelden indien of voor zover zij afwijkt van een rechtens bestaande toestand tussen partijen.

Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit, dat partij sub 1 opzettelijk onjuist aangiften inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 1996 t/m 2000 dan/wel geen aangiften heeft gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1991 t/m 1995 en vermogensbelasting over de jaren 1991 t/m 2000. Als gevolg hiervan zouden navorderingsaanslagen moeten worden opgelegd tot een totaalbedrag van € 52.449,00 (enkelvoudige belasting, heffingsrente en 50% boete over de betreffende jaren m.u.v.: voor de inkomstenbelasting de jaren 1996 t/m 2000 en vermogensbelasting 2000). Een specificatie van dit totaalbedrag is als bijlage bij deze vaststellingsovereenkomst gevoegd.

Uit praktische overwegingen zijn partijen overeengekomen om het hiervoor genoemde totaalbedrag als enkelvoudige vermogensbelasting te heffen in één navorderingsaanslag over het jaar 1999. Deze navorderingsaanslag vervangt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting met boeten en heffingsrente over de jaren 1991 t/m 2000.

Deze vaststellingsovereenkomst is gesloten onder de volgende voorwaarden:

(…)

* De fiscale gevolgen (enkelvoudige belasting, heffingsrente en boeten) van deze vaststellingsovereenkomst worden volledig verwerkt in één op te leggen navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999. Tegen deze navorderingsaanslag zal geen bezwaar en/of beroep worden aangetekend. Deze navorderingsaanslag wordt bovendien niet ambtshalve verminderd om welke reden dan ook;

(…)

* Partij 1 is in kennis gesteld van de gronden waarop de oplegging van de in deze vaststellingsovereenkomst begrepen boete berust en verklaart, dat hiermee voldaan is aan de verplichting tot kennisgeving en mededeling als omschreven in artikel 67k, lid 1 en 67g, lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Partij sub 1 zal geen recht doen gelden op de in artikel 67k, lid 2 AWR genoemde termijn;

(…)

* Indien deze vaststellingsovereenkomst is gesloten in de bezwaar- of beroepsfase, verklaart partij sub 1 geen beroep te doen op enige vergoeding van kosten, gemaakt in de bezwaar- en/of beroepsfase;

(…)

Partij sub 1 verklaart, alvorens te hebben ondertekend, voldoende tijd te hebben gehad om zich te beraden.

Voor akkoord getekend:

[Eiseres]

Datum ondertekening:

[Verweerder]

Datum ondertekening: 15 maart 2002”

7. Verweerder heeft de door hem op 15 maart 2002 voor akkoord ondertekende (concept)vaststellingsovereenkomst op 15 maart 2002 met begeleidende brief aan eiseres verzonden. De begeleidende brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt.

“(…)Conform mijn toezegging doe ik u 2 exemplaren van de vaststellingsovereenkomst en 1 specificatie van het totaalbedrag toekomen.

Ik verzoek u 1 exemplaar van de vaststellingsovereenkomst van datum en uw handtekening voorzien aan mij te retourneren in bijgevoegde portvrije envelop. Het andere exemplaar alsmede de specificatie van het totaalbedrag kunt u, ten behoeve van uw administratie, achterhouden.

Na ontvangst van de getekende vaststellingsovereenkomst zal ik de kwestie zo snel mogelijk afwerken.

Zoals beloofd heb ik telefonisch contact gehad met [de heer X]. Op de strafrechtelijke afwikkeling kan hij geen enkele invloed uitoefenen. Voor informatie hierover dient u zich schriftelijk te wenden tot de Officier van Justitie (…).”

8. Eiseres heeft de vaststellingsovereenkomst op 17 maart 2002 ondertekend. De voor akkoord getekende vaststellingsovereenkomst is door verweerder op 20 maart 2002 retour ontvangen.

9. Met dagtekening 12 april 2002 is de onderhavige navorderingsaanslag vermogensbelasting aan eiseres opgelegd, naar een te betalen bedrag van ƒ 115.577 (€ 52.447).”

3.2.

In hoger beroep staat voorts het volgende vast:

3.2.1.

Op 11 december 2001 zijn belanghebbende en haar zuster bezocht door twee opsporingsambtenaren van de FIOD-ECD. Daarbij zijn zij op de hoogte gesteld van het vermoeden dat zij een bankrekening aanhielden in Luxemburg. Tevens is daarbij, met hun toestemming, in de woning rondgekeken. Belanghebbende en haar zuster zijn op 7 februari 2002 verhoord.

3.2.2.

De vaststellingsovereenkomst is op 15 maart 2002 aan belanghebbende en haar zuster gezonden, door hen op 17 maart 2002 ondertekend en op 20 maart 2002 retour ontvangen. In de vaststellingsovereenkomst is geen termijn genoemd waarbinnen deze ondertekend retour moest worden gezonden.

3.2.3.

Belanghebbende en haar zuster zijn veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 5.000. In hoger beroep tegen het strafvonnis van de rechtbank is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur aan belanghebbende terecht de onderhavige navorderingsaanslag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of tussen belanghebbende en de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en zo ja, of deze overeenkomst vervolgens is ontbonden. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt zakelijk weergegeven aangevoerd.

De vaststellingsovereenkomst is door middel van een buitengerechtelijke verklaring ontbonden. Die ontbinding werkt terug tot het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst. De ontbinding is door de Inspecteur niet in rechte aangevochten. De Inspecteur had de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring als zodanig moeten onderkennen en niet slechts als een gemotiveerd bezwaarschrift moeten beschouwen.

De vaststellingsovereenkomst is niet rechtsgeldig tot stand gekomen. De navorderingsaanslag over het jaar 1999 dient reeds om die reden te worden vernietigd en de daarin begrepen belasting over de jaren 1991 tot en met 2000 kan niet meer bij afzonderlijke navorderingsaanslagen over die genoemde jaren worden nagevorderd.

Belanghebbende en haar zuster hebben het optreden van de FIOD-ECD tijdens het strafrechtelijk onderzoek als zeer intimiderend ervaren en zijn onder ongeoorloofde druk ertoe aangezet informatie in te winnen bij de KBL-bank in Luxemburg. Zij hebben uiteindelijk gemeend dat met die informatie het voor hen het beste zou zijn om een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Zij hadden toen nog geen rechtskundige bijstand.

Zo het Hof beslist dat de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen en belanghebbende daaraan is gehouden stelt belanghebbende het volgende.

In de vaststellingsovereenkomst is per abuis geen voorbehoud opgenomen over het in achtnemen van de vereiste voortvarendheid.

De rechtbank heeft verzuimd de boete ambtshalve tot 20 percent te verminderen in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Belanghebbende verzoekt om toekenning van een vergoeding voor geleden immateriële schade wegens de lange duur van de procedure in bezwaar met vergoeding van wettelijke rente, waarbij wordt uitgegaan van een redelijke termijn van vier jaar conform de door het Ministerie van Financiën verleende toestemming voor het afdoen van het bezwaarschrift in plaats van, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, een redelijke termijn van tien jaar.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat geen sprake is geweest van misbruik van omstandigheden en/of ongeoorloofd gebruik van aan de FIOD/ECD toegekende bevoegdheden of dwang, en ook niet van dwaling of bedrog. Er hebben zich voorts geen omstandigheden voorgedaan op grond waarvan de overeenkomst buitengerechtelijk kan worden ontbonden.

Belanghebbende heeft voldoende tijd gehad zich van professionele rechtsbijstand te voorzien. Immers tussen het moment waarop belanghebbende voor het eerst werd geconfronteerd met het onderzoek naar haar Luxemburgse rekening (11 december 2001) en het moment waarop zij de vaststellingsovereenkomst heeft getekend (17 maart 2002) zijn ruim drie maanden verstreken. De gemachtigde van belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat een redelijk oordelende belanghebbende aan een periode van drie maanden niet voldoende zou hebben om professionele rechtsbijstand in te roepen.

Van bedreiging of misbruik van omstandigheden - de zwakke vorm van bedreiging – kan geen sprake zijn. Immers belanghebbende is voldoende (meer dan drie maanden) in de gelegenheid geweest om zich van professionele rechtsbijstand te voorzien. De overige wilsgebreken - bedrog of dwaling - zijn gesteld, noch blijken zij uit de stukken.

Van toetsing door de rechter en eventuele verlaging van de boete kan evenmin sprake zijn nu het geschil door middel van de rechtsgeldig tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst is beëindigd en het opleggen van de boete daarvan deel uitmaakt.

De Inspecteur heeft in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan belanghebbende een schadevergoeding heeft toegekend. Belanghebbende heeft met de Inspecteur een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst gesloten. Het was vervolgens uitsluitend belanghebbende die deze overeenkomst wenste te vernietigen. De (immateriële) schade die belanghebbende stelt te hebben geleden is daarmee het gevolg van een omstandigheid die in het geheel aan belanghebbende moet worden toegerekend. Gezien het bepaalde in artikel 6:101 van het BW, dient de vergoedingsplicht geheel te vervallen.

4.4.

Belanghebbende heeft zich in het incidenteel hoger beroep als volgt verweerd:

Artikel 6:101 van het BW is niet integraal van toepassing bij een vaststellingovereenkomst met de Belastingdienst, omdat de vaststellingsovereenkomst een publiekrechtelijk rechtskarakter heeft. Subsidiair stelt belanghebbenden dat de rechtbank reeds rekening heeft gehouden met de consequenties van het bepaalde in artikel 6:101 BW, aangezien bij de boordeling van de overschrijding van de redelijke termijn de rechtbank de eigen schuld heeft verdisconteerd, door bijvoorbeeld de helft van de periode van 4 maanden tussen de vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar van 19 september 2011 en de uitspraak op bezwaar van 6 februari 2012 gedeeltelijk toe te rekenen aan belanghebbenden.

De grondslag voor de immateriële schadevergoeding is gelegen in de trage rechtsgang. Of er sprake is van eigen schuld is niet relevant in het licht van die grondslag. Belanghebbende behoudt immers het recht op beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. In de vaststellingsovereenkomst wordt bepaald hoe de aanslagen door de Inspecteur zullen worden opgelegd. De vaststellingsovereenkomst is onlosmakelijk verbonden met de vaststelling van de aanslag; een geschil over de vaststelling van een aanslag dient binnen een redelijke termijn te worden beslecht en daarbij kan artikel 6:101 van het BW niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard. De vraag of de vaststellingovereenkomst op een juiste wijze tot stand is gekomen, is onlosmakelijk verbonden met de vraag of de aanslag op een juiste wijze is vastgesteld. Het rechtszekerheidsbeginsel noopt tot beslechting van het belastinggeschil binnen redelijke termijn.

4.5.

Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betreft de veroordeling van de Inspecteur tot betaling van de schadevergoeding en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als “eiseres” en de Inspecteur als “verweerder” heeft aangeduid:

“14. Eiseres heeft erkend bedragen aan inkomsten en vermogen te hebben verzwegen. Ten aanzien van de belastingheffing over deze bedragen heeft zij met verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten.

15. Eiseres heeft gesteld dat zij de vaststellingsovereenkomst onder druk heeft gesloten. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat er sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Eiseres heeft tijdens het bezoek van de FIOD-ambtenaren aanvankelijk ontkend over een rekening bij de KB Lux te beschikken. Naar aanleiding van het FIOD onderzoek is eiseres samen met haar zus naar Luxemburg gegaan en hebben zij bankafschriften van hun gezamenlijke KB Luxrekening opgevraagd, die zij later aan medewerkers van de FIOD hebben overhandigd. Tevens hebben zij antwoord gegeven op de door de FIOD-ECD gestelde vragen. Vervolgens heeft verweerder aan de hand van de door eiseres zelf overgelegde gegevens de na te vorderen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000, de heffingsrente daarover alsmede de voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1991 tot en met 1995 en voor de vermogensbelasting 1991 tot en met 1999 op te leggen verhogingen en vergrijpboetes berekend. Deze berekening heeft verweerder tezamen met de door hem opgestelde vaststellingsovereenkomst met de voornoemde begeleidende brief van 15 maart 2002 (zie onder 7) aan eiseres gestuurd. Hierbij heeft verweerder geen enkele termijn gesteld waarbinnen de vaststellingsovereenkomst door eiseres zou moeten worden geretourneerd. Eiseres heeft de overeenkomst vervolgens op 17 maart 2002 ondertekend en terug gestuurd. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet aannemelijk dat er sprake is van enig wilsgebrek bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst. Van enige door verweerder op eiseres uitgeoefende druk bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is voorts niet gebleken.

16. Voorts is niet gesteld of gebleken dat verweerder bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Als regel binden partijen zich bij de vaststellingsovereenkomst omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt. Partijen regelen daardoor hun rechtsverhouding, hetgeen meebrengt dat een vaststellingsovereenkomst zowel over de feiten als over de toepassing van het recht kan worden gesloten. De inhoud van de afspraken die partijen in een vaststellingsovereenkomst maken, mag afwijken van de wet (Hoge Raad 9 december 2005, nr. 41 117, LJN: AU7728). Dit is slechts anders als de vaststellingsovereenkomst zozeer in strijd is met hetgeen de wettelijke regeling – over het geheel genomen – ter zake bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. Verweerder mocht dan ook op volledige nakoming van de vaststellingsovereenkomst rekenen.

17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen. De rechtbank ziet geen reden eiseres niet gebonden te achten aan de vaststellingsovereenkomst. Nu de onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met de gemaakte afspraken is het beroep van eiseres ongegrond.

18. Nu de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand gekomen is en in de vaststellingsovereenkomst tevens is bepaald dat tegen de navorderingsaanslag geen bezwaar en/of beroep zal worden aangetekend, komt de rechtbank niet meer toe aan de door eiseres aangevoerde gronden met betrekking tot het in de navorderingsaanslag begrepen bedrag aan verhogingen en boete, daaronder begrepen de door eiseres bepleite vermindering wegens ‘undue delay’, nu de bedragen aan verhogingen en boeten immers onderdeel uitmaken van de vaststellingsovereenkomst.

Immateriële schadevergoeding

19. Eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de immateriële schade, die zij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat sprake is van eigen schuld en dat eiseres daarom geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Bij de beoordeling van het verzoek geldt als uitgangspunt, dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat ook zuivere belastinggeschillen (zonder boete) binnen een redelijke termijn worden beslecht en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, dient te leiden tot vergoeding van immateriële schade (HR 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, LJN: BO5046, LJN: BO5080 en LJN: BO5087). De hier aan de orde zijnde schadevergoedingsplicht vindt zijn grond dus in de schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het bestuursorgaan en/of de rechter. Het is de trage besluitvorming door het bestuursorgaan en/of de rechter die leidt tot die schending en, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie bij de belastingplichtige wordt geacht op te roepen. Ook als sprake is van eigen schuld laat zulks onverlet dat de belastingplichtige recht heeft op beslechting van het geschil binnen een redelijke termijn. De mate waarin laakbare of onrechtmatige gedragingen van de belastingplichtige ten grondslag liggen aan dat geschil is niet van belang bij het antwoord op de vraag of er grond is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 23 augustus 2012, nr. 04/01848, LJN: BX5668). De rechtbank verwerpt mitsdien de stelling van verweerder.

20. Voorts verwerpt de rechtbank de stelling van verweerder dat eiseres bij de vaststellingsovereenkomst afstand heeft gedaan van haar recht op een immateriële schadevergoeding. De rechtbank vindt daartoe in de vaststellingsovereenkomst geen aanknopingspunt. Dat in de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat eiseres geen bezwaar en/of beroep zal instellen tegen de onderhavige navorderingsaanslag en dat indien de vaststellingsovereenkomst is gesloten in de bezwaar- of beroepsfase, geen beroep zal worden gedaan op enige vergoeding van kosten gemaakt in de bezwaar- en/of beroepsfase, maakt dit niet anders. Deze bepalingen zien naar het oordeel van de rechtbank niet op het verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding als hier aan de orde. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder lijkt te miskennen dat het feit dat eiseres een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de na te vorderen belasting, de heffingsrente en de verhogingen respectievelijk vergrijpboetes en daarbij afstand heeft gedaan van haar recht om tegen de onderhavige navorderingsaanslag bezwaar en/of beroep in te stellen, niet wegneemt dat zij de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst in een bezwaarprocedure bij verweerder en/of een beroepsprocedure bij de belastingrechter aan de orde kan stellen. Nu eiseres dit laatste heeft gedaan, ziet de rechtbank niet in waarom de hiervoor onder 19 genoemde uitgangspunten niet voor de onderhavige bezwaar- en beroepsprocedure zouden moeten gelden.

21. Ook verwerpt de rechtbank het door verweerder ter zitting ingenomen – niet nader gemotiveerde – standpunt dat eiseres, nu de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen vóórdat de Hoge Raad het voornoemde arrest betreffende het vergoeden van immateriële schade heeft gewezen, zich met haar verzoek om een immateriële schadevergoeding tot de civiele rechter moet wenden en dit niet in de onderhavige procedure bij de belastingrechter aan de orde kan stellen.

22. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in HR 22 april 2005, nr. 37.984, LJN: AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Van die termijn van twee jaar kan worden afgeweken in verband met de ingewikkeldheid van een zaak of de invloed van een belanghebbende op het procesverloop. De termijn vangt op grond van de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011 in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

23. In het onderhavige geval ziet de rechtbank aanleiding om een langere termijn als redelijk aan te merken. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Het pro-forma bezwaarschrift van eiseres, gedagtekend 15 april 2002, is op 16 april 2002 bij verweerder ingekomen. Bij brief van 26 april 2002, bij verweerder ingekomen op 1 mei 2002, heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd. Bij brief van 27 mei 2002 heeft de gemachtigde van eiseres bij verweerder aangegeven dat de beantwoording van de aan eiseres gestelde vragen inzake de KB Lux rekening afhankelijk is van de beantwoording van de door hem aan de staatssecretaris van Financiën gestelde vragen. Daarbij heeft hij verweerder meegedeeld dat eiseres haar medewerking zal verlenen nadat de gemachtigde de antwoorden van de staatssecretaris heeft ontvangen. Op 14 april 2003 is de uitspraaktermijn verlengd met een jaar. Bij brief van 9 april 2004 heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om aanhouding van de behandeling van het bezwaarschrift in afwachting van diverse gerechtelijke procedures in het kader van het zogenoemde rekeningenproject. Bij brief van 28 april 2004 heeft verweerder aan de gemachtigde meegedeeld dat het bezwaar zal worden aangehouden totdat zicht bestaat op de resultaten van de procedure(s) uit de “Samenwerkingsafspraak procedures rekeningenproject” en dat na het onherroepelijk worden van die uitspraken de gemachtigde in de gelegenheid zal worden gesteld om te worden gehoord om de bezwaren nader toe te lichten. Bij brief van 19 september 2011 heeft verweerder een ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’ aan de gemachtigde gestuurd, waarbij de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld om aan te geven of hij wilde worden gehoord. Omdat een reactie van de gemachtigde uitbleef, heeft verweerder hem bij brief van 23 januari 2012 nogmaals in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij wilde worden gehoord. Bij uitblijven van een reactie van de gemachtigde op het verzoek om aan te geven of hij wilde worden gehoord, heeft verweerder met dagtekening 6 februari 2012 uitspraak op bezwaar gedaan. Het pro-forma beroepschrift tegen die uitspraak op bezwaar is op 15 maart 2012 ingekomen bij de rechtbank. De motivering van het beroep is op 10 augustus 2012 ingekomen bij de rechtbank.

24. Uit het onder 23 weergegeven procesverloop voor de bezwaarfase, leidt de rechtbank af dat verweerder, mede op verzoek van eiseres, de behandeling van de bezwaarprocedures heeft aangehouden tot een eindbeslissing was genomen in de proefprocedure(s) inzake de KB Lux-problematiek. Daarbij geldt dat de Hoge Raad, na beantwoording van de door de Hoge Raad in het kader van de KB Lux problematiek aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gestelde vragen, op 26 februari 2010 uitspraak heeft gedaan in de laatste proefprocedures (zie onder meer Hoge Raad 26 februari 2010, nr. 43670bis, LJN: BJ9120). Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval de redelijke termijn van twee jaar in ieder geval te worden verlengd de tijd die is verstreken in verband met de aanhouding van de zaken in afwachting van de proefprocedure(s). De rechtbank stelt dit tijdsverloop op de periode tussen het moment dat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen (16 april 2002) en het moment waarop de Hoge Raad de laatstgenoemde arresten heeft gewezen (26 februari 2010), neerkomend op (afgerond) zeven jaar en tien maanden. Voorts stelt de rechtbank vast dat tussen het verzenden van de ‘vooraankondiging uitspraak op bezwaar’ op 19 september 2011 en het daadwerkelijk doen van uitspraak op bezwaar op 6 februari 2012 een periode van ruim vier maanden is verstreken. Nu verweerder bij de brief van 19 september 2011 en vervolgens, wegens het uitblijven van een reactie van de zijde van de gemachtigde, bij brief van 23 januari 2012 nogmaals de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid heeft gesteld om aan te geven of hij wilde worden gehoord, terwijl de gemachtigde ook hierop niet heeft gereageerd, vindt de rechtbank aanleiding voornoemde periode van vier maanden voor de helft, derhalve voor twee maanden, aan eiseres toe te reken. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het pro-forma beroepschrift weliswaar op 15 maart 2012 is ingekomen bij de rechtbank, maar de motivering van het beroep eerst op 10 augustus 2012 heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft derhalve voor het indienen van de gronden van het beroep feitelijk uitstel genoten. Het hiermee gemoeide tijdsverloop van (bijna) vijf maanden dient naar het oordeel van de rechtbank aan eiseres te worden toegerekend.

Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn in dit geval op tien jaar en vijf maanden moet worden gesteld (twee jaar + zeven jaar en tien maanden + twee maanden + vijf maanden). De andersluidende standpunten van partijen betreffende de (lengte van de) redelijke termijn verwerpt de rechtbank.

25. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 16 april 2002 tot de uitspraak van de rechtbank op 24 april 2013 is elf jaar verstreken. Dit is langer dan de termijn van tien jaar en vijf maanden die als redelijk kan worden beschouwd voor de procedure in bezwaar en beroep tezamen. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van zeven maanden.

26. Vervolgens heeft de rechtbank te beoordelen of de overschrijding aan de rechtbank of aan verweerder dient te worden toegerekend. Het (pro-forma)beroepschrift is bij de rechtbank ontvangen op 15 maart 2012. Gelet op de datum van de uitspraak van de rechtbank, 24 april 2013, dient de termijnoverschrijding van zeven maanden geheel aan verweerder te worden toegerekend.

27 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank op de voet van artikel 8:73 van de Awb verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar. Voor een hogere schadevergoeding vindt de rechtbank geen aanleiding.

28. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep (betreffende de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1999) ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

29. Nu het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. In de enkele omstandigheid dat de beroepsprocedure heeft geleid tot toekenning van een – na de uitspraak op bezwaar gevraagde – immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding om tot toekenning van een proceskostenvergoeding over te gaan. Immers nu eiseres eerst nadat uitspraak op bezwaar is gedaan, heeft verzocht om immateriële schadevergoeding, kan verweerder niet worden tegengeworpen dat hij deze in zijn uitspraak op bezwaar niet heeft toegekend.

30. Wel zal de rechtbank, nu de beroepsprocedure heeft geleid tot toekenning van de gevraagde immateriële schadevergoeding, het door eiseres betaalde griffierecht van € 42 aan haar laten vergoeden.”

Beoordeling van het hoger beroep

Vaststellingsovereenkomst

7.1.

De gemachtigde van belanghebbende stelt primair dat de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden is en subsidiair dat de vaststellingsovereenkomst nietig dient te worden verklaard vanwege een daaraan klevend wilsgebrek. Het Hof volgt belanghebbende in geen van beide standpunten.

7.2.

Een tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 265 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Belanghebbende, op wie in deze de stelplicht en de bewijslast rust, heeft geen feiten gesteld die, indien aannemelijk bevonden, grond kunnen opleveren voor het oordeel dat de Inspecteur in de nakoming van zijn verbintenissen uit de vaststellingsovereenkomst tekort is geschoten. Mitsdien was belanghebbende niet tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst gerechtigd en kon hij, gelet op het bepaalde in artikel 267 lid van het BW, de ontbinding niet door een schriftelijke verklaring doen plaatsvinden (artikel 6: 267 lid 1 van het BW). Belanghebbendes primaire stelling faalt.

7.3.

Het Hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat daaraan geen wilsgebrek kleeft. De omstandigheid dat de FIOD-ECD bij belanghebbende en haar zuster huiszoeking heeft gedaan die voor hen de aanleiding was om de gegevens van hun bankrekening in Luxemburg op te vragen staat niet aan die rechtsgeldigheid in de weg. Belanghebbende en haar zuster hadden volop de mogelijkheid bij een professionele rechtsbijstandverlener te rade te gaan over hun situatie en de voor- en nadelen af te (laten) wegen van het al dan niet opvragen van gegevens en het sluiten van een dergelijke overeenkomst. Er zijn geen omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat zij in de afweging al dan niet een adviseur in te schakelen zijn gehinderd door het feit dat in die tijd tevens een strafvorderlijk onderzoek liep en dat zij bloot stonden aan ongeoorloofde druk. Belanghebbendes subsidiaire stelling slaagt evenmin.

7.4.

Met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en het conform deze overeenkomst opleggen van de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 1999, met daarin begrepen de nagevorderde inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting over de belastingjaren 1991 tot en met 2000 alsmede de verhogingen, de boeten en de heffingsrenten voor die jaren, is het geschil over de belastingheffing, de verhogingen, de boeten en de heffingsrenten beëindigd. Het Hof kan derhalve niet toekomen aan de vraag of aan de navordering van belasting over de genoemde jaren in de weg staat dat de Belastingdienst onvoldoende voortvarend heeft gehandeld . Evenmin komt het Hof toe aan de vraag of vanwege het verloop van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM de verhogingen en vergrijpboeten moeten worden verminderd.

Immateriële schade

7.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het een belanghebbende vrijstaat in de procedure waarbij hij zich verweert tegen een belastingaanslag, zijnde een voor bezwaar vatbare beschikking die valt onder de procedurele waarborgen van de Algemene bestuursrecht en de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aan te voeren dat een vaststellingsovereenkomst waarin die aanslag is begrepen, niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Ook dat geschil dient te worden berecht binnen de redelijke termijn die volgens de Hoge Raad in zijn arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BO5080 en BO5087 in acht moet worden genomen op grond van het rechtszekerheidsbeginsel en in voorkomend geval dient overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, te leiden tot vergoeding van immateriële schade. Het Hof verwerpt het andersluidende standpunt van de Inspecteur.

7.6.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de rechtbank voor de beoordeling van de vraag welke termijn nog redelijk is ten onrechte de bezwaarfase heeft verlengd met de tijd die is verstreken in verband met de aanhouding van de zaak in afwachting van de proefprocedure(s) en (een gedeelte van) de tijd dat belanghebbende niet heeft geantwoord op het verzoek om gehoord te worden en vijf maanden heeft gedaan over de motivering van het beroepschrift. Het Hof acht deze verlengingen redelijk en passend binnen de door de Hoge Raad in zijn arresten van 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636 en 20 juni 2014, nr. 13/01045, ECLI:NL:HR:2014:1461 gegeven uitgangspunten voor het toekennen van een vergoeding voor immateriële schade geleden wegens de lange duur van de procedure.

7.7.

Het vorenoverwogene leidt tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, G.J. van Leijenhorst en W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 12 november 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.