Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3626

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
200.089.219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekering; brand in bedrijfsgebouw; beroep op 294 WvK / fraudevervalclausule; hoogte schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.089.219/01

Zaaknummer rechtbank : 351885 / HA ZA 09-3801

arrest van 25 november 2014

inzake

Goudse Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Gouda,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Goudse,

advocaat: mr. H.J. Arnold te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.C.M.J. van Kempen te Cuijk.

Het geding

Bij exploot van 8 juni 2011 is Goudse in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht, tussen partijen gewezen vonnissen van respectievelijk 10 november 2010 (verder: het tussenvonnis) en 18 mei 2011 (verder: het eindvonnis). Bij memorie van grieven (met producties) heeft Goudse drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord in (het principaal) appel tevens inhoudende incidenteel appel tevens vermeerdering van eis (met producties) heeft [geïntimeerde] de principale grieven bestreden, één incidentele grief aangevoerd en haar eis vermeerderd. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft Goudse de incidentele grief en de eisvermeerdering bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden tussenvonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[geïntimeerde] is buiten gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [naam]

(hierna: [naam] ).

2.2

[naam] exploiteerde de eenmanszaak [naam] Caravans & Campers (hierna: de

onderneming). De onderneming was gevestigd aan de Nijverheidsstraat 15 te [plaats]

(hierna: het pand).

2.3

Ten behoeve van zijn onderneming hadden [naam] en Goudse vier

verzekeringsovereenkomsten gesloten, te weten

a. een bedrijfsgebouwenverzekering met een verzekerde som van € 365.100,--;

b. een inventaris/goederenverzekering met een verzekerde som van € 600.000,--;

c. een bedrijfsschadeverzekering met een verzekerde som van € 200.000,--; en

d. een glasverzekering.

Op alle verzekeringsovereenkomsten zijn van toepassing de MKB Pakketvoorwaarden

2005. Op de verzekeringsovereenkomsten zijn voorts respectievelijk van toepassing de Algemene Voorwaarden Bedrijfsgebouwen uitgebreid 2001 (a), Aanvullende Voorwaarden

Inventaris/Goederen Uitgebreid 2002 (b), Aanvullende Voorwaarden Bedrijfsschade

Uitgebreid 2002 (c) en Aanvullende Voorwaarden Glasverzekering 2000 (d).

2.4

Artikel 5 van de MKB Pakketvoorwaarden 2005 luidt als volgt:

5.1.

Verplichtingen na melding

Zodra verzekeringsnemer (…) kennis draagt van een gebeurtenis, dan wel een handelen of nalaten, waaruit voor de maatschappij een verplichting tot uitkering kan voortvloeien, is hij verplicht de maatschappij:

a. (…)

b. binnen redelijke termijn alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de maatschappij van belang zijn om haar uitkeringsplicht te beoordelen;

c. zijn volle medewerking te verlenen en alles na te laten wat de belangen van de maatschappij zou kunnen benadelen. (…)

5.2.

Verval recht op uitkering

Aan deze verzekering kunnen geen rechten worden ontleend indien verzekeringnemer (…) één of meer van de in 5.1 genoemde verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de maatschappij heeft benadeeld. (…)"

2.5

Artikel 7.1 van de Aanvullende voorwaarden Inventaris/Goederen 2002 Uitgebreid, luidt:

"7.1 Vaststelling door experts

De door het evenement veroorzaakte schade en kosten, alsmede de waarde van het verzekerde onmiddellijk vóór het evenement worden vastgesteld door twee experts de maatschappij en verzekerde benoemen elk één expert- tenzij vaststelling door één expert wordt overeengekomen. Voor het geval van verschil benoemen de twee experts tezamen een derde expert, die binnen de grenzen van de door hen vastgestelde cijfers de bindende vaststelling zal verrichten."

Artikel 8.1 van de Aanvullende voorwaarden Bedrijfsschadeverzekering Uitgebreid 2002 kent een soortgelijke bepaling.

2.6

Op 21 juli 2006 is in opdracht van de heer [schuldeiser] executoriaal beslag gelegd op – kort gezegd – onroerende zaken van [naam] in verband met een vordering die voortvloeit uit een vonnis van de rechtbank Assen van 24 mei 2006. Tegenover deze vordering stond de teruglevering van een camper.

2.7

In de nacht van 6 september 2006 is brand ontstaan in het pand. De brand is ontdekt door enkele passsanten die op 6 september 2006 om 01:09 uur de hulpdiensten hebben ingeschakeld. Bij aankomst van de brandweer was de brand reeds uitslaand. Het pand bleek niet meer te redden en is volledig afgebrand.

2.8

Het pand was voorzien van een elektronisch inbraaksignaleringssysteem, met doormelding naar de alarmcentrale van Teleguard. Blijkens de gegevens van dat alarmcentrum is het alarm op de avond van 5 september 2006 twee maal aan- en twee maal uitgeschakeld, en op 6 september 2006 om 00:34 ingeschakeld en om 00:41 weer uitgeschakeld. Vervolgens is om 00:48 het inbraakalarm (een passief infrarood melder, die reageert op bewegende warmte) in de showroom achter afgegaan. Omdat de meldkamer geen van de sleutelhouders kon bereiken is geen verdere actie ondernomen.

2.9

Op 6 september 2006 heeft de Regiopolitie Drenthe, Noordelijke Recherche Eenheid, Afdeling Ondersteuning, Unit Forensische Opsporing, Technische Expertise Brandonderzoeken, onderzoek ingesteld naar aanleiding van de brand. In het daarvan op 3 maart 2008 opgemaakte proces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:

"OMSCHRIJVING PLAATS DELICT

(…)

Het object was direct gelegen aan de openbare weg (…) Aan de linkerzijde van het perceel gaf een oprit, afsluitbaar door middel van een hek, toegang tot het erf. Rondom het perceel vormde een hek de afscheiding met omliggende percelen.

Het object bestond uit een constructie van een stalen skelet en wanden bestaande uit geïsoleerde sandwichpanelen. Het zadeldak was bedekt met geïsoleerde metalen dakplaten.

Het object was ingericht als showroom voor campers. Aan de voorzijde bevonden zich twee kantoorruimten, aan de achterzijde bevond zich een showroom waarin meerdere voertuigen stonden.

ONDERZOEK PLAATS DELICT

(…)

Het object was op een destructieve wijze verbrand: het metalen skelet, voornamelijk het dragende deel van het dak was tengevolge van de brand zwaar aangetast. Dakpanelen en zijwanden werden in zwaar verbrande en verwrongen toestand aangetroffen.

(…)

Brandbeeld

Door de constructie en gebruikte materialen van het object was er een maximale brandschade met een zeer grote hitte-inwerking ontstaan. Hierdoor was het niet mogelijk om onderzoek te doen naar de exacte oorzaak van de brand en daaraan conclusies te koppelen.

In het bedrijfspand werden verschillende totaal uitgebrande voertuigen (campers) aangetroffen.

ONDERZOEK PID METER

Met behulp van de PID meter werd in het object gezocht naar de aanwezigheid van brandversnellende middelen.

In de rechterzijde van de showroom, nabij één van de campers, werd een indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen aangetroffen. (…) De indicatie was echter zodanig dat daar geen zekerheid kan worden gegeven met betrekking tot een eventueel gebruikt brandversnellend middel.

Verstoring van bijvoorbeeld vloerbedekking en verbrandingsproducten en contaminatie door legaal aanwezige brandversnellende middelen (voertuigen) kunnen van invloed zijn op een dergelijke indicatie.

Daardoor kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot deze indicatie brandversnellend middelen. Het brandmonster werd niet voor analyse opgestuurd.

Er werden op andere onderzochte plaatsen in het object geen indicaties brandversnellende middelen aangetroffen.

(…)

Eindconclusie

(…)

Een technisch verklaarbare oorzaak, waarbij elektrotechnische- of gastechnische aspecten een rol hadden gespeeld of het al dan niet opzettelijk ter plaatse brengen en of achterlaten van vuur kon als oorzaak voor het ontstaan van de brand niet worden aangetoond dan wel uitgesloten."

2.10

In opdracht van Goudse heeft Interseco B.V. (hierna: Interseco) onderzoek verricht naar (de oorzaak van) de brand. Intersecco heeft hiervan op 1 mei 2007 rapport (verder: het onderzoeksrapport) uitgebracht.

2.11

Interseco sprak op 6 september 2006 met [naam] . In het gespreksverslag (bijlage 3 bij het onderzoeksrapport) is daarover onder meer het volgende gesteld:

"Verzekerde is eigenaar van en alleen werkzaam in het bedrijf [naam] Campers en Caravans. Het bedrijf handelt alleen in tweedehandse caravans en campers. Kortgeleden heeft het bedrijf voor het eerst een nieuwe camper verkocht, afkomstig van de fabrikant Maess Motorhomes te België. De betreffende camper is gelukkig nog niet afgeleverd, anders zou deze ook zijn verbrand.

De brand komt verzekerde zeer slecht uit. Met Maess Motorhomes was hij mondeling (…) overeengekomen dat hij het alleenrecht het dealerschap te voeren in Nederland. Een goede huisvesting zou juist van belang zijn dit dealerschap te verkrijgen."

Met betrekking tot zijn bezigheden op 5 september 's avonds zou [naam] hebben verklaard, dat hij twee maal naar het pand is geweest: eenmaal om een decoupeerzaag op te halen en eenmaal om een schroevendraaier op te halen. In het onderzoeksrapport is opgemerkt dat [naam] tijdens dit gesprek enkele malen in huilen uitbarstte, omdat het dealerschap van Maess Motorhomes mogelijk niet door zou gaan.

2.12

Interseco heeft op 7 september 2006 een bezoek gebracht aan [K] Beveiligingstechniek, het bedrijf dat de alarminstallatie in het pand had aangebracht. Gesproken is met de heer [K] . Hierover is in het onderzoeksrapport (pag. 19) onder meer liet volgende opgenomen:

"Het inbraakdetectiesysteem heeft ten tijde van de brand naar behoren gefunctioneerd. Ondanks het gegeven dat [naam] een rekening van [K] nog steeds niet had voldaan, was de lijnverbinding naar de particuliere alarmcentrale (…) nog steeds in werking.

( De rekening had in januari 2006 al moeten zijn voldaan.

Deze nota ad € 345,10 heeft betrekking op het contract voor het jaarlijkse onderhoud van het inbraakdetectiesysteem en het abonnement voor de lijnverbinding met de particuliere alarmcentrale. De heer [K] heeft, naar eerst een aantal herinneringsnota's, in de maand juni 2006 een bezoek gebracht aan de [naam] voor het innen van het geld. De [naam] gaf te kennen dat geld op dat moment niet te hebben. Ook zou hij niet weg kunnen, omdat hij zijn bedrijf niet alleen kon laten. Uiteindelijk heeft de heer [K] besloten een incassobureau in te schakelen. Dit incassobureau heeft deze zaak op 1 juli 2006 in behandeling gekregen) (...)."

2.13

Interseco heeft brandmonsters getrokken op plaatsen waar de PID meter een

indicatie gaf voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen. Deze monsters zijn ter

analyse voorgelegd aan S.A. Oleotest N.V. (hierna: Oleotest). De conclusie van Oleotest

blijkt uit haar analyserapport van 12 september 2006 (bijlage 2 bij het onderzoeksrapport):

“(...) Voor de beide monsters geldt dezelfde conclusie:

Aanwezigheid van styreen als pyrolyseproduct van polystyreen en nitrile-verbindingen als pyrolyseproducten van de rubberachtige vloerbedekking. Tevens aanwezigheid van Butanol wat ook met de vloerbedekking kan worden gerelateerd. De door de onderzoekers vastgestelde “film” op de vloeistof kan gevormd zijn door voormelde pyrolyseproducten welke niet mengbaar zijn met water. (…)"

2.14

Op 18 september 2006 is namens de vennootschap onder firma [makelaar] V.O.F. (hierna: [makelaar] executoriaal beslag gelegd op — samengevat — (de helft van) de onroerende zaken van [naam] . De vordering van [makelaar] waarvoor executoriaal beslag is gelegd bedraagt inclusief rente en kosten € 1.651,29 en vloeit voort uit een vonnis van de rechtbank Assen van 22 maart 2006.

2.15

Op 25 september 2006 heeft Interseco opnieuw met [naam] gesproken. In het gesprekverslag (bijlage 4 bij het onderzoeksrapport) is daarover onder meer het volgende vermeld:

"(…)

Ik noch mijn vrouw hebben privé financiële problemen.

Ik heb geen schulden of openstaande kredieten.

Er lopen geen incassoprocedures.

(…)

Ik heb geen personeel. Ik heb wel personeel gehad.

Zo'n 3,5 maand geleden is een werknemer van mij weggegaan. Hij was in vaste dienst als verkoper / bedrijfsleider.

De reden dat hij is vertrokken was dat hij iets anders wilde doen en voor zichzelf wilde beginnen. Met hem heeft geen arbeidsconflict plaatsgevonden. (…)

U vraagt of ik, toen ik na het eten, rond 19.00- 19.30 uur naar het bedrijf ging om de decoupeerzaag te halen, nog bijzonderheden heb gezien of gemerkt.

(…)

Mijn dochtertje van vier jaar oud was bij mij op dat moment. Ik was op dat moment met mijn eigen auto (…).

Dat geldt ook voor het latere tijdstip rond 22.15 uur dat ik een schroevendraaier ging halen. Ik was toen wel alleen.

Dat geldt ook voor het tijdstip van na middernacht dat ik de ratel ging halen.

Ik denk dat ik hooguit zeven á tien minuten binnengeweest ben. Ik zag dat op de alarmuitdraai. (…)

U vraagt mij of ik die avond van 5 september- nacht van 6 september 2006 ergens anders ben geweest (op visite bij iemand, heb getankt of anderszins).

Ik vertel u dat ik buiten het halen van het eten in het cafetaria niet elders ben geweest. (…)

De financiële positie van de Caravanhandel [naam] vóór de brand was goed. Er waren geen schulden.

Het bedrijf kon aan de financiële verplichtingen voldoen. Er liepen of lopen geen incassoprocedures.(…)"

2.16

Op 4 januari 2007 heeft Interseco gesproken met de heer [rijschoolhouder] (verder: [rijschoolhouder] ), die – blijkens bijlage 16 van het onderzoeksrapport - het volgende heeft verklaard:

"(...) lk was op 5 september 2006 omstreeks 23.15 uur klaar met mijn werk en wilde nog even mijn auto gaan wassen bij de autowasstraat aan de [adres] te [plaats] . Deze autowasstraat bevindt zich in de straat recht tegenover het bedrijfsgebouw van de heer [naam] (...). Omtrent het tijdstip, omstreeks 23.15 uur, ben ik vrij zeker. Zoals gebruikelijk ben ik namelijk rond dat tijdstip altijd klaar met mijn werk. Ron 23.00 uur heb ik altijd mijn laatste rijles gegeven.

Juist op het moment dat ik mijn auto wilde gaan wassen, kwam ineens de heer [naam] aangereden. (...) De heer [naam] had mij kennelijk gezien en vandaar dat hij naar mij kwam toe gereden. (...)

De heer [naam] en ik kennen elkaar van vroeger. (…)

Het gesprek tussen de heer [naam] en ik duurde uiteindelijk ongeveer 20 tot 30 minuten. Hoe lang dit gesprek precies duurde weet ik, maar dat moet tussen de 20 en 30 minuten zijn geweest. Omdat ik mijn auto nog moest wassen en naar huis wilde, zei ik op een gegeven moment tegen de heer [naam] dat ik verder moest en moest opschieten. De heer [naam] vertelde mij daarop dat hij ook moest opschieten, omdat hij nog wat moest doen. Hij vertelde mij dat hij nog wat moest doen aan een camper die hij had verkocht.

De heer [naam] is hierop vervolgens in zijn auto gestapt en weggereden. De heer [naam] reed in de richting van zijn bedrijfsgebouw, hetgeen logisch was, daar het gedeelte van de [adres] waaraan de wasstraat gevestigd is doodloopt. Ik ben vervolgens uiteindelijk begonnen met het wassen van mijn auto. Het wasprogramma dat ik koos duurde ongeveer 8 tot 10 minuten, waarna ik in mijn auto ben gestapt om naar huis te gaan.

Op het moment dat ik bij de wasstraat wegreed, de Nijverheidsstraat in om het bedrijventerrein te verlaten en naar huis te gaan, zag ik dat de auto van de heer [naam] , (...) bij het bedrijfsgebouw van de heer [naam] stond. Dit zal om en nabij 24.00 uur zijn geweest. (...)".

2.17

Op 10 januari 2007 sprak Interseco met [ex-werknemer] , de voormalige werknemer van [naam] (verder: [ex-werknemer] . Blijkens bijlage 12 bij het onderzoeksrapport verklaarde [ex-werknemer] onder meer het volgende:

"(…) U vraagt mij waarom ik ben gestopt met mijn werkzaamheden bij [naam] Campers en Caravans. Ik ben met mijn werkzaamheden bij hem gestopt omdat ik een regeling had met een deurwaarders kantoor en er 100 Euro per maand via de werkgever zou worden afgelost. Dat gebeurde niet, want op 22 juni 2006 kreeg ik van het betreffende deurwaarderskantoor te horen dat de 100 Euro per maand al 10 maanden lang niet betaald was. Dat was erg vreemd, want hij hield namelijk wel iedere maand 100 Euro van mijn loon in en ik dacht dus dat dit steeds netjes werd betaald.

(…)

Daarbij kwam nog dat ik al twee maanden geen loon had ontvangen. Het ging hierbij om een maandloon van bruto 1780 Euro. En ik had geen vakantiegeld ontvangen terwijl ik dat al in mei of juni had moeten hebben. Ik had hem natuurlijk wel naar dit geld gevraagd. Het antwoord wat ik van hem kreeg hield verband met een auto die ik had gekocht (…) Deze auto bleek niet goed te zijn, dus ik moest een andere auto hebben. Door [voornaam] ( [naam] , hof) werd hierop een auto gekocht van 1300 Euro (…) De auto van 750 Euro werd vervolgens op de handelsvoorraad geplaatst en zou door [voornaam] worden verkocht. De andere auto zou ik in termijnen aan hem terugbetalen a een bedrag van 1300 Euro.

Dit betekende dus dat [voornaam] ook nog geld van mij kreeg. Daarnaast had hij voor mij ooit een bekeuring betaald van 314 Euro. Dat moest ik hem ook nog terugbetalen. Wat [voornaam] vervolgens deed met de auto van 750 Euro weet ik niet precies, maar ik heb begrepen dat hij aan één van de jongens, die bij hem thuis bezig was met de verbouwing, had beloofd dat hij die auto zou krijgen, wanneer deze jongen het huis zou voegen.

Op zich maakte mij dat allemaal niet zoveel uit, maar eigenlijk klopte er niets van de deal die [voornaam] met mij maakte ten aanzien van de auto's. Ik had immers 750 Euro betaald, maar moest toch 1300 Euro aan hem betalen voor de andere auto, terwijl hij mijn auto min of meer had verkocht.

Natuurlijk gaf ik hem aan dat ik gewoon mijn twee maanden loon en vakantiegeld wilde hebben, maar daar deed hij niets mee. Iedere keer wanneer ik hem daar naar vroeg, vertelde hij mij dat het wel goed zou komen. Totdat ik op 22 juni 2006 telefonisch het voornoemde bericht van het deurwaarderskantoor ontving. Toen was voor mij de maat vol en heb ik ontslag genomen.

(…)

U vraag mij of ik weet hoe het bedrijf [naam] Campers en Caravans, ten tijde van mijn werkzaamheden voor dit bedrijf, liep. Het bedrijf liep wel goed. Het liep altijd goed door. Natuurlijk was het in de wintermaanden wat rustiger, maar over het algemeen liep de zaak prima. (…)

De maanden voor mijn ontslag was een ietwat rustigere periode. (…) Vanaf maart toen wij een beurs hebben gehad, werd het wat rustiger qua verkoop, maar niet zo dat wij ons hierover zorgen moesten maken. (…)

U vraag mij of ik weet of [voornaam] ten tijde van mijn werkzaamheden schulden had. Ja, dat had hij toen. Hij had links en rechts wat leveranciers van goederen die nog geld van hem kregen. Daarnaast heeft hij een deurwaarderskantoor achter zich aan gehad in verband met het niet betalen van stenen en dakpannen voor de verbouw van zijn huis te [plaats] (…) Waarom [voornaam] dit allemaal zo ver liet komen is mij niet bekend. Ik heb altijd het idee gehad dat hij geen geldproblemen heeft.

(…)

[voornaam] en ik hebben momenteel geen ruzie. Ik heb gewoon afstand van [voornaam] genomen, omdat hij zijn afspraken niet nakomt. Met zulke mensen wil ik niets te maken hebben. Wij zijn (handgeschreven in de marge: geen) vrienden en geen vijanden. (…)"

2.18

De onderneming is op 13 februari 2007 gefailleerd.

2.19

Op 15 maart 2007 heeft Interseco opnieuw met [naam] gesproken. In het gespreksverslag dat als bijlage 15 bij het onderzoeksrapport is opgenomen, staat daarover onder meer:

"(...) Zoals eerder verteld kon ik, voor de brand, vanuit mijn bedrijf aan alle betalingsverplichtingen voldoen en was er ook een voldoende inkomen voor mijzelf.

Ik weet niet meer wat ik heb verteld aan u omtrent het vertrek van de heer [ex-werknemer] . U verteld mij dat ik heb verklaard dat de heer [ex-werknemer] was vertrokken omdat hij iets anders wilde doen en voor zichzelf wilde beginnen en met hem geen arbeidsconflict had plaatsgevonden. U vraag mij of dat juist is.

Ik verklaar u dat het juist is. Ik heb geen ruzie met hem.

Het is wel zo dat hij schulden had en dat ik vorderingen van hem had overgenomen. Ik heb in de zomerperiode van 2006 met hem overleg gevoerd omtrent het terugbetalen aan mij.

Ik heb toen voorgesteld om twee maandsalarissen en zijn vakantiegeld in te houden.

Dat was met instemming van de heer [ex-werknemer] . Dat wilde hij zelf.

Ik krijg nu nog steeds geld van hem. Dat gaat over een paar honderd Euro. Ik ga daar verder niet achteraan. (…)

U stelt dat ik tegenstrijdige verklaringen heb afgelegd omtrent het aantal maal en de tijdstippen dat ik die dinsdagavond- dinsdagnacht vanuit de woning naar mijn bedrijf in [plaats] ben gegaan.

(…)

Als blijkt dat ik hem (de heer Wansink van Interseco, hof) toen heb verteld dat ik tweemaal in het bedrijf was geweest dan vertel ik u dat ik mij die 6e september 2006 zal hebben vergist. (…) Ik was dus tijdens dat gesprek vergeten dat ik als laatste nog een ratel heb gehaald.

U vraagt mij of ik de keren dat ik dan naar mijn bedrijf ben gegaan voorheen, nadien nog ergens anders ben geweest of met iemand heb gesproken.

Ik vertel u ik die avond nog heb gesproken met een rijschoolhouder ( [rijschoolhouder] ) die de auto aan het wassen was. (…) het zal (…) rond 23.15 – 23.30 uur zijn geweest dat ik hem sprak. (…)

Als u stelt dat de genoemde heer [rijschoolhouder] (dat is inderdaad de naam van die man) heeft verklaard dat hij zo'n 20-30 minuten met mij heeft gesproken dan weet ik dat niet. Het kan goed zijn dat het gesprek ruim een uur heeft geduurd. Dat kan ook eigenlijk niet anders.

Ik verklaar in ieder geval dat toen ik bij de heer [rijschoolhouder] wegreed hij nog bezig was. Ik ben toen direct naar mijn bedrijf gegaan en heb daar de auto voor het hek gezet en ben ik gelijk naar binnen gegaan.

U vraagt waarom ik u eerder heb verklaard dat er niemand zou zijn die kan bevestigen dat ik rond 00.30 uur alleen bij het bedrijf was en toen niet heb gesproken over de heer [rijschoolhouder] , dan vertel ik u de heer [rijschoolhouder] niet bij mij was. Hij kon ook niet bevestigen dat ik bij het bedrijf was. Hij was immers nog bij de wasstraat toen ik naar het bedrijf ging. (…)"

2.20

Bij brief van 2 mei 2007 heeft Goudse betwist krachtens de in 2.3 bedoelde verzekeringsovereenkomsten gehouden te zijn tot vergoeding van schade.

2.21

[geïntimeerde] heeft van de curator de vordering op Goudse uit hoofde van de verzekeringsovereenkomsten gekocht.

2.22

In opdracht van [naam] heeft Stekelenburg Schade Onderzoek Bureau B.V.

(hierna: Stekelenburg) technisch en tactisch onderzoek verricht naar (de oorzaak van) de

brand. Stekelenburg heeft haar technisch onderzoeksrapport en haar tactisch

onderzoeksrapport afgerond op 16 april 2009 (hierna: rapporten Stekelenburg).

2.23

Bij brief van 29 september 2009 heeft Interseco gereageerd op de

onderzoeksrapporten van Stekelenburg. In die brief is onder meer gesteld:

"(…) Dat de plaats van de ernstigste brandaantastingen niet gerelateerd hoeft te zijn aan de plaats van feitelijk ontstaan, maar afhankelijk is van de vuurbelasting, is absoluut een juiste stelling. Echter, dan dient wel verklaard te worden waardoor er zoveel vuurbelasting kon zijn op die plaats. Zoals door Interseco reeds werd gesteld, bevonden zich op die plaats geen goederen of voorwerpen die de ernstige brandaantastingen op die plaats verklaren. (…)"

2.24

In deze procedure vordert [geïntimeerde] de veroordeling van Goudse

I. tot betaling van een schadevergoeding van € 957.618,97 te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 2 mei 2007 tot de dag van algehele voldoening;

II. om uiterlijk 14 dagen na de betekening van het vonnis de schaderegeling conform

de polisvoorwaarden af te ronden op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,-- voor elke dag of elk dagdeel dat Goudse niet aan deze verplichting

voldoet;

III. tot betaling van een bedrag van € 25.153,37 aan buitengerechtelijke kosten en een

bedrag van € 18.487,38 exclusief BTW aan onderzoekskosten;

IV. tot betaling van de proceskosten.

2.25

Bij akte van taxatie van 6 januari 2011 hebben EMN Expertise, optredend als expert voor verzekeraars en William Klooster Expertise aangesteld door verzekerde, de schade aan inventaris, handelsvoorraad en bedrijfsschade als gevolg van de brand vastgesteld op € 298.500,--.

2.26

Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank Goudse veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 555.647,38, (bestaande uit € 230.000,-- aan opstalschade, € 12.500,-- aan opruimingskosten, € 289.500,-- aan inventaris, handelsvoorraad en bedrijfsschade, € 18.487,38 aan onderzoekskosten en € 5.160,-- aan buitengerechtelijke kosten) vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 mei 2007 en proceskosten.

3.1

In het principaal hoger beroep vordert Goudse vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende de afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , alsmede de veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Goudse van al hetgeen Goudse ter uitvoering van het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan, vermeerderd met rente en proceskosten. De principale grieven zijn gericht tegen de afwijzing van het beroep op artikel 294 K oud (grief I) en het verwerpen van het beroep op artikel 5.1 van de polisvoorwaarden (grief II). Grief III betreft een zogenoemde veeggrief.

3.2

In het incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] de vernietiging van het bestreden vonnis voor wat betreft het toegewezen bedrag. Opnieuw rechtdoende wenst zij de veroordeling van Goudse tot betaling aan haar van een bedrag van € 769.618,12, vermeerderd met rente vanaf 7 september 2006 en proceskosten. De incidentele grief is gericht tegen de overwegingen die hebben geleid tot het toegekende bedrag.

Artikel 294 WvK

4.1

Goudse meent niet gehouden te zijn tot betaling uit de verzekeringsovereenkomsten vanwege merkelijke schuld aan de zijde van [naam] in de zin van artikel 294 WvK. [geïntimeerde] heeft dit bestreden.

4.2

Partijen zijn het er over eens dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat om tot de conclusie te komen dat sprake is van merkelijke schuld aan de zijde van [naam] , vast moet komen te staan dat brandstichting of nalatigheid de meest waarschijnlijke oorzaak is van de brand in het pand en [naam] daarvoor rechtens verantwoordelijk kan worden gehouden alsmede dat het aan Goudse is om hieromtrent feiten en omstandigheden te stellen en deze zo nodig te bewijzen.

4.3

Volgens Goudse is brandstichting door [naam] de meest waarschijnlijke oorzaak van de brand. Zij stelt hiertoe de volgende omstandigheden:

a. er zijn geen aanwijzingen dat sprake is van braak of verbreking;

b. de brand is in het midden aan de achterzijde van het gebouw ontstaan. Op die plaats was een open ruimte in de vorm van een driehoek, waarbij sprake is van diepe inbranding van de vloer en een ernstige aantasting van het dak;

c. in die driehoek is geen technische of elektrotechnische oorzaak voor de brand aangetroffen;

d. de diepe inbranding van de vloer en de ernstige aantasting van het dak zijn niet verklaarbaar door de op die plaats aanwezige vuurbelasting, omdat het om open ruimte ging;

e. brandstichting met gebruikmaking van brandversnellende middelen aangebracht op de vloer in de driehoek zou één en ander kunnen verklaren;

f. het feit dat de politie juist in die driehoek een indicatie voor het gebruik van brandversnellende middelen heeft aangetroffen, ondersteunt de conclusie dat brandstichting de meest waarschijnlijke oorzaak is van de brand;

g. dat geen brandversnellende middelen zijn aangetoond, doet hieraan niet af: door de hevigheid van de brand zullen alle brandversnellers restloos zijn verbrand, terwijl eventuele restanten door bluswater zijn weggespoeld en/of verdund;

h. zeven minuten nadat [naam] het alarm heeft ingeschakeld, is de infraroodmelder van het alarmsysteem geactiveerd. Dit betekent dat als een smeulproces rond die tijd is omgeslagen naar een brand, [naam] dit had moeten bemerken (ruiken), temeer daar de primaire brandhaard een open ruimte betrof;

i. de meest eenvoudige verklaring voor de brand is dus, dat [naam] in de periode dat hij binnen was (van 0:34 tot 0:41 uur) in de driehoek brandversnellende middelen heeft aangebracht en aangestoken;

j. [naam] heeft onware en tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn (nachtelijke) bezoeken aan het pand; [naam] heeft zijn verklaringen bijgesteld toen hij kennis had genomen van de tijdstippen op de uitdraai van de alarmcentrale;

k. uit de verklaring van [rijschoolhouder] blijkt, dat [naam] al omstreeks 0:00 uur bij het pand aanwezig was. Waarschijnlijk had hij tijd nodig – om moed te verzamelen, of om ongezien brandversnellende middelen uit zijn auto te halen – en is daarom pas om 0:34 het pand binnen gegaan;

l. Teleguard heeft op het nummer van [naam] om 0:53 uur de melding nummer buiten gebruik gekregen, dit kan betekenen dat [naam] met zijn GSM buiten het bereik van een zender is geweest, in plaats van in bed (met zijn GSM op de keukentafel) zoals hij verklaarde. Bovendien zou uit de telefoongegevens blijken dat [naam] op 6 september om 01:17.31 92 seconden heeft gebeld;

m. [naam] had een financieel motief bij de brand: de omzet was drastisch gedaald. Het was maar de vraag of het dealerschap wel rond zou komen en er waren wel degelijk achterstanden in betalingen;

n. de omstandigheid dat [naam] kleine bedragen niet kon betalen, onderstreept zijn geldnood;

o. bovendien had hij zijn voormalige werknemer R. [ex-werknemer] al enige maanden geen salaris betaald;

p. aangenomen moet worden dat [naam] heeft hierover opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt: hij heeft immers op 25 september 2006 verklaard dat dat de onderneming geen schulden had en dat [ex-werknemer] was vertrokken omdat hij iets anders wilde gaan doen.

4.4

Het hof overweegt als volgt.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat genoemde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat brandstichting door [naam] de meest waarschijnlijke oorzaak is van de brand. Op deze omstandigheden valt immers – zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd – wel het een en ander af te dingen.

ad. a.: Dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor braak of verbreking, betekent onder de gegeven omstandigheden niet dat geen sprake kan zijn geweest van braak of verbreking. [geïntimeerde] heeft immers – onweersproken – gesteld dat de brandweer, gezien de felheid van de brand, geen controleronde heeft uitgevoerd met betrekking tot mogelijk sporen van braak of verbreking (zie ook technisch rapport Stekelenburg, blz 8);

ad b. t/m d.: De enkele omstandigheid dat de vuurbelasting in de driehoek het hoogste was, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de brand in de driehoek is ontstaan (zie ook rapport Stekelenburg pag. 11 en de reactie daarop van Intersecco, hiervoor onder 2.23). Indien de plaats van ontstaan een andere is dan de driehoek, kunnen andere (electro)technische oorzaken van de brand niet worden uitgesloten. Bovendien valt niet uit te sluiten dat tijdens de bluswerkzaamheden en door het indrukken van dak en gevel door de brandweer campers en caravans zijn verplaatst, hetgeen een verklaring zou kunnen zijn voor de hoge vuurbelasting op die plaats;

ad e. t/m g.: Feit is dat geen sporen van brandversnellende middelen zijn aangetroffen.

ad h. en i.: Door [geïntimeerde] is gemotiveerd gesteld dat indien [naam] het pand zou hebben willen verlaten met een brand in de open ruimte achterin de showroom, de kans groot is dat het inbraaksysteem inschakeling zou hebben geweigerd, omdat de detectoren dan niet in rust zijn. De PIR-melder reageert immers wanneer er voldoende bewegende warmte wordt gedetecteerd. Aangezien normaliter de lichaamswarmte van een mens voldoende is, kan activering al volgen vanaf 37 ̊C (zie ook rapport Stekelenburg, pag. 18);

ad. j en k.: Het hof is er niet van overtuigd dat sprake is van (moedwillig) onjuiste verklaringen. Tijdens zijn verklaring van 6 september 2006 was [naam] blijkens het onderzoeksrapport hevig geëmotioneerd door de brand. Dat [naam] op 25 september 2006 niet heeft verklaard over zijn ontmoeting met [rijschoolhouder] , is mogelijk terug te voeren op de vraagstelling: "U vraagt mij of ik die avond van 5 september- nacht van 6 september 2006 ergens anders ben geweest (op visite bij iemand, heb getankt of anderszins)". Dat is een andere vraag, dan hem – blijkens het gespreksverslag – werd gesteld op 15 maart 2007: "U vraagt mij of ik de keren dat ik dan naar mijn bedrijf ben gegaan voorheen, nadien nog ergens anders ben geweest of met iemand heb gesproken.".

ad m. en n. Het hof sluit zich ten aanzien van deze punten aan bij de overwegingen van de rechtbank (r.o. 4.19 e.v. van het tussenvonnis) en maakt die tot de zijne. Immers, van urgente financiële problemen was volgens de boekhouder van [naam] geen sprake. Blijkens de aangiftes inkomstenbelasting 2005 blijkt dat het gezamenlijk inkomen van [naam] en [geïntimeerde] in 2005 € 64.246,-- heeft bedragen. Weliswaar waren in 2006 de omzet en de winst wat gedaald, maar van achterstand in crediteurenbetalingen en of achterstand in belastingbetalingen was de boekhouder niet gebleken (zie ook rapport Stekelenburg, blz. 21). Dit strookt met de verklaring van [ex-werknemer] . Het enkele feit dat is gebleken dat [naam] ten tijde van de brand achterstand had in de betaling van enkele (betrekkelijk geringe) bedragen, is onvoldoende om van een overtuigend financieel motief te kunnen spreken.

ad o. en p.: Ook hier sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank (r.o. 4.16 e.v. van het tussenvonnis) en maakt die tot de zijne. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gesproken van het opzettelijk geven van onjuiste informatie. De verklaring van [naam] op 15 maart 2007 strookt met die van [ex-werknemer] , en met betrekking tot de informatie op 25 september 2006 geldt dat deze niet volledig is, maar beslist ook niet onjuist.

4.5

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat Goudse niet is geslaagd in het hiervoor onder 4.2 bedoelde bewijs. De eerste principale grief faalt.

Beroep op fraudevervalclausule

5.1

Goudse stelt dat Goudse in haar (onderzoeks)belangen is geschaad doordat [naam] tijdelijk geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de toedracht van de brand. Eerst op 30 november 2006 heeft [naam] de schriftelijke machtiging getekend. Nu er voor de aanvankelijke weigering geen enkele valide reden was, is de sanctie van verval van elk recht op uitkering krachtens artikel 5.2 van de MKB-pakketvoorwaarden gerechtvaardigd, aldus Goudse.

5.2

[geïntimeerde] betwist dat [naam] geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de toedracht van de brand: de onderzoekers hebben op de brandlocatie zonder enige tegenwerking van welke aard dan ook onderzoek kunnen doen naar de oorzaak en toedracht van de brand. Het beroep van Goudse zou dus enkel en alleen op het tactische gedeelte van het onderzoek kunnen zien. Dit onderzoek had Goudse echter ook zonder een machtiging van [naam] kunnen uitvoeren, en Goudse heeft dit deels ook gedaan. Goudse is dan ook niet in haar belang geschaad. Bovendien had [naam] een valide grond om eerst onderzoek te doen naar de juridische consequenties van het tekenen van een machtiging, aldus [geïntimeerde] . Verder betwist [geïntimeerde] dat [naam] opzettelijk onjuist heeft verklaard.

5.3

Het hof overweegt als volgt.

Daargelaten de vraag of [naam] een valide reden had de machtiging niet onmiddellijk te ondertekenen, is het hof van oordeel dat Goudse haar standpunt dat zij is benadeeld door de houding van [naam] onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat de rechtbank geen doorslaggevende waarde heeft gehecht aan de door [rijschoolhouder] genoemde duur en tijdstip van het gesprek met [naam] op de avond van 5 september 2006 is daartoe onvoldoende. Zoals hiervoor reeds overwogen, is het hof er niet van overtuigd dat [naam] opzettelijk onjuist heeft verklaard. Dit betekent dat ook de tweede principale grief faalt en daarmee het principale beroep, aangezien de derde grief geen zelfstandige betekenis heeft. Bij gebrek aan stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Hoogte schade

Inventaris, handelsvoorraad en bedrijfsschade

6.1

[geïntimeerde] is van mening dat de akte van taxatie ernstige gebreken vertoont waardoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan deze akte wordt gebonden. [geïntimeerde] wijst erop dat uit het expertiserapport dat aan de taxatie ten grondslag ligt niet blijkt op welke wijze de schadevaststelling heeft plaatsgevonden. Het rapport bevat geen lijsten van gevonden wrakstukken en overgebleven voorraad. Naar de mening van [geïntimeerde] hadden de experts, gezien de intensiteit van de brand, meer aansluiting moeten zoeken bij de inkoop voorraadlijsten van 31 december 2005 en 27 juli 2006. Bij hantering van die lijsten, moet de schade worden vastgesteld op € 514.102,72, aldus [geïntimeerde] .

6.2

Goudse heeft erop gewezen dat de akte van taxatie een vaststellingsovereenkomst betreft als bedoeld in artikel 7:900 BW. Conform het bepaalde in artikel 7.1 van de Aanvullende voorwaarden Inventaris/Goederen 2002 Uitgebreid, respectievelijk artikel 8.1 van de Aanvullende voorwaarden Bedrijfsschadeverzekering Uitgebreid 2002 heeft [naam] William Klooster Expertise en Goudse EMN Expertise als expert benoemd. De experts zijn inderdaad niet uitgegaan van een handelsvoorraad met de door [geïntimeerde] gestelde waarde, omdat kennelijk ook de eigen expert van [geïntimeerde] dit bedrag niet reëel vond. De experts kwamen tot een handelsvoorraad van (afgerond) € 277.000,-- en een restwaarde van 15% (€ 40.500,--), hetgeen resteert in een schadepost van € 229.500,--, aldus Goudse.

6.3

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de schadevaststelling heeft plaatsgevonden conform de geldende polisvoorwaarden. Dit betekent dat [geïntimeerde] in beginsel aan de vaststelling is gebonden. Hetgeen door [geïntimeerde] is gesteld, is – mede gezien de omstandigheid dat genoemde wijze van schadevaststelling is overeengekomen teneinde discussies als thans aan de orde te voorkomen – onvoldoende om te oordelen dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij gebreke van stellingen die tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Huurderving

6.4

[geïntimeerde] stelt dat zij volgens de polis recht heeft op vergoeding huurschade over 10 weken, oftewel op een schadebedrag van € 3.115,40. Goudse heeft erkend dat dit inderdaad het geval is, zodat dit punt geen verdere bespreking behoeft en het incidentele hoger beroep in zoverre slaagt.

Buitengerechtelijke kosten

6.5

[geïntimeerde] meent dat de rechtbank ten onrechte buitengerechtelijke kosten heeft toegewezen conform voorwerk II. Zij wijst erop dat [naam] als gevolg van het zeer uitgebreide onderzoek van Goudse genoodzaakt is geweest om in een vroeg stadium juridische bijstand te zoeken, terwijl zij door de weigerachtige houding van Goudse in een zeer grote onzekerheid verkeerde. [naam] wilde niets liever dan de onderneming zo snel mogelijk voortzetten, maar is daartoe nimmer in de gelegenheid geweest door het niet uitkeren van schade door Goudse.

6.6

Het hof overweegt dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gesteld om voldoende aannemelijk te doen zijn dat alle door haar gestelde advocaatkosten zagen op werkzaamheden anders dan ter voorbereiding of instructie van de zaak. Het hof ziet daarom geen aanleiding tot toewijzing van meer dan de reeds toegekende kosten. De incidentele grief faalt in zoverre.

Eisvermeerdering: ingangsdatum wettelijke rente

7.1

Naar de mening van [geïntimeerde] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat Goudse vanaf 2 mei 2007 in verzuim is, omdat zij op die datum de dekking onder de polis heeft afgewezen en [geïntimeerde] daaruit heeft kunnen afleiden dat Goudse zou tekortschieten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst. Volgens [geïntimeerde] was Goudse al eerder in verzuim, namelijk al op 7 september 2006, de datum van indiening van de schadeclaim. Indien en voor zover het onderzoeksbelang van Goudse het verzuim zou opschorten, meent [geïntimeerde] dat Goudse in staat moet worden geacht in één maand (het hof begrijpt: twee maanden) het onderzoek te kunnen afronden, zodat Goudse in dat geval per 7 november 2006 in verzuim is geraakt. Meer subsidiair stelt [geïntimeerde] dat [naam] bij brief van 15 november 2006 aanspraak heeft gemaakt op dekking onder de polis en schade-uitkering, aan welke sommatie Goudse geen gevolg heeft gegeven, zodat Goudse in ieder geval per 17 november 2006 in verzuim is.

7.2

Het hof overweegt als volgt.

Het enkele feit dat [geïntimeerde] op 7 september 2006 haar claim heeft ingediend, brengt nog niet mee dat Goudse vanaf die dag in verzuim is als bedoeld in artikel 6:81 BW. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verloop van één of twee maanden. Op dat moment is immers nog niet aan de eisen van de artikelen 6:82 en 83 BW voldaan. Eerst op 15 november 2006 is sprake van een ingebrekestelling. Goudse betwist immers niet dat bedoelde brief een ingebrekestelling inhield, maar zij meent dat deze niet tot verzuim kan leiden, omdat zij vanwege de ontbrekende medewerking van [naam] nog geen gedegen onderzoek had kunnen uitvoeren. Dit verweer slaagt. Aangezien [naam] eerst op 30 november 2006 de machtiging heeft getekend, was sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [naam] , zodat Goudse op 17 november 2006 niet in verzuim is geraakt.

Slotsom

8.1

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het principale hoger beroep faalt en het incidentele hoger beroep deels slaagt. Het bestreden eindvonnis kan voor wat betreft het toegewezen bedrag, niet in stand blijven en zal voor het overige worden bekrachtigd. Bij gebreke van te executeren beslissingen in het tussenvonnis, hebben partijen bij een beslissing in het dictum ten aanzien van dat vonnis geen belang. Het hof zal daarom ten aanzien van dat vonnis in het dictum geen beslissing opnemen. De vordering tot terugbetaling dient te worden afgewezen. Bij deze uitkomst past dat Goudse wordt veroordeeld in de kosten van het principale hoger beroep, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De kosten van het incidentele hoger beroep zullen worden gecompenseerd.

Beslissing

Het hof:

- verwerpt het principaal hoger beroep;

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, sector civiel recht van 18 mei 2011, voor wat betreft het bepaalde onder het eerste liggende streepje;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt Goudse tot betaling aan [geïntimeerde] van € 558.762,78, vermeerderd met de wettelijke rente over € 535.115,40 vanaf 2 mei 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    bekrachtigt het vonnis voor het overige;

  • -

    veroordeelt Goudse in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.475,-- aan griffierecht en € 3.895,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    compenseert de kosten van het incidentele hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, M. Flipse en A.J.P. Schild en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2014 in aanwezigheid van de griffier.