Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3623

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
200.151.390-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Onderbewindstelling. Benoembaarheid voorgestelde bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 24 september 2014

Zaaknummer : 200.151.390/01

Rekestnummer rechtbank : GZ VERZ 13-3369

Zaaknummer rechtbank : 2634816

[rechthebbende]

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. G.J.P.C.G. Verheijen te Nijmegen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 25 juni 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 maart 2014 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton.

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

van de zijde van de rechthebbende:

- op 17 juli 2014 een V-formulier van 16 juli 2014 met bijlagen.

De zaak is op 21 augustus 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de heer [naam 1] van de Stichting [naam stichting] (hierna ook: de stichting).

Ter zitting bij het hof heeft de heer [naam 1] de volgende stukken overgelegd:

  • -

    de bereidverklaring van 20 augustus 2014 van de stichting om als bewindvoerder op te treden voor de rechthebbende;

  • -

    de brief van 19 november 2013 van het NBPB waarin het lidmaatschap van de stichting van het NBPB wordt bevestigd;

  • -

    de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 juni 2014 waarin – onder meer – de stichting wordt benoemd als bewindvoerder;

  • -

    de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 maart 2014 waarin – onder meer – de stichting wordt benoemd als bewindvoerder;

  • -

    twee beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 25 februari 2014 waarin – onder meer – de stichting wordt benoemd als bewindvoerder.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de rechthebbende op 22 augustus 2014 per fax een V-formulier van

22 augustus 2014 met bijlagen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek tot onderbewindstelling van de goederen, die toebehoren aan de rechthebbende, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Ter zitting bij het hof heeft de advocaat van de rechthebbende het verzoek in hoger beroep gewijzigd in die zin dat thans verzocht wordt om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de goederen die toebehoren aan de rechthebbende onder bewind te stellen en het verzoek tot benoeming van de stichting als beschermingsbewindvoerder van de rechthebbende alsnog toe te wijzen.

2. De rechthebbende voert het volgende aan. Het is niet terecht dat de stichting niet benoemd kan worden. Er zijn meerdere personen werkzaam bij deze stichting die haar kunnen begeleiden. De wet stelt regels waaraan een bewindvoerder moet voldoen. Ook moet de rechter de voorkeur volgen van de onderbewindgestelde bij het aanwijzen van een bewindvoerder. Alleen als er goede redenen zijn, wordt hiervan afgeweken. De rechthebbende heeft van de heer [naam 1] , de beoogd bewindvoerder, vernomen dat er bij de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch problemen zijn gerezen. Een van de kantonrechters Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch heeft zich meermalen uitgelaten over incorrect gedrag van de heer [naam 1] Voorts wordt de heer [naam 1] verweten dat hij bij een aanmelding van een bewindvoering niet heeft gemeld dat hij in het verleden zelf failliet is verklaard. Volgens de rechthebbende is deze verplichting nergens in de wet opgenomen. De heer [naam 1], dan wel de stichting, heeft aan alle vereisten voldaan om benoemd te kunnen worden, aldus de rechthebbende.

Verder betoogt de rechthebbende dat eerst door de rechtbank werd gesteld dat de heer[naam 1] niet benoembaar was als bewindvoerder, en vervolgens, zonder opgaaf van redenen, dat de stichting niet benoembaar is, terwijl er meerdere personen werkzaam zijn bij de stichting. De heer[naam 2], werkzaam bij de stichting, voldoet aan alle vereisten en is volwaardig lid bij de branchevereniging. Hij is van onbesproken gedrag maar wordt op deze wijze onevenredig benadeeld. De rechthebbende voelt zich in haar rechtspositie aangetast en is teleurgesteld dat de goederen die haar toebehoren niet onder bewind gesteld kunnen worden van de stichting.

Feitelijk is er door de stichting al een betere financiële situatie ontstaan doordat de stichting de rechthebbende kosteloos heeft bijgestaan. De rechthebbende wil de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. De rechthebbende heeft het volste vertrouwen in de kundigheid van de heer[naam 2] en de heer[naam 1].

Ter zitting bij het hof heeft de heer [naam 1] desgevraagd verklaard dat hij de nieuwe regels kent ter waarborging van de kwaliteit van bewindvoerders zoals opgenomen in het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren van 29 januari 2014. De heer [naam 1] stelt dat hij aan alle eisen van dat Besluit voldoet en, voorzover hij dat niet doet, hij, als bewindvoerder van een bestaand bewindvoerderskantoor, nog tot 1 oktober 2014 de tijd heeft om wel aan alle eisen te voldoen.

3. Het hof overweegt als volgt. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking het verzoek tot onderbewindstelling van de goederen die toebehoren aan de rechthebbende afgewezen omdat, zo blijkt uit de bestreden beschikking, de door de rechthebbende voorgestelde te benoemen bewindvoerder, zijnde de stichting, niet benoembaar is. De rechthebbende heeft, zo blijkt uit het dossier ondanks verzoek daartoe geen andere bewindvoerder aangedragen.

De kantonrechter heeft echter nagelaten te motiveren waarom de stichting niet benoembaar is, zodat het hof niet kan beoordelen of de beslissing van de kantonrechter juist is. De kantonrechter benoemt overigens in de bestreden beschikking ten onrechte niet eigener beweging een bewindvoerder, die in haar visie wel benoembaar is. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de rechthebbende om de goederen die haar toebehoren onder bewind te stellen en de stichting te benoemen als bewindvoerder, opnieuw beoordelen.

Onderbewindstelling

4. Het hof overweegt vooreerst dat hoewel de rechthebbende haar inleidend verzoek heeft ingediend op 18 november 2013, derhalve vóór 1 januari 2014, de datum waarop de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap in werking is getreden, het hof het verzoek zal toetsen aan de sedert die datum geldende wettelijke bepalingen en – zo nodig – aan de uit die wet voortvloeiende kwaliteitseisen, nu de onderbewindstelling niet eerder kan ingaan dan de dag nadat daarvan mededeling aan de rechthebbende is gedaan.

5. Het hof overweegt vervolgens dat op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals dit sinds 1 juli 2014 luidt, de kantonrechter, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

een bewind kan instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

6. Op grond van artikel 1:432 BW kan instelling van het bewind worden verzocht door – onder meer – de rechthebbende.

7. De rechthebbende heeft bij de kantonrechter zelf om haar onderbewindstelling verzocht en legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij grote schulden heeft waardoor zij geestelijke en lichamelijke klachten heeft als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 sub b BW. In eerste aanleg was, zo ligt besloten in de bestreden beschikking, dat geen onderdeel van het debat. Ter zitting bij het hof heeft de rechthebbende nogmaals bevestigd dat zij achter de onderbewindstelling staat. Dit brengt mee, dat het hof het verzoek om een bewind in te stellen over één of meer goederen, die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, zal toewijzen.

Bewindvoerder

8. Uit artikel 1:435 BW volgt dat de rechter die het bewind instelt, daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder benoemt. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon. De rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

9. Het hof overweegt als volgt. De rechthebbende heeft haar uitdrukkelijke voorkeur voor benoeming van de stichting als bewindvoerder ter zitting uitgesproken. Het hof zal hierna toetsen of er gegronde redenen zijn die zich tegen zodanige benoeming verzetten.

10. In het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren van 29 januari 2014 zijn kwaliteitseisen opgenomen waaraan – onder meer – bewindvoerders uiterlijk op 1 april 2014 moeten voldoen. De heer [naam 1] heeft ter zitting bij het hof verklaard dat hij/de stichting aan alle eisen van voornoemd Besluit voldoet, en voorzover hij/de stichting dat niet doet, hij/de stichting, als reeds bestaand bewindvoerderskantoor, nog tot 1 oktober 2014 de tijd heeft om wel aan alle eisen te voldoen. Dat laatste blijkt ook uit het Besluit van 13 februari 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enige onderdelen van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap. Voorts heeft de heer [naam 1] ter zitting verklaard dat de stichting op dit moment ongeveer 40 beschermingsbewinden onder zich heeft. Ter onderbouwing van zijn stelling zijn ter zitting bij het hof vier beschikkingen overgelegd, waaronder een van 30 juni 2014, zijnde derhalve na 1 april 2014, waarin de stichting wordt benoemd (zie hiervoor onder “procesverloop in hoger beroep”).

11. Uit de overige stukken, met name de stukken die ter zitting en na de zitting van het hof zijn overgelegd, is gebleken dat de stichting is toegelaten als volwaardig lid van de Nederlandse Beroepsvereniging voor Professionele (beschermings)Bewindvoerders (NBPB). Daarbij is een bereidverklaring rechtspersoon van de stichting overgelegd van 20 augustus 2014.

Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat er op dit moment geen gegronde redenen zijn die zich tegen benoeming van de stichting als bewindvoerder van de rechthebbende verzetten.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

stelt onder bewind de goederen, die toebehoren of zullen toebehoren aan[rechthebbende], geboren op [geboortedatum] 1977 te district [geboorteplaats]als rechthebbende en benoemt daarbij tot bewindvoerder de heer [naam 1] van de Stichting [naam stichting], [adres];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Obbink-Reijngoud, Sierksma, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2014.