Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3614

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
22-002540-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van

‘opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag’ en ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren, met bijzondere voorwaarden.

De verdachte heeft [slachtoffer], een 13-jarig meisje met psychische problemen, dat was weggelopen van huis en dat de verdachte in een paniektoestand had gebeld, onttrokken aan het gezag van haar ouders gedurende de bewezenverklaarde periode. Terwijl het meisje zich in een zeer kwetsbare positie bevond, heeft de verdachte meerdere malen seks met haar gehad en ontuchtige handelingen met haar gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002540-14

Parketnummers: 09-820594-13 en 09-925841-11 (TUL)

Datum uitspraak: 7 november 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2014 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres],

thans gedetineerd te [PI].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

24 oktober 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarden van -kort gezegd- reclasseringstoezicht, onder behandelingstelling bij De Waag, een contactverbod en deelname aan een arbeidsparticipatietraject. Voorts is met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen, de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-925841-11 en het inbeslaggenomene beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


hij op een of meer tijdstippen in de periode van 23 december 2013 tot en met 26 december 2013 te Zoetermeer, althans in Nederland, opzettelijk een minderjarige (te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedag] 2000), al dan niet met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag, immers heeft hij, verdachte,

- wetende dat die [slachtoffer] van huis was weggelopen, die [slachtoffer] meegenomen naar zijn, verdachtes, woning en/of die [slachtoffer] in zijn woning ondergebracht en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, woning was) die woning op slot gedaan en /of de sleutels verborgen en/of

- die [slachtoffer] gedreigd te slaan en/of te vermoorden en/of de familie van die [slachtoffer] te vermoorden wanneer zij weg zou gaan en/of

- die [slachtoffer] gedreigd te slaan en/of te vermoorden nadat hij zag dat die [slachtoffer] via een what's app bericht een vriend had gevraagd haar te komen ophalen en/of

- die [slachtoffer] verteld dat hij al iemand had vermoord en/of

- de telefoon(s) van die [slachtoffer] afgenomen (en/of die telefoon(s) in aluminiumfolie gewikkeld waarbij hij, verdachte tegen die [slachtoffer] heeft verteld dat ze zo niet getraceerd kon worden);


2.


hij op een of meer tijdstippen in de periode van 21 december 2013 tot en met 26 december 2013 te Zoetermeer, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of

- de (ontblote) borsten en/of billen en/of vagina en/of het ontblote lichaam van die [slachtoffer] betast en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer], wetende dat zij van huis was weggelopen, heeft meegenomen naar zijn woning en/of

- die [slachtoffer] stevig heeft vastgepakt en/of haar handen heeft vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] gedreigd haar anaal te nemen en/of te gaan beffen (wetende dat zij dit niet wilde) wanneer zij niet zou meewerken en/of niet verder zou gaan en/of

- een mes gepakt en/of getoond aan die [slachtoffer] en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, woning was) die woning op slot gedaan en /of de sleutels verborgen en/of

- die [slachtoffer] gedreigd te slaan en/of te vermoorden en/of de familie van die [slachtoffer] te vermoorden wanneer zij weg zou gaan en/of

- die [slachtoffer] gedreigd te slaan en/of te vermoorden nadat hij zag dat die [slachtoffer] via een what's app bericht een vriend had gevraagd haar te komen ophalen en/of

- die [slachtoffer] verteld dat hij al iemand had vermoord en/of

- de telefoon(s) van die [slachtoffer] afgenomen (en/of die telefoon(s) in aluminiumfolie gewikkeld waarbij hij, verdachte tegen die [slachtoffer] heeft verteld dat ze zo niet getraceerd kon worden) en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op een of meer tijdstippen in de periode van 21 december 2013 tot en met 26 december 2013 te Zoetermeer, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of

- de (ontblote) borsten en/of billen en/of vagina en/of het ontblote lichaam van die [slachtoffer] betast;

Meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op een of meer tijdstippen in de periode van 21 december 2013 tot en met 26 december 2013 te Zoetermeer met [slachtoffer], geboren op [geboortedag] 2000, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van de (ontblote) borsten en/of billen en/of vagina en/of het ontblote lichaam van die [slachtoffer].

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 23 december 2013 tot en met 26 december 2013 te Zoetermeer, opzettelijk een minderjarige (te weten [slachtoffer], [geboortedag] 2000), heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag, immers heeft hij, verdachte,

- wetende dat die [slachtoffer] van huis was weggelopen, die [slachtoffer] meegenomen naar zijn, verdachtes, woning en die [slachtoffer] in zijn woning ondergebracht en

- de telefoons van die [slachtoffer] in aluminiumfolie gewikkeld waarbij hij, verdachte tegen die [slachtoffer] heeft verteld dat ze zo niet getraceerd kon worden.

2.


hij op tijdstippen in de periode van

21 december 2013 tot en met 26 december 2013 te Zoetermeer, met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht

en

- de (ontblote) borsten en billen en vagina en het ontblote lichaam van die [slachtoffer] betast.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft [slachtoffer], een 13-jarig meisje met psychische problemen, dat was weggelopen van huis en dat de verdachte in een paniektoestand had gebeld, onttrokken aan het gezag van haar ouders gedurende de onder 1 bewezenverklaarde periode. Terwijl het meisje zich in een zeer kwetsbare positie bevond, heeft de verdachte meerdere malen seks met haar gehad en ontuchtige handelingen met haar gepleegd.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat hij het slachtoffer in eerste instantie heeft opgevangen toen zij hem in paniek opbelde met de mededeling dat zij haar leven wilde beëindigen en dat hij de intentie had om haar met haar psychische problemen te helpen, hetgeen het hof bij de bepaling van de strafmaat ten gunste van de verdachte meeweegt.

Zoals de verdachte op de zitting het zelf treffend heeft uitgedrukt: ‘[slachtoffer] had op dat moment een vriend nodig en geen vriendje’. Toen zij eenmaal in zijn woning was, heeft hij zich immers onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat het een jong meisje betrof, alsmede van haar kwetsbare, afhankelijke positie. Dat de verdachte –zoals hij heeft verklaard- niet wist dat zij slechts 13 jaar oud was, doet aan het verwijtbare van zijn handelen niet af, nu de wetgever de bescherming van het slachtoffer bij de bepaling van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht voorop heeft willen stellen en de leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd.

De verdachte heeft aldus het fysieke en psychische welzijn van het jeugdige slachtoffer ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en heeft haar vertrouwen uiteindelijk ernstig beschaamd. Bovendien heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. Algemeen bekend is dat jeugdige slachtoffers van een zedendelict in de regel nog geruime tijd de psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan.

De ouders van dit slachtoffer hebben gedurende de onder 1 bewezenverklaarde periode in angst gezeten over het lot van hun dochter. Ook dit rekent het hof de verdachte aan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Ten voordele van de verdachte neemt het hof voorts in aanmerking dat hij er ter terechtzitting in hoger beroep blijk van heeft gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien en dat hij – op eigen initiatief – actief en serieus tracht zijn leven een wending ten goede te geven.

Het hof heeft bovendien acht geslagen op de conclusies in het Pro Justitia Rapport, opgesteld en ondertekend door dr. R. Bullens, klinisch psycholoog, d.d. 7 maart 2014.

Dr. Bullens heeft in genoemd rapport geconcludeerd dat bij de verdachte - ook ten tijde van het bewezenverklaarde sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO, met voornamelijk cluster

3-trekken. Deze deskundige heeft, gelet hierop, geadviseerd de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Hoewel het recidiverisico door hem laag tot matig wordt ingeschat, bestaat er een zorgnoodzaak ten aanzien van bovengenoemde persoonlijkheidsproblematiek. Een behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling (zoals De Waag), gericht op terugvalpreventie is, geïndiceerd.

Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de conclusies in het Reclasseringsadvies van GGZ Palier d.d. 12 maart 2014, inhoudende -voor zover hier van belang - het advies de verdachte een meldplicht op te leggen, hem te verplichten een ambulante behandeling te volgen bij De Waag, en hem te verplichten om het arbeidsparticipatietraject bij Schroeder van der Kolk te volgen.

Nu deze conclusies wordt gedragen door de bevindingen die beschreven zijn in de rapportage en ook door hetgeen overigens uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, neemt het hof deze conclusie over en heeft het deze omstandigheden in de strafmaat betrokken.

De verdachte heeft zich -in geval van een veroordeling- bereid verklaard om zich te laten behandelen bij de forensische polikliniek De Waag en begeleiden door de Reclassering. Voorts heeft hij te kennen gegeven ook bereid te zijn tot de deelname aan een arbeidsparticipatietraject, mits dit niet in de weg staat aan de kansen en mogelijkheden op arbeidsgebied die aan hem door de gemeente zijn aangeboden in het kader van het programma re-integratie en nazorg ex-gevangenen.

Alles overwegende – is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof komt het daarnaast geraden voor om, gelet op de adviezen in de voornoemde rapportages en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf de na te noemen bijzondere voorwaarden te verbinden.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van in totaal € 11.316,74, bestaande uit een bedrag ter hoogte van € 10.000,00 ter zake van immateriële schade en een bedrag ter hoogte van € 1.316,74 ter zake van materiële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade, en wel tot een bedrag van € 5.000,00 en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Het hof acht aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van

€ 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Dit gelet op de complexe causaliteitsvraagstukken met betrekking tot de schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit enerzijds en als gevolg van de ook al daarvoor bestaande psychiatrische problematiek van de benadeelde partij anderzijds.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 750,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Het hof acht aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 250,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, gelet op de complexe causaliteitsvraagstukken met betrekking tot de schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit enerzijds en als gevolg van de ook al daarvoor bestaande psychiatrische problematiek van zijn dochter anderzijds.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 750,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Het hof acht aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 250,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, gelet op de complexe causaliteitsvraagstukken met betrekking tot de schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit enerzijds en als gevolg van de ook al daarvoor bestaande psychiatrische problematiek van haar dochter anderzijds.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 250,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank

's-Gravenhage van 10 januari 2012 onder parketnummer

09-925841-11 is de verdachte – onder meer - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte, te weten

1 week, van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van de straf gelasten te weten 1 week gevangenisstraf.

Beslag

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal met betrekking tot de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4 vermelde in beslaggenomen voorwerpen gevorderd dat

deze zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze vermeld zijn onder 1 tot en met 4 op de kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: 4 broeken, 9 overhemden, 1 trui en 1 hoed, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer];

dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd bij de GGZ Reclassering Palier te Den Haag te melden op door de Reclassering te bepalen tijdstippen, zolang de Reclassering dit noodzakelijk acht;

dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

dat de veroordeelde zal deelnemen aan een arbeidsparticipatietraject bij Schroeder van der Kolk of een soortgelijke setting en zich zal houden aan de opdracht van de Reclassering;

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de onder 1 tot en met 4 op de beslaglijst genummerde voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1, 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank

's-Gravenhage van 10 januari 2012 onder parketnummer

09-925841-11, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout,

mr. T.L. Tan en mr. T.B. Trotman, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 november 2014.