Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3604

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
200.130.275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroepsfout advocaat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.130.275/01

Zaaknummer rechtbank : 1351703 \ 12-28117

arrest van 18 november 2014

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats] ([…]),

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. H.A. Stein te Breda,

tegen

[naam],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.A. de Vlieger te Rotterdam.

De verdere loop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 29 oktober 2013, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven heeft [appellante] gemeld dat zij het geschil in volle omvang aan het hof wenst voor te leggen. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de stellingen van [appellante] bestreden.

Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd en arrest gevraagd. het hof heeft in het dossier van [geïntimeerde] handgeschreven opmerkingen aangetroffen. Dat is niet de bedoeling en in strijd met artikel 2.7 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven. Het hof heeft deze opmerkingen dan ook genegeerd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.2

[geïntimeerde] is een advocatenkantoor dat gespecialiseerd is op het gebied van het personen- en familierecht.

1.3

[appellante] was onder Nederlandse huwelijkse voorwaarden gehuwd met de heer [naam] (verder: [L]). In 2007 was de relatie tussen de echtelieden verstoord en wenste [appellante] een scheiding. [appellante] en [L] waren op dat moment woonachtig in België. Beide echtelieden bezaten de Nederlandse nationaliteit. In de huwelijkse voorwaarden is Nederlands recht van toepassing verklaard.

1.4

Bij vonnis van 27 november 2007 heeft het Vredesgerecht van het kanton Arendonk (België), vooruitlopend op een echtscheiding, [L] veroordeeld aan [appellante] een persoonlijk onderhoudsgeld te betalen van € 1.250,-- netto per maand, gebaseerd op de afspraak ter zake die partijen toen hebben gemaakt.

1.5

[appellante] en haar Belgische advocaat, mr. I. Dijkmans, hebben [geïntimeerde] benaderd en gezamenlijk overleg gevoerd over de vraag in welk land (België of Nederland) het beste geprocedeerd kon worden over de echtscheiding, de boedelscheiding en de alimentatieregeling om voor [appellante] tot het beste resultaat te komen. Naar aanleiding van dit overleg is besloten de procedure in Nederland te starten.

1.6

[geïntimeerde] heeft [appellante] vanaf november 2007 tot en met augustus 2010 uit hoofde van een overeenkomst van opdracht (verder: de overeenkomst) bijgestaan in de afwikkeling van haar echtscheiding en de gevolgen daarvan. De werkzaamheden die [geïntimeerde] voor [appellante] heeft verricht zagen onder meer op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de alimentatieregeling en mediation.

1.7

Bij beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2010 is de bijdrage van [L] in het levensonderhoud van [appellante] vastgesteld op € 1.080,-- bruto per maand.

1.8

[geïntimeerde] heeft (maandelijks) werkzaamheden aan [appellante] in rekening gebracht tot een totaalbedrag van ruim € 42.000,--. [appellante] heeft de declaraties tot en met oktober 2009 (tot een bedrag van € 22.010,65) voldaan. Latere declaraties heeft [appellante] – ook nadat zij tot betaling was gemaand – niet, dan wel niet volledig, voldaan. De achterstand in betaling betrof een bedrag van in totaal € 20.290,55.

1.9

Bij brief van 5 juli 2011 schreef [appellante] het volgende:

"Naar aanleiding van ons gesprek bij u op kantoor op 7 juni 2011, in aanwezigheid van mijn Belgische advocaat, heb ik overleg gevoerd met […] en zijn wij tot de conclusie gekomen dat het niet de vraag is of ik bereid ben een deel van de door u gepresenteerde facturen te betalen, maar hoeveel uw kantoor mij gaat betalen aan schadevergoeding?

Immers, u heeft mij aangegeven, toen u mijn zaak aannam, dat ik in Nederland aansprak op een veel hogere alimentatie zou kunnen maken dan in België. Vervolgens neemt mevrouw […] de zaak van u over. Zij doet haar mond tijdens de zitting niet open, wijst de rechtbank niet op het door mijn ex erkende en bewust laag gehouden inkomen uit zijn bedrijf in verband met zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en realiseert een resultaat van amper € 1.000 per maand. Dit in schril contrast met de voorgestelde en verzochte € 7.000 per maand en wat in België mogelijk was.

Vervolgens adviseert uw kantoor mij niet in hoger beroep te gaan (hetgeen dankzij mijn nieuwe Nederlandse advocaat wel tijdig is gedaan) omdat het geen zin zou hebben. Dus de schade veroorzaakt door u en mevrouw […] heb ik weten te beperken maar loopt wel in de vele tienduizenden Euro's.

Het verschil tussen de te verkrijgen alimentatie en de € 1.000 zal ik u te zijner tijd wel berichten.

Voorts blijkt nu dat ik geen aanspraak kan maken op de waarde van de aandelen van mijn ex omdat zijn vennootschap door hem is opgericht voor ons huwelijk, waar u mij nooit op heeft gewezen, en mij op het verkeerde been heeft gezet naar mijn ex toe. Onder deze omstandigheden is het niet reëel van u om aanspraak te maken op nog enige vergoeding voor de schade berokkende werkzaamheden van uw kantoor.

Zoals ik reeds zei is de schade veroorzaakt door uw kantoor in volle omvang nog niet te bepalen. Dat kan pas als het hoger beroep is afgerond en de boedel is afgewikkeld. (…)"

1.10

Het tegen de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage ingestelde hoger beroep heeft niet tot het door [appellante] gewenste resultaat geleid. Bij beschikking van 12 oktober 2011 van dit hof is de door [L] aan [appellante] te betalen alimentatie gesteld op € 950,-- per maand bruto.

1.11

In de thans aan de orde zijnde procedure vordert [geïntimeerde] in conventie – zakelijk weergegeven – betaling van een bedrag van € 20.290,55, vermeerderd met rente en kosten.

1.12

In reconventie vordert [appellante] de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan haar van een bedrag van € 76.960,--, wegens door haar als gevolg van toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [geïntimeerde] bij de uitvoering van de overeenkomst geleden en nog te lijden schade, alsmede een bedrag van € 22.010,65, wegens ten onrechte door [appellante] aan [geïntimeerde] betaalde facturen.

1.13

Bij het thans bestreden vonnis heeft de kantonrechter – zakelijk weergegeven – de vordering in conventie toewezen (waarbij – naar het hof aanneemt sprake is van een verschrijving in het dictum in die zin dat waar € 22.290,55 is vermeld, € 20.290,55 is bedoeld. Nu tegen dit bedrag geen grieven zijn gericht, kan dit echter niet tot vernietiging leiden), de vordering in reconventie afgewezen en [appellante] veroordeeld in de kosten van zowel de conventie als de reconventie. De kantonrechter overwoog daartoe dat [appellante] haar stelling dat sprake is van toerekenbare tekortkomingen aan de zijnde van [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd, zodat deze niet zijn komen vast te staan.

2.1

In hoger beroep vordert [appellante] – zakelijk weergegeven – de vernietiging van het in conventie en in reconventie bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij op basis van het bestreden vonnis heeft geïnd en tot betaling van € 30.000,-, vermeerderd met rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

2.2

[appellante] heeft in haar memorie van grieven geen als zodanig aangeduide grieven aangevoerd. Wel heeft zij een aantal onderwerpen aan de orde gesteld, die als grieven zouden kunnen worden opgevat en door SmeetsGijsbers kennelijk ook als zodanig zijn begrepen. Het hof zal deze grieven/onderwerpen achtereenvolgens behandelen, maar ziet aanleiding zich eerst uit te laten over het volgende, niet bestreden oordeel.

2.3

Verschuldigdheid facturen

Nu geen, althans geen voldoende kenbare, grieven zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter (zie rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis) dat het aantal gedeclareerde uren niet in geschil is, noch dat de declaraties zien op werkzaamheden die uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht zijn verricht, en evenmin een geschil bestaat over het door [geïntimeerde] gehanteerde uurtarief, volgt hieruit dat de vordering in conventie terecht is toegewezen. Het enkele feit dat mogelijk sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming bij de uitvoering van de overeenkomst, bevrijdt [appellante] immers niet van haar betalingsverplichting. Dit betekent tevens dat de reconventionele vordering tot terugbetaling van een bedrag van € 22.010,65, niet kan worden toegewezen.

2.4

Feiten

[appellante] meent dat de kantonrechter is uitgegaan van onjuiste en onvolledige feiten, maar laat na te vermelden om welke onjuiste en onvolledige feiten het zou gaan, zodat deze grief faalt.

2.5

Algemene voorwaarden / bevoegdheid rechtbank Rotterdam

Volgens [appellante] heeft de kantonrechter zich ten onrechte op basis van de Algemene Voorwaarden van [geïntimeerde] bevoegd geacht van het onderhavige geschil kennis te nemen. Wat hiervan ook zij, uit artikel 11 Rv volgt dat het verweer dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is, in dagvaardingszaken vóór alle weren ten gronde dient te worden gevoerd. Nu [appellante] dit niet heeft gedaan, moet ervan worden uitgegaan dat sprake is van een stilzwijgende forumkeuze die tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter leidt (artikel 9 Rv).

2.6

Redelijk handelen en redelijk vakbekwaam advocaat / schade

[appellante] is van oordeel dat door [geïntimeerde] niet de zorgvuldigheid is betracht die van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam advocaat mag worden betracht, omdat zij door [geïntimeerde] niet is gewaarschuwd i) voor het risico dat in Nederland een lagere bijdrage in het levensonderhoud zou kunnen worden vastgesteld dan in België; ii) voor het risico dat het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding zo zou kunnen worden uitgelegd dat de onderneming van [L] buiten de boedelverdeling zou blijven; en iii) voor de omstandigheid dat het door [geïntimeerde] gehanteerde uurtarief van € 378,42, aanmerkelijk hoger ligt dan het in België gebruikelijke tarief voor advocaten (€ 120,--). Op grond van deze omstandigheden is – zo begrijpt het hof – het advies in Nederland te procederen naar de mening van [appellante] als een tekortkoming aan te merken.

2.7

Het hof overweegt dat wat er ook zij van gestelde tekortkomingen aan de zijde van [geïntimeerde] – [geïntimeerde] heeft deze gemotiveerd betwist – de vordering van [appellante] reeds niet kan worden toegewezen, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij hierdoor schade heeft geleden.

2.8

Indien het hof veronderstellenderwijs ervan uitgaat dat het advies in Nederland te procederen als een tekortkoming is aan te merken, zou dit eerst tot toewijzing van de vordering kunnen leiden, indien [appellante] voldoende onderbouwd zou hebben gesteld en bij betwisting bewezen, dat naar redelijke verwachting een procedure in België tot een voor haar (veel) gunstiger resultaat zou hebben geleid en een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat dit had dienen te weten en haar daarover had moeten informeren. [appellante] heeft echter slechts gesteld dat de procedures "wellicht" met een voor haar gunstiger resultaat in België hadden kunnen worden gevoerd (MvG, onder 8). Dat is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende.

2.9

Uit de omstandigheid dat de Belgische Vredesrechter bij wijze van voorlopige voorziening een hogere bijdrage in het levensonderhoud van [appellante] heeft toegekend dan dit hof aan alimentatie in de bodemzaak, volgt – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet dat een in België gevoerde bodemprocedure over alimentatie tot een voor [appellante] gunstiger resultaat zou hebben geleid. De omstandigheid dat belastingontduiking in België een veelvoorkomend fenomeen is, maakt dit niet anders.

2.10

[appellante] heeft niets gesteld op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat een Belgische rechter de onderneming van [L] wel in de boedelscheiding zou hebben betrokken, zodat ook hier niet aannemelijk is dat [appellante] enige schade heeft geleden als gevolg van het feit dat die procedure in Nederland is gevoerd.

2.11

Het enkele feit dat Belgische advocaten doorgaans een lager uurtarief hanteren, dan partijen in het onderhavige geval zijn overeengekomen, maakt niet dat van schade kan worden gesproken als gevolg van de keuze in Nederland te procederen. Ook in Nederland zijn advocaten te vinden die tegen een lager uurtarief werken dan [geïntimeerde], desalniettemin heeft [appellante] voor [geïntimeerde] gekozen. Dit betekent dat – wat er ook zij van de gestelde "waarschuwingsplicht" – de vordering reeds wegens het ontbreken van schade als gevolg van de gestelde tekortkomingen niet kan worden toegewezen.

2.12

Het is begrijpelijk is dat [appellante] teleurgesteld is dat de procedures rond haar echtscheiding haar niet hebben gebracht wat zij had gehoopt. Voor het oordeel dat dit een en ander is te wijten aan handelen van [geïntimeerde] heeft zij echter onvoldoende gesteld. Nu [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat procederen in België een zodanig grotere kans op voor haar gunstig resultaat had, dat een redelijk handelend, redelijk bekwaam advocaat onder de gegeven omstandigheden, haar had moeten adviseren in België te procederen, kan het nalaten van dit advies niet als een tekortkoming van [geïntimeerde] worden aangemerkt.

2.13

Bij gebreke van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

2.14

Een en ander betekent dat het hoger beroep faalt. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten, waaronder begrepen de (nog te maken) nakosten waarvoor onderstaande veroordeling een executoriale titel geeft (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). Ingevolge artikel 237, derde lid Rv blijft de vaststelling van de proceskosten door het hof in dit arrest beperkt tot de vóór de uitspraak gemaakte kosten. De wettelijke rente over die kosten is toewijsbaar als na te melden.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 5 april 2013;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 1.862,-- aan griffierecht en € 3.262,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, J.E.H.M. Pinckaers en M. Flipse en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 november 2014 in aanwezigheid van de griffier.