Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3528

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
200.142.660/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Benadeling van gemeenschap? Artikel 1:164 BW. Verspilling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/47

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 3 september 2014

Zaaknummer : 200.142.660/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-4037

Zaaknummer rechtbank : C/10/424934

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H. Devkinandan-Premchand te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Konijnenburg-de Heer te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 28 februari 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 november 2013 van de rechtbank Rotterdam, hierna: de bestreden beschikking.

De man heeft op 9 mei 2014 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

  • -

    op 20 maart 2014 een V-formulier van 17 maart 2014 met bijlagen;

  • -

    op 1 april 2014 een V-formulier van 28 maart 2014 met bijlagen;

  • -

    op 30 april 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 2 juli 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 4 juli 2014 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door de heer H.P. Vuijk, beëdigd tolk in de [buitenlandse] taal;

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van 18 juli 2013 van de rechtbank Rotterdam en naar bestreden de beschikking.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad - de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld en het verzoek van de vrouw ex artikel 1:164 Burgerlijk Wetboek (BW) afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De advocaat van de man heeft ter terechtzitting uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het stuk van 2 juli 2014 van de zijde van de vrouw omdat dit te laat is ingediend. Gelet op dit bezwaar zal het hof het stuk - dat gefaxt is in de avond van 2 juli 2014 - niet in aanmerking nemen, mede omdat het omvangrijk is en niet makkelijk te doorgronden.

2. In geschil is of de man de huwelijksgemeenschap van partijen heeft benadeeld.

3. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking in appel:

  • -

    de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing ex art. 1:164 BW zodat het hof wordt verzocht de man te bevelen afschriften van de spaarrekening in het geding te brengen over het jaar 2009, 2010 en 2011, daar de vrouw niet over bedoelde afschriften beschikt, en de spaar- en betaalrekeningen uitsluitend op naam van de man stonden;

  • -

    de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing ex art. 1:164 BW zodat het hof wordt verzocht uit hoofde van art. 1:164 BW de man te veroordelen de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden, wegens verspilling van het gemeenschappelijk spaarsaldo en wel tot een bedrag van € 12.000,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

  • -

    de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de verdeling van de bankrekeningen met nummers [1], [2] en de hieraan verbonden rekening met nummer [2];

  • -

    en opnieuw recht doende, de verdeling ten aanzien van voornoemde bankrekeningen tussen partijen vast te stellen als volgt:

deelt toe aan de man:

de saldi van de betaalrekeningen met nummers [1], [2] en de hieraan verbonden rekening met nummer [2], met inachtneming van de volgende waarden van deze rekeningen respectievelijk € 12.000,-, € 21,46 en € 1.848,09, zulks onder verrekening van de helft van de saldi met de vrouw;

kosten rechtens.

4. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof bij beschikking de vrouw in haar beroep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar beroep te verwerpen en/of ongegrond te verklaren, althans te oordelen zoals het hof juist acht met inachtneming van het verweer van de man, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van de man.

5. De vrouw is van mening dat de man de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld doordat hij na aanvang van het geding of zes maanden daarvoor gemeenschappelijke spaargelden tot een bedrag van € 12.000,- heeft verspild. Volgens de vrouw heeft de rechtbank de afwijzing van het verzoek van de vrouw op te weinig gegevens gestoeld. De rechtbank had de man moeten bevelen ook afschriften van de op zijn naam gestelde spaarrekening over het jaar 2011 in het geding te brengen. De stelling van de man dat hij in 2012 meer kosten heeft moeten voldoen voor het gezin en in verband met het uiteengaan van partijen klopt volgens de vrouw niet. Daarnaast dienen naar haar mening bepaalde lasten voor zijn eigen rekening te komen.

6. De man weerspreekt de stellingen van de vrouw. Volgens de man heeft hij voldoende afschriften overgelegd van de drie op zijn naam gestelde bankrekeningen waaruit blijkt dat vanaf 28 november 2012 (de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek) tot zes maanden daarvoor geen grote bedragen op die rekeningen hebben gestaan. Van lichtvaardige verspilling is daarom geen sprake. Nu de vrouw de man onnodig in de procedure heeft betrokken, dient zij volgens de man in de proceskosten te worden veroordeeld.

7. Het hof overweegt als volgt. Krachtens artikel 1:164 BW dient de gestelde benadeling de periode van 28 mei 2012 tot 28 november 2012 te betreffen, zijnde de periode van zes maanden voorafgaande aan de aanvang van het geding. Er is alleen daarom al geen grond de man te bevelen om afschriften over het jaar 2011 in het geding te brengen. De redelijkheid en billijkheid, waarop de vrouw een beroep doet, kunnen voorts niet leiden tot een uitbreiding van de termijn van zes maanden. Het hof wijst het verzoek van de vrouw, de man te bevelen genoemde stukken over te leggen, daarom af.

8. Gelet op het vorenstaande en gelet op de stukken, en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de door de vrouw gestelde benadeling van de huwelijksgemeenschap door de man niet is komen vast te staan. De vrouw heeft daartoe in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, waaronder de bankafschriften over de genoemde periode van 28 mei 2012 tot 28 november 2012, onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht, zodat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht ter zake. De bestreden beschikking zal dan ook worden bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de vrouw ex artikel 1:164 BW is afgewezen.

9. Het vorenoverwogene leidt er toe dat ook het verzoek van de vrouw tot een andere vaststelling van de verdeling van de bankrekeningen zal worden afgewezen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Bewijsaanbod

10. Het door de man in het verweerschrift gedaan algemeen bewijsaanbod zal het hof als onvoldoende concreet en specifiek passeren, nog daargelaten dat dit niet tot beslissing van de zaak zal leiden.

Proceskosten

11. In de familierechtelijke aard van het onderhavige geschil ziet het hof aanleiding om de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende verzoeken van partijen zullen worden afgewezen.

12. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Husson en Van der Zanden, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2014.