Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3494

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
200.149.973-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verleent machtiging aan de bewindvoerder tot het doen van een eenmalige schenking onder de tijdelijke verruiming van de vrijstelling voor schenking ten behoeve van de eigen woning van € 100.000 per persoon aan de drie kinderen van de rechthebbende, onder de voorwaarde dat de leningen van de rechthebbende aan twee van zijn kinderen door hen worden afgelost. Deze leningen zijn destijds aangegaan ter financiering van hun eigen woningen. Het hof heeft overwogen dat het hof genoegzaam is gebleken dat sprake is van een schenkingstraditie en voorts dat de schenkingen er niet toe leiden dat de financiële positie van de rechthebbende in het kader van zijn toekomstige verzorging in gevaar wordt gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 1 oktober 2014

Zaaknummer : 200.149.973/01

BM-nummer rechtbank : 10369

Zaaknummer rechtbank : 2688320/14-80203

[de bewindvoerder],

in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [de rechthebbende], geboren op [geboortedatum in] 1935,

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

tevens in zijn hoedanigheid van advocaat.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 2 juni 2014 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 mei 2014 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag. Bij brief van 26 augustus 2014 heeft de bewindvoerder het verzoekschrift gewijzigd in die zin, dat het beroepschrift zo moet worden gelezen dat niet de rechthebbende, maar de bewindvoerder in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking.

De zaak is op 28 augustus 2014 mondeling behandeld. Ter zitting was aanwezig de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de bewindvoerder – strekkende tot toestemming om namens de rechthebbende aan zijn drie kinderen een bedrag van € 100.000,- per kind te schenken – afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    de rechthebbende is de vader van [de bewindvoerder], [zoon] en [dochter];

  • -

    [de bewindvoerder] is sinds 15 december 2011 bewindvoerder van de rechthebbende.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hof overweegt als volgt. Rectificatie van een aanvankelijk onjuiste partij-aanduiding is een aanvaardbaar middel tot herstel van een gemaakte vergissing wanneer het onder de gegeven omstandigheden voor de processuele wederpartij kenbaar was dat van een vergissing sprake was, die wederpartij door de vergissing en de rectificatie daarvan niet is benadeeld of in haar verdediging is geschaad, en de rectificatie tijdig heeft plaatsgevonden (Hoge Raad 14 december 2007, NJ 2008, 10). Met zijn brief van 26 augustus 2014 heeft de bewindvoerder de aanvankelijk onjuiste partijaanduiding tijdig – binnen de beroepstermijn – gerectificeerd en in onderhavige zaak is geen sprake van een wederpartij, zodat evenmin sprake kan zijn van benadeling van diens belangen. Het hof zal de bewindvoerder derhalve aanmerken als verzoeker in onderhavige procedure.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het verzoek om namens de rechthebbende aan ieder van zijn drie kinderen een bedrag van € 100.000,- te schenken.

2. De bewindvoerder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek alsnog toe te wijzen, althans het verzoek toe te wijzen tot een zodanig bedrag als het hof juist acht. Kosten rechtens.

3. De bewindvoerder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een schenkingstraditie, maar niet voor bedragen van deze omvang. De bewindvoerder voert daartoe het volgende aan. Bij beschikking van 10 januari 2012 heeft de kantonrechter machtiging verstrekt om per kind een bedrag van € 45.000,- uit te keren, alsmede een bedrag van € 2.000,- per kleinkind. Voorts is bij beschikking van 21 oktober 2013 machtiging verleend voor het doen van een aanvullende uitkering van het erfdeel ad € 15.321,- aan elk van de drie kinderen van de rechthebbende. De rechtbank is er derhalve (ongemotiveerd) aan voorbij gegaan dat reeds toestemming is gegeven voor schenking van aanzienlijke bedragen.

Voorts voert de bewindvoerder aan dat de rechthebbende na het doen van de verzochte schenking meer dan voldoende vermogen zal overhouden, te weten circa € 100.000,-, hetgeen de grens van € 20.000,- ruimschoots te boven gaat. Daarbij staat vast dat de rechthebbende geen grote uitgaven meer zal doen. Tot slot voert de bewindvoerder aan dat sprake is van een schenkingstraditie, een traditie van het doorgeven van vermogen naar de volgende generatie en het gebruik maken van fiscale mogelijkheden; rechthebbende was accountant. Een schenking onder de tijdelijke verruiming van de vrijstelling voor schenking ten behoeve van de eigen woning van en voor de kinderen, past naadloos in deze traditie. Uit de rechtspraak vloeit voort dat met dergelijke bijzondere omstandigheden rekening gehouden dient te worden.

4. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek behoeft de bewindvoerder voor een aantal beschikkingshandelingen over het onder bewind gestelde vermogen van de rechthebbende, zoals door middel van de onderhavige voorgenomen schenking, toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat is, machtiging van de kantonrechter. Op grond van de “Aanbevelingen Meerderjarigenbewind” van het LOVCK geldt dat een door de bewindvoerder ingediend verzoek om te worden gemachtigd tot het doen van een schenking namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen, waarvan in onderhavige zaak sprake is, wordt afgewezen indien geen schenkingstraditie wordt aangetoond. In bijzondere, door de bewindvoerder aan te voeren, omstandigheden kan daarvan worden afgeweken indien het belang van de rechthebbende dat vereist, dan wel indien de schenking de leefomgeving van de rechthebbende verbetert. Voorts wordt een schenking in beginsel niet toegestaan als het liquide vermogen van de rechthebbende als gevolg van die schenking minder dan € 30.000,- komt te bedragen.

5. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de rechthebbende aan zijn kinderen jaarlijks schenkingen heeft gedaan ter hoogte van de fiscaal vrijgestelde bedragen. Aldus is sprake van een schenkingstraditie. Voorts neemt het hof in aanmerking dat rechthebbende ook andere (fiscale) mogelijkheden heeft benut om vermogen door te geven aan de volgende generatie, bijvoorbeeld door hen allen een geldlening voor de aankoop van een huis te verstrekken tegen gunstige voorwaarden en lage rente. Naar het oordeel van het hof heeft de bewindvoerder daarmee aangetoond dat rechthebbende gebruik zou hebben willen maken van de tijdelijke verruiming van de vrijstelling van schenkbelasting voor een eigen woning, ex artikel 33a Successiewet 1956. Voorts neemt het hof in aanmerking dat het vermogen van de rechthebbende thans circa € 428.427,- bedraagt en dat onder deze omstandigheden in beginsel niet valt te verwachten dat de schenkingen van in totaal € 300.000,- de financiële positie van de rechthebbende, die thans 78 jaar oud is en sinds enige jaren in een verzorgingstehuis verblijft, in het kader van zijn toekomstige verzorging in gevaar brengen, zodat het verzoek van de bewindvoerder zich naar het oordeel van het hof in dat opzicht voor toewijzing leent.

6. Vast staat echter dat het vermogen van de rechthebbende na de verzochte schenking voor het overgrote deel uit niet direct opeisbare leningen (te weten een lening aan [zoon] ter grootte van circa € 50.000,- en een lening aan [dochter] ter grootte van circa € 52.876,-) zou komen te bestaan, hetgeen zijn toekomstige verzorging wel in gevaar zou kunnen brengen. Immers, toewijzing van het verzoek van de bewindvoerder zou er onder die omstandigheden toe leiden dat het liquide vermogen van de rechthebbende minder dan € 30.000,- zou komen te bedragen. In beginsel zou dit moeten leiden tot afwijzing van het verzoek van de bewindvoerder. Door de bewindvoerder is echter aangevoerd dat de leningen aan [zoon] en [dochter] zijn aangegaan ter financiering van hun eigen woningen, zodat de schenkingen (gedeeltelijk) aangewend zouden kunnen worden ter aflossing van deze leningen. In dat geval zou ook het liquide vermogen van de rechthebbende toereikend zijn eventuele calamiteiten op te vangen zonder dat daarmee zijn verzorging in gevaar gebracht zou worden.

7. Gelet op het voorgaande en nu naar het oordeel van het hof de door de bewindvoerder te beschermen vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende niet worden geschaad wanneer de verzochte schenking in het kader van artikel 33a Successiewet 1956 eenmalig wordt toegestaan, zal het hof, mede gelet op de omvang van het na de schenking resterende vermogen van de rechthebbende, de bewindvoerder machtigen om namens de rechthebbende de verzochte schenking te doen, onder de voorwaarde dat de leningen van de rechthebbende aan [zoon] en [dochter] door hen worden afgelost.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de bewindvoerder toe en machtigt, onder de voorwaarde zoals hiervoor onder rechtsoverweging 7 overwogen, de bewindvoerder tot het doen van een eenmalige schenking ad € 100.000,- per persoon namens de rechthebbende aan de kinderen van de rechthebbende (te weten: [de bewindvoerder], [zoon] en [dochter]);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Obbink-Reijngoud, van Nievelt en Husson, bijgestaan door mr. Hogendoorn-Matthijssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 oktober 2014.