Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:3482

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
BK-14_00316
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2014:2390, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Ter zake van de door belanghebbende ontvangen uitkeringen is terecht geen arbeidskorting (en doorwerkbonus) verleend. Geen sprake van ongeoorloofde discriminatie. Geen sprake van extra of dubbele belastingheffing. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten van zijn inwonende moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2181
V-N 2015/6.25.12
FutD 2014-2534
PFR-Updates.nl 2014-0314
NTFR 2015/862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team belastingrecht

Meervoudige kamer

Nummer BK-14/00316

Uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 oktober 2014

in het geding tussen:

[X], wonende te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2014, nummer SGR 13/1411, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.571.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd omdat belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard in bezwaar, de aanslag gehandhaafd en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 44 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 122.

2.2.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 september 2014, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, uit van de volgende feiten:

3.1.

Belanghebbende, geboren in 1948, is sinds 2006 werkloos als gevolg van een reorganisatie bij de afdeling [A] aan [B]. Hij heeft gedurende het jaar 2010 een FPU-uitkering ontvangen van Stichting Pensioenfonds ABP ten bedrage van € 19.107 en een uitkering van Loyalis Leven N.V. ten bedrage van € 55.972 (hierna ook: de uitkeringen). Laatstvermelde uitkering wordt betaald uit een compensatieplan dat is gestort door zijn voormalig werkgever. Na zijn ontslag is hij nog – onbetaalde – werkzaamheden in het kader van een zogenoemd [project] blijven verrichten.

3.2.

Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.571. In zijn aangifte heeft belanghebbende de uitkeringen vermeld als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en heeft hij een bedrag van € 3.213 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten van zijn inwonende schoonmoeder vermeld bestaande uit:

uitgaven voor vervoer € 963

steunkousen € 55

schoenen € 150

kleding en beddengoed € 300

tandheelkundige hulp € 795

dieetkosten € 950

Totaal € 3.213.

3.3.

Bij het opleggen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur de uitkeringen aangemerkt als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en op die grond geen arbeidskorting en doorwerkbonus verleend. Evenmin heeft de Inspecteur aftrek van de zorgkosten geaccepteerd.

3.4.

In beroep heeft de Inspecteur de uitgaven voor vervoer en steunkousen als zorgkosten aangemerkt en de overige kosten niet bij gebrek aan bewijs. Het bedrag aan zorgkosten komt daarmee niet uit boven de in acht te nemen wettelijke drempel van € 2.202. In beroep is daarom geen aftrek aan zorgkosten verleend.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op toepassing van de arbeidskorting en de doorwerkbonus, en zo nee, of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Voorts is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten van zijn inwonende schoonmoeder.

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op de arbeidskorting en de doorwerkbonus. Hij stelt dat door het niet verlenen van deze heffingskortingen sprake is van discriminatie. Voorts maakt hij aanspraak op aftrek van zorgkosten van zijn schoonmoeder, te weten: schoenen ad € 150, kleding en beddengoed ad € 300, tandheelkundige hulp ad € 795 en dieetkosten ad € 950.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op de arbeidskorting en derhalve evenmin van de doorwerkbonus. Van discriminatie is geen sprake. Belanghebbende heeft geen recht op meer aftrek van zorgkosten dan reeds is aanvaard, te weten uitgaven voor vervoer ad € 963 en steunkousen ad € 55. Aangezien de niet aftrekbare drempel € 2.202 bedraagt en de in aftrek aanvaarde kosten € 1.018 bedragen is aftrek van specifieke zorgkosten niet mogelijk.

Conclusies van partijen

5.1.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag.

5.2.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:

arbeidskorting

5. [ Belanghebbende] is sinds september 2006 werkloos als gevolg van een reorganisatie bij de afdeling [A] aan [B]. Sindsdien ontvangt hij een FPU-uitkering van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en een uitkering van Loyalis (de uitkeringen). Laatstgenoemde uitkering wordt betaald uit een compensatie plan dat is gestort door zijn voormalig werkgever. Na zijn ontslag is hij nog (onbetaalde) werkzaamheden in het kader van een zogenoemd [project] blijven verrichten. [Belanghebbende] stelt dat hij recht heeft op de arbeidskorting omdat hij werkzaamheden heeft verricht en de uitkering van Loyalis rechtstreeks voortvloeit uit zijn voormalige dienstbetrekking bij [B].

6. De rechtbank oordeelt dat van inkomsten uit tegenwoordige arbeid als bedoeld in artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 met de door [belanghebbende] genoten uitkeringen geen sprake is. Dat [belanghebbende] werkzaamheden heeft verricht, maakt niet dat de uitkeringen de onmiddellijke tegenprestatie vormen voor de in het kader van het [project] verrichte arbeid. Voorts kunnen de uitkeringen niet op de voet van artikel 1.7a van de Wet IB 2001 (tekst 2010) met loon uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld, immers onderhavige uitkeringen vallen niet onder de daarin vermelde limitatieve opsomming.

7. Het feit dat de uitkeringen worden aangemerkt als inkomsten uit vroegere arbeid brengt mee dat [belanghebbende] niet in aanmerking komt voor toepassing van de arbeidskorting. Gelet op het voorgaande heeft [de Inspecteur] bij het opleggen van de onderhavige definitieve aanslag terecht geen bedrag aan arbeidskorting in aanmerking genomen

8. Met betrekking tot [belanghebbendes] stelling dat de wetgever, door genieters van inkomsten uit vroegere arbeid uit te sluiten van de arbeidskorting, een regeling heeft getroffen die tot ongeoorloofde discriminatie leidt, overweegt de rechtbank het volgende. De wetgever heeft, naar ondermeer volgt uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 22 juni 1999, nr. 46757/99, BNB 2002/398 (zaak Della Ciaja/Italië) een “wide margin of appreciation” bij de beoordeling of voor de toepassing van het (verdragsrechtelijke) gelijkheidsbeginsel sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen alsmede of en in welke mate voor een ongelijke behandeling van gelijke gevallen een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever met betrekking tot het door [belanghebbende] gestelde verschil in behandeling binnen deze marge gebleven. Van (verdragsrechtelijke) ongeoorloofde discriminatie is dan ook geen sprake. De rechtbank is niet bevoegd op grond van redelijkheid en billijkheid voorbij te gaan aan een juiste wetstoepassing. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is immers (dwingend) voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen.

zorgkosten

9. Artikel 6.1 van de Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:

”1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende persoonsgebonden aftrekposten en (…)

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…) d. uitgaven voor specifieke zorgkosten (afdeling 6.5); (…)”

10. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn - voor zover van belang - uitgaven voor specifieke zorgkosten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit die gedaan zijn voor genees-, en heelkundige hulp, vervoer, farmaceutische hulpmiddelen op voorschrift van een arts en andere hulpmiddelen, alsmede diëten.

11. Op [belanghebbende] rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij dergelijke uitgaven heeft gedaan. Zowel in de bezwaarfase als in de beroepsfase heeft [belanghebbende] geen bewijsstukken overgelegd waaruit de door hem opgevoerde medische kosten over 2010 kunnen worden afgeleid. [Belanghebbende] heeft ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de door hem opgevoerde kosten in 2010 zijn betaald, dat deze op doktersvoorschrift dan wel op advies van een diëtist(e) zijn gemaakt dan wel dat het kosten betreffen die niet onder het eigen risico vielen. Gelet hierop heeft [belanghebbende] geen recht op aftrek wegens specifieke zorgkosten.

12. De door [belanghebbende] gestelde omstandigheid dat zijn computer is gecrasht kan hem niet baten. Het dient voor zijn eigen rekening en risico te blijven dat [belanghebbende] zich tegen de nadelige gevolgen daarvan niet heeft beschermd door het tijdig vervaardigen van zogeheten back-up bestanden. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat [belanghebbende] in het licht van het door hem gestelde gezondheidsprobleem, inmiddels voldoende extra tijd is geboden om in de gelegenheid te zijn om te voldoen aan zijn bewijslast. Zoals geconcludeerd heeft [belanghebbende] hieraan niet voldaan.

13. [ De Inspecteur] verklaart dat de vervoerskosten van € 963 en de steunkousen van € 55 zonder nadere stukken en bewijsvoering als zorgkosten kunnen worden aangemerkt. Nu de niet aftrekbare drempel te bepalen is op € 2.202 en de in aftrek aanvaarde kosten € 1.018 bedragen is de aftrek van specifieke zorgkosten niet mogelijk.

14. De grief van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] bestuurlijk onbehoorlijk heeft gehandeld, treft geen doel. De rechtbank constateert dat [de Inspecteur] in voldoende mate heeft gereageerd op de brieven van [belanghebbende]. Dat [de Inspecteur] pas na de eerste zitting heeft geprobeerd te achterhalen wat er met de brieven van 19 juli 2012 en 4 januari 2013 is gebeurd, komt voor rekening van [belanghebbende] omdat hij bewust niet heeft voldaan aan een eerder verzoek van [de Inspecteur] een kopie van de betreffende brieven op te sturen.

15. Het beroep is gegrond verklaard omdat het bezwaarschrift ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard.

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat [belanghebbende] kosten heeft gemaakt die op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beoordeling van het hoger beroep

Arbeidskorting

7.1.

Ingevolge artikel 8.11, eerste en tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt de arbeidskorting voor de belastingplichtige die met tegenwoordige arbeid loon geniet en wordt de arbeidskorting berekend over hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten (in het onderhavige geval als loon). De doorwerkbonus geldt ingevolge artikel 8.12 van de Wet IB 2001 voor degene die onder meer een arbeidskortingsgrondslag heeft.

7.2.

Anders dan belanghebbende betoogt, houden de door hem ontvangen uitkeringen niet ten nauwste verband met bepaalde verrichte arbeid of met in een bepaald tijdvak verrichte arbeid en vormen daarvoor geen rechtstreekse beloning, maar vinden de uitkeringen meer algemeen hun oorzaak in het voorheen verricht hebben van arbeid. Zij kunnen derhalve niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking worden aangemerkt (HR 21 juni 2000, nr. 358, BNB 2000/271; ECLI:NL:HR:2000:AA6257 en HR 28 januari 2005, nr. 40045, BNB 2005/133; ECLI:NL:HR:2005:AS4112). Aangezien de uitkeringen evenmin ingevolge het bepaalde in artikel 1.7a van de Wet IB 2001 met loon uit tegenwoordige dienstbetrekking zijn gelijkgesteld, is ter zake van deze uitkeringen terecht geen arbeidskorting (en doorwerkbonus) verleend. De omstandigheid dat belanghebbende in het onderhavige jaar werkzaamheden heeft verricht, maakt voormeld oordeel niet anders, omdat hij voor het verrichten van deze werkzaamheden geen (geldelijke) beloning heeft ontvangen.

7.3.

Belanghebbende betoogt voorts dat de wetgever, door genieters van inkomsten uit vroegere arbeid - in het bijzonder chronisch zieken - uit te sluiten van de arbeidskorting, een regeling heeft getroffen die tot ongeoorloofde discriminatie leidt. Naar het Hof begrijpt, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat dit onderscheid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij dat verdrag en artikel 26 van het IVBPR. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

7.4.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een door deze verdragsbepalingen verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen moet worden vooropgesteld dat deze bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, maar alleen die welke als discriminatie moeten worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling ontbreekt. Op fiscaal gebied komt aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (HR 8 juli 2005, nr. 39.870, BNB 2005/310; ECLI:NL:HR:2005:AQ7212).

7.5.

Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van artikel 8.11 Wet IB 2001 geldt de arbeidskorting in de eerste plaats als vervanging van het arbeidskostenforfait uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De arbeidskorting is voorts bedoeld als stimulans voor het verrichten van betaalde arbeid, het vergroten van de afstand tussen uitkering en werk en, daarmee samenhangend, als middel ter bestrijding van de armoedeval (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 210, nr. 3, blz. 6-7). Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de wetgever de onder 7.4 genoemde grenzen niet heeft overschreden door voor de toepassing van de arbeidskorting onderscheid te maken tussen enerzijds situaties waarin sprake is van tegenwoordige arbeid en anderzijds situaties waarin sprake is van vroegere arbeid. Van ongeoorloofde discriminatie is derhalve geen sprake. De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte van 3 april 2003 maakt dit niet anders. De artikelen 8.11 en 8.12 Wet IB 2001 gelden immers in gelijke mate voor gehandicapten of chronisch zieken enerzijds en voor andere personen anderzijds.

7.6.

Belanghebbende stelt voorts dat de regeling van het arbeidskostenforfait en de doorwerkbonus zoals neergelegd in artikel 8.11 en 8.12 van de Wet IB 2001 onbillijk is omdat chronisch zieken, zoals belanghebbende, minder snel dan gezonde personen in staat zijn om betaalde arbeid te verwerven. Het Hof is niet bevoegd hier een oordeel over te geven. Artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb. 1829, 28 verbiedt de rechter immers de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

7.7.

Anders dan belanghebbende meent, is van extra of dubbele belastingheffing in het onderhavige geval geen sprake, omdat met de op de in geschil zijnde aanslag verschuldigde belasting de ten onrechte verleende heffingskortingen worden teruggenomen.

7.8.

Voor zover belanghebbende verzoekt om, nu hem de arbeidskorting en de doorwerkbonus niet worden toegekend, de voor het onderzoek gemaakte kosten in aftrek te mogen brengen, kan het Hof hem daarin niet volgen, reeds omdat belanghebbende zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd.

Zorgkosten

7.9.

Belanghebbende komt evenmin in aanmerking voor aftrek van de door hem in zijn aangifte vermelde zorgkosten ten bedrage van in totaal € 3.213. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof bewijs aangeboden van de voor zijn schoonmoeder in 2010 gedane uitgaven voor tandheelkundige hulp ad € 795. Zelfs al zou hiermee het bewijs zijn geleverd dat deze uitgaven in 2010 zijn gedaan, dan nog komt belanghebbende met de in eerste aanleg toegekende vervoerskosten ad € 963 en kosten van steunkousen ad € 55 niet boven de voor hem geldende niet aftrekbare drempel van € 2.202. De uitgaven ter zake van schoenen, kleding en beddengoed en dieetkosten zijn op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dat belanghebbende, zoals hij stelt, geen bewijs kan leveren doordat zijn computer gecrasht is, kan hem niet baten, omdat dit voor zijn rekening en risico komt en daarnaast bewijs van de in het geding zijnde uitgaven ook op andere wijze geleverd kan worden.

Onbehoorlijk bestuur

7.10.

Van handelen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur door de Belastingdienst is het Hof, anders dan belanghebbende stelt, niet gebleken.

Conclusie

7.11.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond. Beslist dient te worden als hierna vermeld.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 14 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.